In de rij

In de stad staat een lange rij mensen. De rij slingert zich over bruggen, door smalle steegjes en brede winkelstraten....

De lengte van de rij doet denken aan de ongelofelijke maar droevige geschiedenis van de onschuldige Erendira en haar harteloze grootmoeder. In een haveloze tent, gemaakt van wat stokken en een doek, ligt de onschuldige Erendira op haar rug en met haar benen wijd. Zij moet geld verdienen om haar schulden af te betalen aan de harteloze grootmoeder. Voor de tent staat de langste rij mannen die je ooit gezien hebt, want Erendira is een goedkope. De zwijgende mannen komen een voor een aan de beurt. De rij slingert zich over bergtoppen, door dalen, door grote steden en dorpen, helemaal tot voorbij de horizon. Terwijl het vooraan alweer ochtend begint te geworden, moet achteraan de avond nog vallen.

Ik moet helemaal terug naar de lagere school om mijzelf terug te vinden in een rij. Wij moesten in de rij van het klaslokaal naar het gymnastieklokaal lopen, het liefst hand in hand, en zingend van: kom mee naar buiten allemaal, dan zoeken wij de wielewaal, een zogenaamd vrolijk liedje, dat ons vanwege de verraderlijke vooroorlogse opgewektheid van de melodie diep ongelukkig maakte van binnen. Het klonk als propagandamuziek uit de verloren gegane wereld van onze grootouders, een stijve en grauwe wereld waar niemand ooit nog naar terug wilde, maar die desondanks het roepen niet wilde staken, in de hoop toch nog een verloren of afgedwaalde ziel te strikken.

Maar er waren ook leerlingen, die pas tot leven kwamen als zij in de rij mochten staan en het akelige lied van de wielewaal zongen, heel vreemd, net alsof zij daardoor, hoe zal ik het zeggen, van iets verlost werden dat hun in het dagelijks leven als een molensteen om de nek hing. En natuurlijk zong de onderwijzer het nachtmerrie-achtige lied uit volle borst. Zo marcheerden wij mistroostig over het schoolplein richting het gymnastieklokaal.

Maar in deze rij waar ik nu in sta: niets van dat al. Voorin wordt verbeten gevochten om elke centimeter. Men beschuldigt elkaar van voorkruipen en dringen. 'Hé jij, voorkruiper die je bent, een plaatsje naar achteren alsjeblieft, daar stond ik.' De hoffelijkheid is ver te zoeken. In het midden van de rij wordt levendig gediscussieerd over allerlei zaken van levensbeschouwelijke aard. De een heeft het over niemand minder dan de Habsburgse kroonprins Rudolf, de theoreticus van het geduld, de ander kan zijn mond niet houden over Quintus Fabius Maximus de Vertrager, die zijn vijanden versloeg door veldslagen eindeloos uit te stellen, weer een ander raakt niet uitgepraat over Yves Tinguely, de bespotter van snelheid en nuttigheid.

Kortom, een hele filosofie van de traagheid en de nutteloosheid is daar tijdens het wachten aan het groeien, terwijl achter in de rij de hoffelijkheid hoogtij viert. 'Gaat u toch voor, mevrouw, ik heb de tijd, wat maakt het nou toch uit of u een plaatsje voor mij staat, of ik voor u?' Waarmee maar weer eens is aangetoond dat men des te hoffelijker is, naarmate men verder van zijn doel verwijderd is.

Eindelijk, na vele uren, kom ik aan bij het doel van deze langzame reis. Het is A. F. Th. van der Heyden. Hij zit daar terwille van de kopers handtekeningen te schrijven in zijn twee dikke romans. Wat een succes heeft hij!

Peter Bekkers

Meer over