In dienst van een droom voor een nieuwe mens

De moderne jaren vijftig en zestig. Nederlands Architectuurinstituut Rotterdam. Tot 21 juli...

'De nieuwe tijd. De nieuwe mens. Werken wordt anders dan we ooit hebben gedaan. Nederland past zich in een snel tempo aan aan de moderne tijd. Een nieuw mensengeslacht wordt nu geboren' Griezelige commentaren zijn het bijna, die worden uitgesproken in de film Moderne Architectuur uit 1954 van de cineast Rudi Hornecker, zeker als ze vergezeld gaan van vitale vaderlanders die, van onderen gefilmd, trots opkijken naar de samenleving die om hen heen verandert.

Leni Riefenstahl heeft school gemaakt. Maar in plaats van sportlieden of marcherende soldaten zien we eindeloze galerijflats, gestapelde doorzonwoningen en niet aflatende cementmolens. Een enkeling kijkt vrolijk lachend - met een Hollandse wolkenlucht als decor - de toekomst in, de meesten lijken zich als een kapitein op een schip te voelen - zelfverzekerd en vastberaden.

Die blikken en poses, ze blijven voor altijd verkleefd aan de jaren vijftig. Achterover leunen was er niet bij, er moest een nieuw Nederland uit de grond gestampt worden. Een land dat door oorlogsgeweld in puin was geschoten, met een schrijnend tekort aan woningen, en dat bovendien direct daarop werd meegesleurd in een economische bloeiperiode. Het gas van Slochteren leek de bekroning.

De film van Hornecker, met architect G. Holt als adviseur, is een verhelderend onderdeel van de expositie De moderne jaren vijftig en zestig in het Nederlands Architectuurinstituut. Hij begint met een idyllisch portret van Nederland, zaaiende boeren op eindeloze vlaktes met de horizon als enige referentie. Vreemd genoeg verdwijnt die idylle niet, ze wordt ingewisseld voor de nieuwe winkelcentra, de verkeerswegen en de nieuwbouwwijken die allemaal in dienst staan van een droom. Een droom van het maakbare Nederland, dat eerst een stuk IJselmeer heeft ingepolderd en zich nu in rap tempo aan de wederopbouw zet. Ondertussen verandert de agrarische in een moderne samenleving, en verliest de kerk greep op de gemeenschap.

Modern, het is een vlag die een wisselende lading dekt op de expositie. Het is de witgeschorte huishoudster die met een kinderwagen een grasveld in het modeldorp Nagele in de Noordoostpolder opwandelt. Het is de familie die in datzelfde dorp het onverwoestbare eiken van een vooroorlogse vrachtwagen laadt en daarmee de hypermoderne doorzonwoning inricht (stem van de commentator: zij zullen zich nog wel aanpassen, of iets van die strekking).

Het is de arbeider op een scooter die een Purfina-benzinestation passeert. Of de inwoners van Dronten die op gezag van de architect, F. van Klingeren, gezellig moeten volleyballen, koffiedrinken en kletsen onder dat ene dak van de multifunctionele Meerpaal omdat dat gemeenschapsgevoel rond de Mediterrannee de architect zo heeft getroffen. Van de Griekse agora naar de Drontse Meerpaal, er zouden wel meer van dergelijke werelden worden overbrugd in die naoorlogse decennia.

Het was de samensteller van de expositie, Hans Ibelings (tevens auteur van het bijbehorende boek), opgevallen dat de architectuur uit die tijd anders dan mode, muziek en meubels nog geen revival heeft doorgemaakt. Hij heeft gelijk. Sla de laatste Bijenkorf-brochure die deze week werd verspreid er op na en zie hoe het Italië van De Sica en van Antonioni wordt verheerlijkt, compleet met Sophia Loren- en Anna Magnani-evenbeelden. We zwijmelen al jaren weg bij dergelijke filmretrospectieven, de Amerikaanse fifties blijven op reclamegebied een onuitputtelijke bron. Maar de architectuur deelt niet mee in de nostalgie.

Ibelings vindt dat merkwaardig. De bouwkunst is immers net zo doortrokken van het enthousiasme voor het nieuwe. Dynamisch was de bouwproduktie in die jaren zeker - kunst, als de woningnood moest worden bestreden - maar nieuw? Het is maar de vraag. Daarin verschilt de architectuur wezenlijk van de industriële produkten. De stofzuiger, de koelkast, de wasautomaat, de televisie, ze werden pas gemeengoed na de oorlog.

Waarschijnlijk spraken ze zo tot de verbeelding omdat ze daadwerkelijk het gevoel van welvaart gaven, zeker voor mensen die na de crisis in de jaren dertig en de oorlog elke luxe hadden ontbeerd. De nieuwe auto was daarom zo'n fel begeerd object, veel meer dan de woning die eerder paste in het rijtje 'eerste levensbehoeften'. De auto, die stond gelijk met vrijetijd en vrijheid, artikelen die in de jaren daarvoor ook schaars waren geweest. De zwarte Daf en de viskrukjes staan dan ook volkomen op hun plaats aan de rand van de expositie.

De moderne architectuur was gewoon niet modern in de jaren vijftig en zestig, ze was tijdelijk opgehouden door het oorlogsgeweld. De Nederlandse architecten gingen door waarmee ze al bezig waren; het modernisme dat was ingeluid door Rietveld, Oud en Dudok kreeg hooguit een iets minder streng en dogmatisch aanzien. Er wordt daarom wel gesproken van een 'modern eclecticisme'. Dat kon 'de strengeren in de leer' minder bekoren.

J.J.P. Oud schreef in 1957: 'In plaats van het ornament van vroeger, grijpt men nu naar de decorerende constructie: naar de pilotis, naar de luifels, naar de screens, naar de breuksteen, naar de kleine huppelende raampjes, naar de zich als confetti spreidende kleurtjes, naar de lange horizontale sleufjes en de slijmachtige opbouwsels. Motieven die in eerste aanleg redelijke zin hebben, maar die niet bedoeld zijn om over de toonbank verkocht te worden.'

De hang naar decoratie spreekt uit de meeste foto's en tekeningen die op de expositie hangen. De fotografen richten hun aandacht op de allerdunste spijlen in de balustrades, op het effect van een wenteltrap of op een baksteenreliëf. De strijd tussen funtionalisten (onder wie Oud) en traditionalisten (de aanhangers van de Delftse School) was gestreden: de Nederlandse architectuur pakte in harmonie de wederopbouw aan.

Het paradoxale is dat in zo'n klein en vol land dat zijn burgers aanmoedigde te emigreren, de architecten en stedebouwers ongegeneerd de ruimte nemen. Van den Broek en Bakema presenteerden in 1956 een stedebouwukundig plan voor Kennemerland voor negenhonderd woningen waaraan geen einde lijkt te komen. Niet alleen de sky is the limit, maar ook nog eens de horizon. Het lijkt erop alsof de verwerving van de polders in het IJsselmeer ook het 'oude land' meesleept in een hemelbestormende bebouwing. 'De moderne mens wil voelen dat hij ruimte heeft. Hij wil ruimte niet aftasten, maar hij wil de indruk van ruimte ondergaan', schrijft Oud in 1961.

De expositie volgt de ritmiek van de tijd, suggereert met zijn doorkijkjes de effecten in een doorzonwoning en met zijn panelen de ordening van de hoogbouw. Louis van Gasterens film over de wording van Nagele draait in een aparte filmcabine, net zoals Horneckers film over Moderne Architectuur. Nagele geldt zo ongeveer als hèt symbool van de naoorlogse moderne stedebouw, gemodelleerd naar de Amerikaanse campus met een grasvlakte in het hart.

De stedebouwkundige C. van Eesteren zag dit open veld als een informeel ontmoetingspunt, 'waar je kunt rondkuieren, met je handen in je zakken, en kunt doen wat je wilt'. In dat dorp waar de huisvrouwen hun landarbeidende mannen nog uitzwaaien, bouwt Rietveld rijtjeshuizen en Van den Broek & Bakema de kerk, met een losse toren zoals gebruikelijk wordt in de kerkebouw. Kan het symbolischer in de ontkerkelijkende samenleving?

Na vijftien jaar is de grasvlakte van Nagele gevuld, omdat het begrip ruimte is gedevalueerd. Ruimte, ruimtelijkheid: ze worden synoniem met ongrijpbaarheid en de gemeenschapszin die van de nieuwe mens wordt verwacht, is een illusie gebleken. Ook de Meerpaal in Dronten, in 1967 gebouwd, zal aan dat niet uitgekomen ideaal ten onder gaan, zeer tot ongenoegen van de architect die strijdt tegen de mishandeling van zijn schepping.

De nieuwe mens, hij staat op de voorgrond van menige tekening. Daarachter, in een eindeloos perspectief, een schouwburg (Tilburg, Nijmegen, vul maar in), een winkelcentrum (Lijnbaan, Arnhem-Presikhaaf) of een stadhuis (Leerdam, Laren). De nieuwe mens op pleinen ter grootte van een voetbalveld en met silhouetten van bomen als indicatie dat er ook nog zoiets als natuur in het moderne land bestaat. Van die moderne architectuur zijn de ergste uitwassen al weer gesloopt, het stadhuis van Vegter in Groningen en het Maupoleum van Zanstra in Amsterdam.

De woonwijken van toen slepen zich voort in een betrekkelijke anonimiteit, niet gehaat, niet bemind. Logisch, dat de nostalgie naar de bouwkunst uit die jaren maar niet tot leven wil komen. We zitten er midden in.

Jaap Huisman

Meer over