In de ban van de briljante bluffer Boeng Jan Blokker's toneelstuk over Soekarno ontleedt ook 'al dat Haagse geklungel'

'Dit kan alleen maar een echte tótòk geschreven hebben.' De grote biografie over Soekarno is er nog altijd niet, maar 'het gezicht van de nieuwe staat Indonesië' in Jan Blokker's toneelstuk Soekarno moet na vijftig jaar het Nederlandse beeld van deze 'Quisling en terrorist' corrigeren....

BEN HAVEMAN

MOET dat nou, een masturberende hoer op de sofa bij Soekarno?

En wezenlijker: kun je de Indonesische onafhankelijkheid laten proclameren door een president in onderbroek?

Bij de repetities van Het Nationale Toneel zit scenarioschrijver Jan Blokker niet geheel fronsvrij achter in de zaal. Zeker, die onderbroek heeft weliswaar te maken met een droom waaruit Soekarno zojuist is ontwaakt, maar tòch. Zijn sommige scènes niet een tikje aan de karikaturale kant?

'Ik heb niet eens gepoogd ze karikaturaal te schrijven. Want alles wat je in een of andere gestileerde vorm over het gedrag van Nederlandse gezaghebbers in Indië uit die tijd te berde brengt, is al potsierlijk genoeg, op het ongeloofwaardige af. Nederlanders als Drees en Beel stonden daar in hun verkeerde tropenpakken met hun bek vol tanden tegenover de Amerikaanse pers. Spraken geen woord Engels tegen journalisten die bij de charmeur Soekarno enorm gastvrij onthaald waren met lekker eten, dansen en mooie meiden.

'Je weet trouwens dat de zuinige Drees op bezoek in Indië het te krappe tropenpak van de veel dunnere Schermerhorn droeg, omdat ie dacht: dat land, daar kom ik toch nooit meer.'

Keep it cool, zei Blokker tegen regisseur Johan Doesburg. 'Het is allemaal al zó belachelijk, dat moet je niet nog eens extra aanzetten. Maar Johan zegt: dan werkt het niet meer theatraal. Ik denk dat hij daar voor een deel gelijk in heeft. Die onderbroek zal wel misschien weer verdwijnen. Daar moeten we het in elk geval nog eens even een pittig gesprek over hebben.'

Als jullie van Soekarno maar geen lesbische troela maken met veiligheidsspelden in d'r oren, had Blokker gezegd, toen Ger Thijs hem benaderde.

Dit is Blokker's eerste toneelscript, en uit z'n talrijke bronnen rijst volksheld Soekarno op als een soort Willem de Zwijger of George Washington van Indonesië; de vader van de onafhankelijkheid. Zijn naam werkt hier en daar ongetwijfeld nog als een rode lap op een stier bij mensen die hem het heulen met 'de Jap' niet konden vergeven. 'Al zitten er zo langzamerhand bij de nieuwe generaties toch wat nuances in.'

Ondanks de verguizing door Nederland, koesterde deze 'briljante charlatan met z'n enorme behoefte aan quasi-mystiek' een bijna grenzeloze bewondering en aan liefde grenzende eerbied voor de Nederlandse overheersers. 'Soekarno is nooit in Nederland geweest, maar wist uit zijn hoofd hoe je van Roodeschool naar Goes moest. Hij wist wanneer de koningin jarig was, en wanneer het Sinterklaas was. Hij was jaloers op zijn politieke medestanders Hatta en Sjahrir, die in Nederland hadden gestudeerd. Hij demonstreerde een soort verliefdheid op het instituut koningin, vergelijkbaar met wat de maagd Maria is voor Gerard Reve.'

Groot was Soekarno's frustratie, toen niet hij, maar Mohammad Hatta, Indonesië's eerste minister-president, in Amsterdam naast koningin Wilhelmina mocht zitten bij de souvereiniteitsoverdracht in december 1949. De Nederlandse samenleving verklaarde Soekarno persona non grata. ' Het eenzijdige beeld dat men van hem had was dat van een boef, een Quisling, een Jappenheuler, een terrorist.' Blokker's toneelstuk toont zeven cruciale jaren (1942-'49) uit het leven van de man die z'n land naar onafhankelijkheid voerde. En die zijn finest hour niet aan de zijde van H.M. mocht beleven.

Die onmiskenbare moederbinding met Nederland bleek allerminst doorgesneden door veertien jaar gevangenschap en verbanning, al kort na zijn studietijd. De revolutionaire ingenieur uit Bandung achter het nationalistische vrijheidsideaal Indonesia Merdeka verwelkomde de Japanse bezetters niettemin als bevrijders. 'Hij dacht zijn grote doel van onafhankelijkheid te bereiken door zich met de Jappen te encanailleren. Maar als 't aan een nette man als Sjahrir had gelegen, werd er niet met de smerige rotjappen samengewerkt.'

Letterlijk en figuurlijk was Soekarno de antipode van de Nederlandse staatsman: charmant, op het kinderlijke af. Zelfingenomen, opportunistisch en charismatisch. Een man wiens verdienste het was om het dekolonisatieproces en het verzet tegen de Nederlandse overheerser niet met haatdragend fanatisme en 'extreem bloedvergieten zoals in Algerije, Congo en Vietnam' gepaard te laten gaan, zo houdt Blokker zijn gehoor in de Den Haag voor - tussen de repetities door.

'De tragiek van deze leidersfiguur is dat hij een aantal scheve schaatsen heeft gereden en is geëindigd als rancuneuze dictator die z'n land econo-misch naar O. L. Heer heeft geholpen'.

En dan die 'aaneenschakeling van opschepperij, jokkebrokkerij en ijdeltuiterij' die de leider Cindy Adams, aantrekkelijke journaliste uit Amerika, op de mouw mocht spelden. 'Het fascinerende van haar boek, dat voor 90 procent uit leugens bestaat, is dat Soekarno's leugens nog een soort waarheidsgehalte hebben. Of hij echt zo'n onverzadigbare Don Juan was, waag ik ontzettend te betwijfelen. Het zou mij zelfs niet verbazen als de womanizer Soekarno latent-homo-erotische trekjes vertoonde. Dat verklaart misschien de waanzinnige liefde van onze eigen Willem Oltmans voor hem.'

Dat een blanke Soekarno, in de gedaante van Victor Löw op het toneel volgens sommigen ietwat feminien uitpakt, stoort Blokker dan ook allerminst. Als het maar niet troppo dreigt te worden. En even zo belangrijk: als het kritische publiek van Indisch-Nederlandse afkomst maar niet wordt afgeleid door verkeerde klemtonen.

IN DE BAN van Boeng. Thuis in Amsterdam zegt Jan Blokker (1927) dat hij in die bewuste periode na de oorlog wel andere dingen aan z'n kop had. 'De oorlog viel samen met mijn puberteit. Ik liep achter de meiden aan. Het ging grofweg om eten, neuken, roken en heel vaak naar de bioscoop gaan. Ik had wat in te halen. Wel weet ik, dat ik ontzettend voor Soekarno was. Dat was mode voor een linkse student.'

Uitgeraasd, en op het hoogtepunt van zijn nooit voltooide studie geschiedenis en Nederlandse letteren, gaf Blokker bijles aan kinderen uit Indië. Die drie, vier jaar in een Jappenkamp hadden gezeten. Zo ontmoette hij Anneke, met wie hij trouwde. Ze was zeventien. 'Anneke had na de oorlog in Surabaja gewoond. Kind van on-Nederlandse ouders die al lang in Indië woonden en voor wie het een klap was om hun alles kwijt te raken. Mijn schoonvader was technisch opzichter van een suikerplantage op Oost-Java. Afgezien van het feit dat ik hun kind had verleid, hebben de controverses over Indië zich meer afgespeeld tussen Anneke en mij. Die hebben voor een deel te maken met de rare competitie die in Nederland altijd heeft bestaan ten opzichte van mensen uit Indië, zo van: wij hebben hier de Hongerwinter gehad, jullie hebben niks meegemaakt.

'Anneke was acht toen ze met haar moeder het Jappenkamp inging. Toen onze kinderen in de jaren des onderscheids kwamen, kwam er een stroom van boeken los. Meestal heel snotterige boeken, door Rudy Kousbroek met een hakmes in de pan gehakt. Een van die boeken, niet een van de slechtste, ging over het kamp in Semarang, waar Anneke zat. Ze is daar echt totaal van de wereld van geweest. Onze kinderen zijn dat ook gaan lezen. Maar er was met mama niet over te praten. Die herinneringen kun je niet delen. Het heeft iets arrogants bijna.

'Zonder vroomheid, maar nog niet eens met een vreselijk schuldgevoel, stel ik nu vast dat ik alle sentimenten, gevoelens en herinneringen die Anneke van dat land meebracht, heb genegeerd of geridiculiseerd. Van: sodemieter toch op, wat hebben jullie nou helemaal aan dat apeland. Jouw vader is toch rijk geworden over de ruggen van de inlanders? Was het maar wáár geweest, denk ik achteraf wel eens.

'Een van mijn fascinaties voor dat land heeft schandelijk genoeg niet eens te maken met het gegeven dat het zo'n aardig land is met zulke aardige mensen, maar dat er eeuwenlang Nederlanders hebben gezeten. En dat de herinneringen van Indische Nederlanders van een hele andere orde zijn dan jouw en mijn herinneringen aan onze jeugd. Ongelooflijk scherp en onuitwisbaar. Vorig jaar, toen Hella Haasse kwam praten over het filmscenario dat ik misschien ga maken van haar boek Heren van de thee, hoorde ik na een kwartier bij Anneke de rol-r terugkomen. Binnen een kwartier praatten Anneke en Hella Maleis.

'Toen we in '85 samen voor het eerst naar Indonesië gingen, heeft Anneke die reis door een soort matglas ervaren, niet goed durven kijken. Dat hebben we later wel ingehaald. In de loop van mijn huwelijk heb ik tweehonderd woorden Maleis opgedaan die Anneke in het dagelijks leven gebruikt. We eten ketimoen en geen komkommer. Anneke zegt: haal jij even de bekakas, een hamer. Geneesmidelen zijn geen medicijn maar obat. Dat soort woorden is bij tientallen deel van mijn vocabularium geworden.

'Na drie dagen in Jakarta sprak Anneke weer vloeiend Pasar-Maleis. Ze was er 35 jaar niet meer geweest. Dat vind ik waanzinnig fascinerend. Dat is iets wat Nederlanders met dat land hebben gehad, en verder hebben ze er naar mijn smaak te weinig mee gehad, maar dat dit zo ontzettend diep ingrijpt en door merg en been en door ziel en zaligheid, dat 't ook nooit meer ophoudt. En iemand als Hella Haasse, nu 76, was er nota bene vóór de oorlog.

'Op het punt van Soekarno is mijn verhouding met Anneke altijd polemisch gebleven. Diep in haar hart vindt ze hem misschien niet een ècht grote boef, maar verwijt ze hem toch dat Indië verraden is. Meer van: die vuile Engelsen die Nederlandse soldaten heel lang tegenhielden en onder een hoedje speelden met Soekarno. Oud-Indischgasten geven Engelsen altijd de schuld. Dat hele complex van: we hebben er toch goede dingen gedaan, de baboe huilde toen we weggingen, je kent al die clichés. Maar die zijn ook allemaal waar. Dat is het rare.'

In zijn toneelstuk zet Blokker, via de toenmalige gouverneur-generaal Van Mook, het Haagse politiek geklungel te kijk. Verontwaardigde reacties van de koempoelan, zoals hij 'Indisch Den Haag' noemt, zullen dan vermoedelijk niet uitblijven. 'Alles wat ik over Indonesië schrijf wordt bij voorbaat gewantrouwd door hun blad Moesson. '

Negentien delen Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen van dr S. van der Wal waren Blokker's leidraad. 'Met rode oortjes gelezen, ja. Ik laat Van Mook zeggen dat Soekarno zo'n handige manier heeft om Amerikaanse journalisten in te palmen. Dat hij met ze tennist. Dat heb ik verzonnen. Dan is er een soort verbijsterde reactie van Drees of Beel: tennissen met journalisten, dat is toch 't smerigste wat er is?

'Maar Van Mook schreef wel degelijk brieven aan het kabinet waarin stond dat Amerikaanse journalisten werden uitgenodigd om te komen zwemmen in Batavia, meiden d'r bij. Leuke, gezellig man die Boeng Karno! Dus vraagt het kabinet aan de Nederlandse gezant in Washington om knipsels te verzamelen. En ze schrikken zich dood in Den Haag als per diplomatieke post een stuk uit de Chicago Tribune bevat waarin staat dat Soekarno zo'n fantastische man is die het waard is om door Amerika gesteund te worden.

'In het kabinet viel toen een diepe stilte. Had prins Bernhard niet ontzettend goede contacten met de anglo-Amerikaanse pers. Nou, Schermerhorn zou wel naar Benno bellen: Hoogheid, kunt u niet eens met president Truman praten om ervoor te zorgen dat de Amerikaanse pers...? Het is niet te geloven, als je die gedachtengang leest.' Dit soort naïveteit, het idee om kranten in te pakken, gaf Jan Blokker gestalte in de wanhoopskreet uit de mond van Beel: moeten wij dan soms ook tennissen met journalisten?

Vandaar dat Blokker bij regisseur Doesburg aandringt om de toch al karikaturale werkelijkheid niet aan te scherpen met de karikatuur van Soekarno in onderbroek. 'Voor Anneke is zoiets veel meer een halszaak, want decorum is voor een Indonesiër zo ontzettend belangrijk.' Nee, voor een fatwa uit Jakarta is Blokker niet zo bang. Zo lang Soeharto aan het bewind is, kun je daar trouwens maar beter je mond houden over Soekarno. 'Maar er komen veel Annekes naar de voorstelling kijken, en Anneke is nog heilig vergeleken met het gemiddelde Moesson-publiek .'

Blokker's Soekarno is wel degelijk een 'soortement rehabilitatie van een verrader', de geestige bon-vivant die met zijn onmiskenbare charisma het gezicht was van het nieuwe Indonesië. 'Het is daarom zo raadselachtig dat er nog steeds geen behoorlijke biografie over hem is verschenen.'

SOEKARNO gaat nog geen half jaar na Esmée in première, de opera waarvoor Blokker het libretto schreef. Geen succes, wat hij deels wijt aan de Duitse regisseur die decor en orkest zo'n prominente plaats toebedacht, dat er van intieme scènes niks overbleef. 'Maar Blokker is te oud om daar nog katterig van te worden. Of het nou opera, film of toneel is: je raakt gecommitteerd aan wat anderen met je spullen doen.'

Zo ontbrak in de film De Hoogste Tijd (naar het boek van Mulisch) een close up van het horloge, dat zo'n cruciale rol in het verhaal speelt. Blokker was verbijsterd. Ook het hondje van de oude acteur Ulli, basic voor het verhaal, zat er niet in. Regisseur Frans Weisz stuurde de videoband met de ruwe montage naar het Griekse vakantieadres van scenarioschrijver Blokker, met de mededeling: loop naar je balkon en gooi de band maar in de zee.

'Ik was tamelijk wanhopig toen ik het materiaal zag. Maar ik heb geweldige bewondering voor Frans, die tussen dat wanhoopsmoment en de première er nog in geslaagd is om 7300 dingen aardig voor mekaar te krijgen; film is trukeren en de zaak besodemieteren. Ik had ook ook kunnen zeggen: ik deel u mede dat ik mijn naam niet aan deze film verbonden wil zien. Maar daarvoor is Frans mij te dierbaar.'

Blokker's eigen zwaktes 'liggen op het punt van bla-bla zal ik maar zeggen. Daar ben ik trots op, al zijn die dingen toch nodig, zeker bij film. Ik ben veel te nuchter voor impressionismó dat film zo lekker en geil maakt.' Zijn beste film noemt hij De Partizanen ('terwijl ik het aan het schrijven was had ik het gevoel: hier klopt alles').

Het toneelstuk Soekarno moet nog in première, Blokker zit met z'n kop al bij het jaar 2010. In dàt jaar spelen de politieke CDA-intriges waarin de VPRO-tv-kijker straks moeiteloos de karakters van Lubbers en Brinkman zal ontwaren. Blokker kreeg het idee nadat hij door een Fries hotel had gewandeld, waar hem 'pas na de zeventiende keer van die nondescripte, zogenaamde schilderijen' in de gang opvielen. 'En ja hoor: Janneke Brinkman! Ik heb Frans Weisz gebeld. Die sprong ongeveer tegen het plafond van vreugde.'

Eérst Soekarno.

In de Koninklijke Schouwburg te Den Haag roept de president: 'Wat Nederlanders over Indonesië gedacht hebben, is altijd verkeerd geweest. Altijd.'

Journaliste: 'En omgekeerd?'

Soekarno: 'Hoe omgekeerd?'

Journaliste: 'Wat denkt u van al die Nederlanders die in 1945 uit de Japanse kampen kwamen en die ineens hoorden dat er een Republik Indonesia was uitgeroepen? Kunt u zich voorstellen hoe ze zich voelden? Kunt u hun ongeloof, hun schrik en woede begrijpen?'

Soekarno: 'Begrip is een luxe van de macht.'

Scenarioschrijver Jan Blokker thuis tegen zijn vrouw Anneke: 'Over dàt zinnetje kun je vannacht misschien nadenken, mevrouw Blokker; na drie eeuwen Nederlandse onderdrukking.'

Gedecideerd zet Anneke haar kopje neer. Zegt: 'Weet je hoe wij in Indië daarop reageren? Je lâh je kripoet! Want dit kan alleen maar een echte totok, zo'n kaaskop als jij geschreven hebben.'

Festival Indië/Indonesië. De Koninklijke Schouwburg, Den Haag: Soekarno. Première 30 november.

Meer over