In de jeugdzorg is de bureaucratie geëxplodeerd

Rouvoets Centra voor Jeugd en Gezin ‘vergroten de problemen in de jeugdzorg’...

Van onze verslaggevers Aimée Kiene en Merijn Rengers

Amsterdam Als eind mei in het Golden Tulip-hotel in Loosdrecht de directeuren uit de jeugdzorg bij elkaar komen, is PvdA-Kamerlid Jeroen Dijsselbloem eregast.

Dijsselbloem maakte begin dit jaar met zijn parlementaire commissie gehakt van de vele vernieuwingen in het onderwijs. En, zo betoogt hij tijdens de bijeenkomst: de overeenkomsten met de jeugdzorg zijn groot. Ook in de hulp aan jongeren zijn onder politieke druk aan de lopende band nieuwe stelsels ingevoerd. Maar hadden de kinderen in de knel daar baat bij?

Dus mag Jan-Dirk Sprokkereef (directeur van Bureau Jeugdzorg Friesland) op vrijdagmiddag in Loosdrecht vragen afvuren op de architecten van de cruciale stelselwijziging van halverwege de jaren negentig: het Bureau Jeugdzorg. Onder hen: Adri van Montfoort (lector jeugdbeleid), Gerard Gruppen (oud-voorzitter van de werkgeversvereniging in de jeugdzorg) en Peter Lankhorst (GroenLinks-politicus, voorzitter van het landelijke cliëntenforum).

In 1994 zaten de eerste twee met onder andere Micha de Winter (hoogleraar pedagogiek) in de commissie ‘Plaatsmaken in de jeugdzorg’, onder leiding van staatssecretaris Ter Veld van Volksgezondheid. Zij moesten een manier bedenken om de ‘versnippering en verkokering’ in de jeugdzorg tegen te gaan.

De commissie-Ter Veld stelde voor om de schotten tussen de diverse vormen van hulp op te heffen. Er moest één toegangspoort komen. Een soort huisartsenpost, waar ouders een hulpverlener treffen die kleine problemen zelf aanpakt en grote problemen doorverwijst naar een specialist.

Veertien jaar geleden werden ze bedacht, de Bureaus Jeugdzorg. De publieke opinie over hun functioneren is niet bepaald positief. Ze kleunden mis bij een aantal breed uitgemeten incidenten met ontspoorde gezinnen (Savanna, Maasmeisje) en worden geassocieerd met lange wachtlijsten.

De directeuren van de jeugdzorginstellingen zijn tijdens de nagespeelde parlementaire enquête in Loosdrecht kritisch. Jan Dirk Sprokkereef: ‘We hebben teruggekeken naar de ontstaansgeschiedenis. Hadden we krachtiger op moeten staan tegen veranderingen die geen verbeteringen waren?’

Dat had inderdaad gemoeten, zegt Adri van Montfoort, een van de bedenkers. ‘Vanuit de politiek, vanuit het ministerie van Financiën, maar ook vanuit de Bureaus is er heel veel regelgeving ingeslopen. Het eindresultaat is dat er steeds meer gecontroleerd en geadministreerd wordt, terwijl de hulpverlening op de achtergrond is geraakt.’

Ook Micha de Winter is hard in zijn oordeel: de Bureaus Jeugdzorg zijn nooit geworden wat de commissie-Ter Veld ermee beoogde. ‘Ik weet nog dat ik op een warme dag in een vergaderzaaltje stond uit te leggen wat ik voor ogen had. Een soort voorportaal voor de rest van de hulpverlenende voorzieningen, een huisartsachtige formule. Hoe moet zoiets dan heten, vroegen ze me. Ach, noem het even Bureau Jeugdzorg, zei ik toen. Die naam is gebleven.’

Maar De Winter zag ‘zijn’ Bureau Jeugdzorg verworden tot een ‘gigantisch bouwwerk’. Alle instellingen werden er in verenigd, zegt hij: ‘Het JAC (Jongeren Advies Centrum), de reclassering, de jeugdbescherming, de bureaus voor gezinsvraagstukken. Het werd een enorme moloch, die niets te maken had met persoonlijk contact.’

Peter Lankhorst was via de politiek betrokken bij de oprichting van Bureau Jeugdzorg. ‘Er was weerstand uit het veld. Logisch, want er moesten drie culturen samengaan: de medische cultuur, die van justitie en van welzijn. Die zijn moeilijk op een lijn te brengen. Dat is zwaar onderschat.’

Bovendien mochten de medewerkers van Bureau Jeugdzorg niet meer zelf hulp verlenen. Vreemd, vindt Lankhorst. ‘Bij Bureau Jeugdzorg kwamen hulpverleners werken; en dat werd nou net niét de hoofdtaak van die organisatie. Daar waren weer andere mensen voor nodig. Het Bureau Jeugdzorg was bedacht om schotten weg te halen, maar er kwamen juist schotten bij.’

Jeugdzorgdirecteur Jan Dirk Sprokkereef is het daar niet mee eens. Hij vindt dat zijn Bureau Jeugdzorg best effectief is, juist omdat de medewerkers geen lichte zorg meer zelf uitvoeren. ‘Als je dat wel doet, vorm je een barrière. Je probeert een kind te helpen, en als dat niet lukt moet je hem opnieuw doorverwijzen. Dat moeten we niet willen. Wij zijn ervoor om ouders de weg te wijzen door het ondoorzichtige en versnipperde veld van hulpverleners.’

Maar vanuit een Bureau Jeugdzorg klinkt zelfkritiek: ‘Uit onderzoek blijkt dat een gezinsvoogd slechts zeven uur per week direct contact heeft met cliënten en dat hij ze gemiddeld eens per drie weken ziet. De overige tijd gaat op aan bureaucratische handelingen. Dat is het echte probleem in de jeugdzorg’, aldus een bestuurder.

Sprokkereef herkent dit beeld niet. Volgens hem zijn de Bureaus Jeugdzorg op de goede weg. ‘Ik spreek liever van een vertraagd succes, dan van een mislukking.’

Het is de vraag of dit vertraagde succes ooit zichtbaar zal worden. De discussie over de Bureaus Jeugdzorg is verdrongen door de plannen van minister Rouvoet om in elke gemeente een Centrum voor Jeugd en Gezin neer te zetten.

Micha de Winter en Adri van Montfoort hebben bij die plannen een déja vu. ‘Dit concept lijkt op de oorspronkelijke plannen voor Bureau Jeugdzorg, waarvan niets terecht is gekomen’, zegt De Winter. ‘We gaan de problemen oplossen door een extra instantie toe te voegen, waardoor de zaken voor ouders, kinderen en verwijzers nog onoverzichtelijker worden.

‘Ik vind snelle hulp in de wijk uitstekend maar dan moet er ook echt een deskundig en herkenbaar persoon gaan zitten, die werkelijk iets doet. De minister zou bovendien, nu hij met deze Centra bezig is, de rol van de Bureaus Jeugdzorg moeten herbekijken.’

Daar ziet de minister niets in, zegt een woordvoerder. ‘Dat kost tijd en geld en dat levert voor het kind niets op.’ Het ministerie ziet meer in ‘korte lijnen’ tussen de twee instanties.

Peter Lankhorst mist in de hele discussie de mening van diegenen waar het allemaal om gaat: de ouders en de kinderen die hulp nodig hebben. ‘Luister naar wat zij willen, voordat je nieuwe gebouwen gaat neerzetten. Of de jeugdzorg aanslaat zit niet in de methodiek of in de structuur, het gaat om de samenwerking tussen hulpverlener en cliënt. Het gaat erom dat die elkaar vertrouwen. Dat heeft niets met systemen te maken.’

Meer over