Reportagearmoedebestrijding China

In China is armoede verleden tijd, zegt de Communistische Partij

Het Chinese bergdorpje Atulie’er, gelegen op een rotswand, is alleen per ladder bereikbaar. In 2017 werd de rafelige touwladder vervangen door een stalen exemplaar.   Beeld Hu Longchuan/AP
Het Chinese bergdorpje Atulie’er, gelegen op een rotswand, is alleen per ladder bereikbaar. In 2017 werd de rafelige touwladder vervangen door een stalen exemplaar.Beeld Hu Longchuan/AP

De afgelopen jaren heeft China miljoenen plattelandsbewoners hervestigd in steden. Daarmee is de ‘gerichte armoedebestrijding’ ­volgens de overheid voltooid. Maar de praktijk is weerbarstiger, constateert China-correspondent Leen Vervaeke.

Met een brede glimlach geeft Aniu een rondleiding door zijn nieuwe appartement. Het ziet er wat schamel uit – er ligt geen vloerbedekking en er staan amper meubels – maar dat lijkt hem niet te deren. Aniu ziet vooral de troeven: een doorspoeltoilet, een warmwaterboiler, een elektrisch fornuis en een grote tv. ‘Allemaal van de overheid gekregen’, zegt hij, wijzend naar het logo van het provinciale partijcomité op de ijzeren kasten en stoelen. ‘Allemaal voor ons.’

Aniu – 38 jaar, getrouwd en vader van vier kinderen – had nooit durven dromen dat hij in een appartement zou wonen, voorzien van zo veel modern comfort. Hij groeide op in Atulie’er, een achtergebleven bergdorp in Liangshan, een van de armste regio’s van China. Daar woonde hij in een huis van leem, kookte hij op een houtvuur en deed zijn gevoeg buiten in een gat in de grond. Zijn leven leek zich in een andere tijd af te spelen, ver weg van de bewoonde wereld.

Tot de Chinese overheid vorig jaar ineens besliste dat Aniu en zijn gezin naar de stad zouden verhuizen. Naar Zhaojue, een klein maar bedrijvig marktstadje, 70 kilometer verderop. Hij kreeg er een appartement toegewezen in een van de vier nieuwbouwwijken aan de rand van de stad, waar in totaal 18 duizend bewoners uit 92 omliggende dorpen kwamen te wonen. Het aantal inwoners van het stadje verdubbelde in één klap.

Voor Aniu leek het een lot uit de loterij: een appartement van 100 vierkante meter, met drie slaapkamers, vlak bij de stad met al zijn voorzieningen. En het mooiste: hij hoefde er amper 10 duizend renminbi (1.200 euro) voor te betalen, nog geen dertigste – zo heeft hij horen zeggen – van de werkelijke waarde. ‘Ik had zo’n huis zelf nooit kunnen betalen’, zegt hij. ‘Toen ik het hoorde, was ik dolgelukkig.’

‘Gerichte armoedebestrijding’

Aniu’s verhaal is niet uniek. Hij is een van de miljoenen Chinezen die de afgelopen jaren door de overheid werden ‘hervestigd’: vanuit het dorp overgeplant naar de stad. Dat gebeurde in het kader van de ‘gerichte armoedebestrijding’, een ambitieus overheidsplan om de plattelandsarmoede in heel China uit te roeien. Dat plan, in 2013 gelanceerd door president Xi Jinping, luidde dat de armoede van het Chinese platteland verdwenen moet zijn vóór 2021, als de Communistische Partij van China (CCP) honderd jaar bestaat.

Armoede uitroeien in zeven jaar: dat klinkt als een onmogelijke taak. In 2013 telde het Chinese platteland nog 93 miljoen armen, met als criterium een jaarinkomen lager dan 4.200 renminbi (530 euro). Zij zouden, om niet langer als arm te worden beschouwd, niet alleen een hoger inkomen moeten krijgen, maar ook voldoende eten en kleding, een huis, gezondheidszorg en onderwijs.

Verhuisde dorpelingen in een nieuwbouwwijk in de stad Zhaojue. Beeld Leen Vervaeke
Verhuisde dorpelingen in een nieuwbouwwijk in de stad Zhaojue.Beeld Leen Vervaeke

Maar zoals dat gaat met topprioriteiten van de CCP: die worden gehaald, in elk geval voor de bühne. Op 17 november werd Aniu’s district als een van de laatste armoedevrij verklaard, en een week later volgde het hele land. De laatste armoede in China was weggewerkt, net op tijd.

Alleen willen werkelijkheid en propaganda in China nogal eens uit elkaar lopen, en roept de armoedebestrijding ook vragen op. Een reis naar Liangshan moet antwoorden bieden. Is de armoede echt verdwenen, of alleen op papier? Is de Chinese overheid oprecht bekommerd om het welzijn van haar burgers, of heeft ze bijbedoelingen met al die liefdadigheid? En hoe kijkt Aniu naar zijn nieuwe leven?

De reis begint bij Aniu’s oude huis, in het dorp Atulie’er, dat tegen een steile helling ligt aangedrukt. Het huis is zelfgebouwd, op de manier waarop het hier al eeuwen gaat: een houten skelet met lemen muren. In de nok hangen repen varkensvlees te drogen, in een hoek ligt sprokkelhout voor het vuur. Moderne spullen zijn er niet, op een wasmachine, vriezer en glimmende tafel na. ‘Donaties’, zegt Aniu met enige gêne. ‘De drie beste dingen in dit huis heb ik gekregen.’

Het leven in het dorp is simpel. Aniu heeft twee jaar school gevolgd, kan amper lezen en spreekt Mandarijn met een zwaar accent – hij behoort tot de Yi-minderheid, die haar eigen taal heeft. In het dorp leeft hij van zijn lapje grond, waarop hij maïs, kool en aardappelen verbouwt, en geiten, varkens en kippen fokt. Zijn jaarinkomen? Aniu heeft geen idee. ‘Het enige waarmee ik hier wat verdien, is wilde honing’, zegt hij. ‘De rest is niets waard.’

Onbegaanbaar

Het grote probleem van Atulie’er is de locatie. Het dorp ligt in Liangshan, een ‘autonome prefectuur’ in de West-Chinese provincie Sichuan, waar de helft van de bevolking tot de Yi-minderheid behoort. De natuur is er ruig: hoge bergen, diepe kloven, besneeuwde passen. Langs de slingerwegen waarschuwen verkeersborden voor modderstromen en vallende rotsblokken. ‘Als het regent of sneeuwt is de weg naar Atulie’er onbegaanbaar’, aldus de chauffeur.

Alsof dat niet genoeg is, ligt Atulie’er niet in een vallei, maar boven op de wand van een kloof. Vanaf de weg is het twee uur klimmen. Tot drie jaar geleden kon dat alleen via een rafelige touwladder, waarvan geregeld mensen te pletter vielen. Na een aangrijpende tv-reportage liet de overheid in 2017 een stalen ladder bouwen: veiliger, maar nog steeds een pittige klim. Zeker met de zware zakken die de dorpelingen dragen, met rijst voor boven of honing voor beneden, of met kinderen op de rug.

Het lijkt een bizarre plek om te gaan wonen, maar in Liangshan zijn er best veel van dit soort klifdorpen, relicten van een woelige geschiedenis. In deze uithoek van het land hadden Chinese keizers lange tijd weinig te zeggen, en vochten Yi-clans onderling conflicten uit. Veel inwoners zochten hun toevlucht tot beschutte plekken tussen de hoge rotswanden, als in natuurlijke forten. Maar wat eeuwenlang een voordeel was, werd steeds meer een nadeel. De klifdorpen bleven steken in de tijd.

‘Liangshan was een modelprefectuur voor de armoedebestrijding’, zegt Jan Karlach, onderzoeker aan de Tsjechische Academie voor Wetenschappen, die jarenlang in Liangshan woonde en er zijn proefschrift over schreef. ‘Er waren tal van dorpen zonder elektriciteit en water, nauwelijks verbonden door wegen. Het was een waar laboratorium voor dit programma.’

De eerste jaren ging de Chinese armoedebestrijding gezwind. In regio’s met veel armoede werden autowegen, treinstations en luchthavens aangelegd, werden microkredieten toegekend en werd de lokale economie gestimuleerd. Het eerste jaar werden liefst 20 miljoen armen boven de inkomensgrens getild. Internationale armoede-experts zijn het erover eens dat veel mensen erop vooruit zijn gegaan, en dat de CCP daarvoor lof verdient.

Ook in Liangshan bood infrastructuur nieuwe mogelijkheden. ‘Het Liangshan van nu is niet te vergelijken met dat van tien jaar geleden’, zegt Karlach. ‘Van provinciehoofdstad Chengdu naar Liangshan was het toen 19 uur rijden, en die weg was de hel op aarde. Nu ligt er een snelweg en doe je er 5 uur over. Die toegenomen mobiliteit heeft het leven in Liangshan drastisch verbeterd.’

 Aniu’s gezin in hun nieuwe appartement in de stad, met het portret van president Xi aan de muur. Beeld Leen Vervaeke
Aniu’s gezin in hun nieuwe appartement in de stad, met het portret van president Xi aan de muur.Beeld Leen Vervaeke

Voor dorpen als Atulie’er, waar geen weg kan komen, hielp dat niet. Voor die ‘ecologisch uitdagende omgevingen’ – verzamelterm voor bergen, woestijnen en gebieden die gevoelig zijn voor natuurrampen – besloot de Chinese overheid dat er niets anders op zat dan de inwoners te verhuizen. In totaal werden 16,2 miljoen Chinese dorpelingen ‘hervestigd’, met een budget van 110 miljard euro. Het is het controversieelste onderdeel van de armoedebestrijding. Volgens experts verbeterden de levensomstandigheden van de dorpelingen wel, maar vaak tegen een hoge prijs.

Het is niet makkelijk om over Atulie’er te schrijven, en niet alleen omdat het dorp zo afgelegen ligt. De inwoners hebben van de lokale autoriteiten te horen gekregen dat ze niet met buitenlandse journalisten mogen praten, behalve tijdens georkestreerde perstrips. De strijd tegen armoede is een prestigeproject van president Xi, en de berichtgeving moet dus onverdeeld positief zijn. Slechts een paar inwoners zijn bereid te praten en ze blijven op hun hoede.

Veel inwoners hebben bovendien nauwelijks onderwijs gehad en spreken geen of slecht Mandarijn. Ze zijn gewend dat de overheid de beslissingen voor hen neemt, alsof ze handelingsonbekwame kinderen zijn. Veel vragen – of men tevreden is, of men erop vooruit is gegaan, of men liever op een andere manier was geholpen – worden hier nooit gesteld. Het standaardantwoord: ‘Ik weet het niet, dat wordt van bovenaf beslist.’

Maar ‘bovenaf’ blijkt lang niet onfeilbaar. In Atulie’er zijn 84 huishoudens als arm aangeduid – herkenbaar aan een bordje met financiële details boven hun voordeur – maar een twintigtal niet. Die laatsten kregen geen huis. Het officiële selectiecriterium is de inkomensgrens van 530 euro per jaar. In werkelijkheid blijkt de indeling veel willekeuriger en zijn lang niet alle armen geholpen.

Administratieve fout

‘We hadden geen idee hoe het armoedebeleid werkte’, zegt Yang Yang (26), een van de inwoners die geen huis heeft gekregen. Yang Yang is weduwnaar, vader van drie kinderen en – volgens veel dorpsgenoten – een van de armste inwoners van Atulie’er. Door een administratieve fout werd hij niet als zodanig ingedeeld. ‘Ik heb nog meebetaald voor de auto waarmee de arme inwoners zich gingen registreren’, zegt hij hoofdschuddend. ‘Ik had nooit gedacht dat zij een huis zouden krijgen.’

Uit de verhalen van de dorpelingen blijkt dat de lokale partijsecretaris in 2017 de arme huishoudens moest aanduiden. Hij besloot de grootste gezinnen te kiezen, om meer subsidies te krijgen. Die zouden ze onder het hele dorp verdelen, dus op wiens naam ze stonden maakte niet uit. Tot ineens bleek dat die gezinnen een huis zouden krijgen. ‘Ik ben nog met ze gaan praten, maar ze zeiden dat het te laat was’, zegt Yang Yang. ‘Als de namen eenmaal zijn doorgegeven, kun je ze niet meer veranderen.’

Voor Yang Yang is het leven niet verbeterd, maar verslechterd. Tot vorig jaar leek het leven in Atulie’er er net op vooruit te gaan. Na de tv-reportage kreeg het dorp niet alleen een stalen trap, maar ook 4G en een kleuterschool. Er was een plan voor de ontwikkeling van toerisme. Maar nu er nog nauwelijks kinderen zijn, is de kleuterschool weer gesloten. ‘Vorig jaar was mijn dochtertje te jong voor de kleuterschool’, zegt Yang Yang. ‘Dit jaar is ze oud genoeg, maar is de school er niet meer.’

Yang Yang is niet de enige arme die buiten de boot is gevallen. Ook in andere dorpen en provincies klagen inwoners over bureaucratische fouten en favoritisme, en onwil bij lokale bestuurders om die fouten recht te zetten, omdat ze dan hun deadline dreigen te missen. ‘De armoedebestrijding is een van de hoofdpijlers van de legitimiteit van de CCP’, zegt Karlach. ‘De cijfers zijn het belangrijkst, niet de werkelijke levensomstandigheden van de mensen.’

Yang Yang probeert er het beste van te maken. Hij is een huis voor toeristen aan het bouwen, met uitzicht over de kloof. Maar als hij mocht kiezen, dan verhuisde hij meteen naar de stad. ‘Ik dacht dat ik hier een toekomst had’, zegt hij. ‘Ik dacht dat het toerisme zich zou ontwikkelen en dat er meer mensen zouden komen. Maar nu trekt iedereen weg. Het toerisme zal wel komen, maar dat kost tijd. Voor mijn leven komen die veranderingen te traag.’

Dan heeft Aniu meer geluk, met zijn appartement in Zhaojue. De nieuwbouwwijk oogt verrassend fraai. De woonblokken zijn leemkleurig en versierd met houtsnijwerk, zoals de huizen in het dorp. Ertussen liggen speeltuinen en plantsoenen, ernaast scholen en kinderopvang. Op de balkons hangt vlees te drogen en buiten zitten oude mannen gehurkt onder hun wollen cape, zoals wanneer ze geiten hoeden. Het dorpsleven is meeverhuisd naar de stad.

Binnen is de charme wat verder te zoeken. Omdat de bewoners amper geld hebben voor meubels, zijn de meeste appartementen erg kaal. Aan de muur hangt een portret van Xi, een ‘dankbaarheidsvlag’ en een poster met het ‘beleid voor arme gezinnen’. En het is er ijzig koud: zoals gebruikelijk in Zuid-China is er geen verwarming. De inwoners zitten in dikke winterjassen rond een elektrisch kacheltje. Voor Aniu maakt dat niet uit. ‘Dit huis is beter dan in het dorp’, zegt hij. ‘Dat ziet iedereen.’

Hij heeft maar één probleem: er is amper werk in Zhaojue. Er zijn wat overheidsbaantjes en er is onderbetaald werk in de horeca, maar er zijn geen fabrieken, waar de laagopgeleide dorpelingen het makkelijkst terechtkunnen. Vooraf was gezegd dat er naast de nieuwbouwwijken industrieterreinen zouden komen, maar die bleven uit. En wat Aniu vooraf niet besefte, is dat hij in de stad flink hogere kosten heeft.

‘Een huis in de stad is veel stress als je geen baan hebt’, zegt hij. ‘In de stad geef je minstens 100 renminbi (12 euro) per dag uit, hoe zuinig je ook leeft. Je moet betalen voor elektriciteit, je moet eten kopen, je moet zelfs voor water betalen. In het dorp komt dat gewoon gratis uit de grond.’

Het blijkt het grootste euvel van de hervestiging. De dorpelingen krijgen wel betere huisvesting, maar niet noodzakelijk een beter inkomen. Volgens een recente studie van de Chinese Academy of Sciences komt 60 procent van de verplaatste dorpelingen niet boven de armoedegrens. Sommigen hebben schulden gemaakt om de 1.200 euro voor hun woning te betalen, of kunnen de kosten van het stadsleven niet aan. Zij blijven sterk afhankelijk van overheidssteun.

Aniu heeft een drastisch besluit genomen, net als veel van zijn dorpsgenoten: hij is naar Atulie’er teruggekeerd, om op zijn akker te werken. Zo kan hij zijn gezin ten minste te eten geven. Zijn vrouw woont in de stad, met de kinderen, want die moeten naar school. Wat hij van die situatie vindt? Hij aarzelt, hij wil niet ondankbaar klinken, en hij is oprecht blij met zijn huis. ‘Maar een baan was misschien beter geweest’, zegt hij uiteindelijk. ‘Dat had me meer stabiliteit gegeven.’

Aniu in zijn geboortedorp Atulie’er.  Beeld Leen Vervaeke
Aniu in zijn geboortedorp Atulie’er.Beeld Leen Vervaeke

Het is een ontnuchterende vaststelling. Zij die in Atulie’er moeten blijven, willen weg. En zij die uit Atulie’er weg moesten, keren terug. Maar ze delen allemaal dezelfde gedachte: een huis in de stad is misschien niet makkelijk, maar het is goed voor de kinderen.

‘De scholen in de stad zijn beter’, zegt Rifu (25), die met zijn vrouw, drie kinderen en jongere broer een appartement van 100 vierkante meter kreeg toegewezen, maar het merendeel van zijn tijd in het dorp doorbrengt. ‘Het belangrijkst is dat mijn kinderen hard studeren. Als ze slechte cijfers halen, zullen ze hetzelfde leven leiden als wij. Maar als ze goede cijfers halen, kunnen ze aan de bergen ontsnappen.’

Zoals veel dorpelingen heeft Rifu zijn school niet afgemaakt. Hij haalde goede cijfers en droomde ervan aan een universiteit te studeren. Maar toen zijn moeder, die als weduwe voor vijf kinderen zorgde, op zijn 16de stierf, moest hij van school om voor zijn broers en zussen te zorgen. Atulie’er telt een rijke collectie aan zulke gefnuikte schoolcarrières.

Voor de kinderen in de stad wordt studeren nu makkelijker. ‘In de stad heb ik meer tijd om te studeren’, zegt Youxi, een 16-jarig nichtje van Rifu dat net aan de middelbare school is begonnen, met drie jaar vertraging. ‘In het dorp moest je hout sprokkelen om te koken, alles vroeg veel tijd. Toen ik klein was, studeerden we bij kaarslicht. Hier heb ik mijn eigen slaapkamer en is er altijd elektriciteit.’

Maar ook dat onderwijs is niet onbesproken, want het is ingebed in de almaar sterkere Chinese assimilatiepolitiek. De Yi spreken thuis Nuoso, dat een eigen alfabet heeft, maar het onderwijs vindt plaats in het Mandarijn. Pas vanaf klas 5 van de basisschool krijgen leerlingen les in het Nuoso, een uur of twee per week. De lessen worden ook flink doorspekt met propaganda. ‘Ik moet hard studeren om ambtenaar te worden en mijn land terug te betalen’, zegt Youxi – zo’n typisch ingelepeld zinnetje.

Ook al liggen de scholen vlak bij de nieuwe huizen, doordeweeks moeten middelbare scholieren op internaat, officieel om hun ouders te ontlasten tijdens hun zoektocht naar een nieuwe baan. Maar een voltijds verblijf in een staatsinstelling is ook de snelste manier om kinderen van minderheden te assimileren. Een van de officiële doeleinden van de armoedebestrijding is om ‘slechte gewoonten’ van de Yi uit te drijven, zoals de hoge bruidsschatten en de dierenoffers op begrafenissen.

Dubbel gevoel

Voor veel dorpelingen voelt het dubbel. Hun kinderen hebben Mandarijn nodig voor een betere toekomst, maar ze willen niet dat ze hun moedertaal vergeten, wat nu al bij andere minderheden gebeurt. En ze vinden sommige Yi-tradities zelf ook achterhaald – de bruidsschatten zijn belachelijk hoog aan het worden – maar tegelijk zijn ze trots op hun cultuur. De traditionele kleren, met tulbanden in kleuren die leeftijd, rang en stand aangeven, worden nog volop gedragen.

Het is een pijnlijke vaststelling voor de Yi: met de hulp van de CCP komt onvermijdelijk ook meer controle en verlies aan autonomie. ‘Vroeger hadden we meer vrijheid’, erkent Rifu. ‘Nu heeft de overheid de touwtjes stevig in handen, in heel China, ook bij de minderheden. China is het rijk van de CCP geworden. Als de CCP iets zegt, dan is het zo, wat je er ook van vindt. Maar weet je, ik heb daar niet zo’n problemen mee. Al met al zijn we er beter van geworden.’

Karlach denkt er meer tegenstand zal komen. ‘In de hele geschiedenis van Liangshan heeft de staat nooit eerder zo veel controle gehad. Ik denk dat dat voor spanningen gaat zorgen. De Yi zijn altijd wantrouwig geweest tegenover buitenstaanders op het land van hun voorouders. Je ziet het nu al gebeuren. Laatst was er een conflict omdat in een dorp een heilig bos was gekapt voor de aanleg van een skipiste. Als er meer buitenstaanders komen, zal het vaker botsen.’

Zo uitgesproken zul je het de dorpelingen niet horen zeggen. Maar waar hun hart ligt, wordt duidelijk als ze over het traditionele Nieuwjaar van de Yi praten, dat net is gevierd. ‘In het dorp gaat iedereen dan bij elkaar op bezoek’, zegt Rifu. ‘De ouderen zingen liederen in het Nuoso, over de goede dingen des levens. In de stad doen we dat niet, daar kennen we onze buren niet. Een huis in de stad is goed, maar het leven in mijn geboortedorp is beter. Ik ben er opgegroeid, ik ben er thuis.’

Meer over