In de ban van Brian Eno

Dezer dagen met zeer veel plezier de biografie van Brian Eno gelezen, geschreven door de Britse journalist David Sheppard. On Some Faraway Beach, The Life and Times of Brian Eno is een voortreffelijk boek niet alleen voor hen die hem al sinds zijn prille jaren bij Roxy Music gevolgd hebben (hij werd na twee albums in 1973 uit de band gezet) maar voor iedereen die interesse heeft in de popgeschiedenis van de laatste 35 jaar. Hoewel, dat is niet helemaal waar. Sheppard is vooral ijzersterk in de popgcultuur, en dan vooral de kunstzinnige uithoeken ervan, tussen pakweg 1972 en 1985.

Brian Eno zou in die jaren vooral furore maken als producer van David Bowie, Talking Heads en U2, maar ik geloof dat nooit zo inzichtelijk is gemaakt over hoe Eno met hen te werk ging, en ook hoe hij aan zijn eigen oeuvre bleef bouwen, als in dit kloeke boekwerk.

Het lijkt alsof Eno in die jaren bij alle belangrijke vernieuwingen in de popmuziek niet alleen betrokken was maar ze ook nog eens zelf in gang had gezet. Hij heeft natuurlijk altijd wel die credits gekregen anders waren Bowie, Talking Heads en U2 nooit bij hem uitgekomen op zoek naar een producer. Maar dat hij zo'n stempel op vooral de postpunk-tijd (de jaren 1978-1984, het tijdvak dat nog altijd ook mijn grootste interesse heeft) drukte, viel nu wel heel erg op.

Zo dacht ik altijd dat David Bowie zijn oude maatje Iggy Pop in 1976 uit de puree wilde helpen door samen met hem in Berlijn aan The Idiot te gaan werken. Nu blijkt dat Bowie zelf er door zijn cocainegebruik en ondervoeding minstens zo slecht aan toe was, en dat uiteindelijk Brian Eno redding bracht. Sheppard staat terecht lang stil bij de Berlijnse periode van Eno/Bowie/Iggy Pop, want hun platen waren buitengewoon invloedrijk.

Wat ik niet eerder zo besefte is dat Eno voor die tijd al veel met Duitse muzikanten uit de Can/Neu! hoek had samengewerkt en hij zich altijd een groot liefhebber van hun instrumentale textures had getoond. De krautrock/Kraftwerk invloeden die Eno aan Bowie doorgaf (op Low, 'Heroes' en Lodger) had hij zelf ook weer van anderen doorgekregen.

Ook heel duidelijk maakt Sheppard hoe sterk Eno beinvloed was door Holger Czukay als het op samplen en integreren van tape-opnamen in muziek aankwam. Bij verschijning van de plaat My Life In The Bush Of Ghosts, het album dat Eno samen met Talking Heads zanger David Byrne opnam in 1979-1980 en dat in 1981 verscheen, werd deze wonderlijke collage-kunst allom bejubeld als uniek. In Nederland kan ik me journalist Alfred Bos nog herinneren die (zoals nu weer blijkt) terecht vaststelde dat het hele concept al een paar jaar eerder door Czukay bedacht was.

Dat maakt die plaat van Eno en Byrne natuurlijk niet minder mooi. Sterker: ik vind 'm nog altijd geweldig terwijl ik naar de platen van Czukay zelden teruggrijp. Maar lezing van de biografie maakte wel duidelijk dat Eno niet zozeer een groot vernieuwer was, als meer iemand die vernieuwingen wist te vertalen naar bruikbare concepten en ideeen.

Die werden vaak als revolutionair en vooral te arty gezien. Seymour Stein, ontdekker van Talking Heads vond 1 plaat Eno achter de knoppen wel genoeg, niet wetende dat het beste werk nog moest komen, en ook Island baas Chris Blackwell zag zijn melkkoe U2 liever met iemand anders de studio ingaan.
En als je nu moet uitleggen wat Eno's bijdrage precies was of hoe je die kon horen, dan is dat altijd lastig. Daar waag Sheppard zich ook niet al te veel aan/

In elk geval bleek Phil Collins midden jaren zeventig zo van Eno's manier van werken onder de indruk dat hij er door gestimuleerd werd zelf solo te gaan. Hoe blij we met deze beslissing moeten zijn is een tweede maar ook Eno's bemoeienissen met Genesis (ten tijde van The Lamb Lies Down On Broadway) waren nieuw voor mij).

Al viel het me wel al eerder op dat Collins op bijvoorbeeld drumde op Eno's soloplaat Another Green World uit datzelfde jaar 1975. Die soloplaten ben ik nu weer volop aan het draaien, en ze blijken veel spannender dan ik altijd dacht. Vooral die Another Green World biedt aan de oren van 2008 een mooie afwisseling tussen ambient, krautrock, pop en exotica. Maar ook die platen die ervoor zaten vond ik bij vlagen zeer spannend, mede door de medewerking van een door mij ook wat verontachtzaamde Rober Fripp.

Zijn gitaren en die van Phil Manzanera klinken vaak gemeen, de repeterende tonen en hypnotische monotonie zijn weliswaar geleend van Velvet Underground, maar door de bewerkingen en tape delay klinkt het soms als later Talking Heads en nog later My Bloody Valentine.

Ook Eno's stem scheen me ineens beter en vooral warmer toe dan ik dacht. En dan heb ik het nog niet eens over zijn ambient-platen gehad. Al zijn baanbrekende solo-platen werden in 1983 verzameld in een peperdure box, met daarin als extra een ep met vier zelfdzame nummers en een bonus-album Music For Airports 2. Die doos kostte mij als 20-jarige student een rib uit het lijf ook al kocht ik hem tegen inkoopprijs. Hij is jarenlang niet opengeweest, maar nu geniet ik meer dan voorheen van deze soloplaten van Brian Eno. Achteraf zijn het juist de bejubelde ambient platen waar ik het minst mee kan (uitgezonderd het ook nooit door Aphex Twin benaderde vierde ambient album On Land, uit 1982. Maar die had ik dan ook al op cd aangeschaft.

Lees die biografie, en ieder zal andere platen hebbe om naar terug te grijpen. Vandaag vind ik in elk geval Another Green World de beste plaat aller tijden. Met dank aan Phil Collins. Maar vooral met dank aan David Sheppard.

Meer over