In de spreekkamer

'WAT DENKT U, dokter', vroeg ik aan mijn huisarts, 'is het een dipje of heb ik D?'..

'Ssstt', legde hij geschrokken een vinger op zijn lippen, en hij fluisterde: 'Je hebt toch zeker gelezen hoe het zit? Je kunt in Nederland beter zeggen dat je aids hebt dan een depressie.'

Dat had ik inderdaad vernomen uit de mond van iemand die zich 'campagneleider' noemt van de Dag voor de Geestelijke Gezondheid - de 1 mei van Freud als het ware, de Allerzielen van de psychotherapie, de hemelvaart van de Riagg.

Honderden artsen, sporters, schrijvers en politici had hij aangeschreven met het verzoek om in een grote advertentie uit te komen voor hun kwaal, maar niemand durfde. Bekende Nederlanders die normaal gesproken liefst elke dag voor alles willen uitkomen - ik hou van het milieu, ik hou van heroïne, ik hou van Bolkestein, ik hou van De Hunkering, ik hou van god, ik hou van Marco Borsato - wisten niet hoe gauw ze de brief van de campagneleider moesten verbranden. De goeiige Dennis Bergkamp schijnt zich verraden te hebben door terug te schrijven: 'Arsenal kan leven met mijn vliegangst. Maar als ik dit beken teken ik mijn doodvonnis.'

Je voelt je melaats als je het hebt, en het is misschien nog wel erger, en in ieder geval wijder verspreid (350 miljoen slachtoffers heeft de campagneleider al geteld!) dan op een landmijn trappen, dus je kunt de Nobelprijs winnen als je een remedie ontwikkelt, maar Diana is intussen ook al weer overleden.

'Heeft u er niks voor?', vroeg ik de dokter.

'Kijk je naar de Teleac-cursus Ik zie het weer zitten?', deed hij alsof hij een recept aanreikte.

Hij legde uit wat ze je daar in adviseren. Je kunt je neerslachtigheid bijvoorbeeld verdrijven door heel precies en feitelijk op te schrijven waar ze vandaan komt, dus, om wat te noemen: 'Nadat mijn vrouw me eerst had uitgescholden en vervolgens had afgeranseld, voelde ik me tamelijk down.' Dat helpt. Een vast tijdstip van de dag reserveren om te piekeren en te tobben, dat helpt ook. Dus niet meteen nadat je bent uitgescholden en afgerandseld in somberheid vervallen, maar wachten tot, pakweg, kwart voor zeven (dan is er toch niks op televisie), en dan een kwartiertje.

'Probeer ik al', zei ik. 'Somberen bij een glaasje wijn.'

'Geen alcohol', riep hij. 'Alcohol en drugs kunnen tot langdurige depressiviteit leiden, evenals incest en het verlies van een familielid. Erfelijkheid kan trouwens ook een rol spelen. Zit het in de familie?'

'Vlak voor zijn dood heb ik het aan mijn grootvader gevraagd', zei ik. 'Die wist eerst niet wat ik bedoelde. Toen ik de ziekte had omschreven, zei hij: O, ja, dat ken ik. Je was wel eens ten einde raad, je sloeg de boel wel eens kort en klein, je knoopte jezelf wel eens op, maar ja, dan moest je weer naar je werk. Je had eigenlijk geen tijd voor die dingen.'

'Typisch ouwemensenpraat', knikte mijn huisarts. 'Daar kopen we weinig voor in de moderne gezondheidszorg. Heb je de zelftest al gedaan?'

Had ik.

'Daar werd ik heel treurig van', moest ik opbiechten. 'Daar moest ik invullen of ik me de laatste twee weken voor het merendeel van de dag waardeloos, slecht, schuldig of zondig heb gevoeld, maar dat voel ik me allemaal al sinds m'n geboorte, of laat ik zeggen: sinds ik kennis had genomen van Genesis 3.'

'En de lotgenoten-telefoonlijn?', vroeg de dokter.

'Durf ik niet', zei ik, 'want dan weet hij 't ook.'

Zo werden we samen steeds gedeprimeerder.

Misschien, bedachten we ten slotte, zou elk van de 350 miljoen patiënten het lef moeten hebben om een conservenblikje aan z'n enkel te binden. Dan horen we mekaar tenminste.

Meer over