Impeachment steeds meer verhulde coup

Een verhulde staatsgreep of een legitieme procedure als het staatshoofd zijn boekje te buiten gaat? Dat is iedere keer weer de vraag als een president het slachtoffer wordt van een afzettingsprocedure. Op papier is een impeachment-procedure de ultieme noodgreep voor het geval het staatshoofd de grondwet schendt of een andere doodzonde begaat. Maar in de praktijk wordt impeachment maar al te vaak gebruikt als wapen om politieke geschillen te beslechten.

Oud-president van Brazilië Dilma Rousseff. Beeld null
Oud-president van Brazilië Dilma Rousseff.

Het bekendste voorbeeld is natuurlijk de impeachmentprocedure die de Republikeinen in 1998 lanceerden tegen de Democratische president Bill Clinton wegens het Lewinsky-schandaal. Formeel luidde de beschuldiging dat Clinton zich had bezondigd aan meineed en de rechtsgang had proberen te belemmeren, maar daarachter ging een keihard politiek gevecht schuil. 'Dit is een culturele oorlog', gaf Bob Barr, een van de Republikeinse aanklagers in het impeachmentproces tegen Clinton, openlijk toe. Volgens Barr ging het om een strijd tussen het echte Amerika en de losse zeden van de Clinton-generatie oftewel de liberale jaren zestig.

De Democraten beschouwden de poging om Clinton af te zetten als een soort staatsgreep, een poging hun verkiezingszege terug te draaien. Kennelijk keken de meeste Amerikanen er ook zo naar: het publiek bleek niet te porren voor de Grote Puriteinse Revolutie die de Republikeinen probeerden te ontketenen. Uiteindelijk draaide het impeachmentproces in de Senaat uit op een pijnlijke nederlaag voor de Republikeinen.

In het geval van president Richard Nixon, die ook een impeachmentproces boven het hoofd hing, was er wel sprake van ernstige vergrijpen: het Watergate-schandaal en de pogingen van de president de inbraak in het Democratische hoofdkwartier geheim te houden. Maar Nixon besloot af te treden voordat het Congres een impeachment-procedure tegen hem kon beginnen.

In Rusland probeerden de communisten president Jeltsin in de jaren negentig verscheidene malen af te zetten via een impeachmentprocedure, onder meer wegens 'volkerenmoord'. Met zijn economische beleid zou hij tal van Russen aan de bedelstaf hebben gebracht met als gevolg 'miljoenen' doden. Maar het lukte hen nooit om voldoende stemmen te halen om Jeltsin uit het Kremlin te verjagen.

In andere landen ging het vaak om beschuldigingen van corruptie, zoals de impeachmentprocedure tegen de Filipijnse president Joseph Estrada in 2000. Aanhangers van de president in de Senaat saboteerden uiteindelijk de stemming, maar daarmee lokten ze een volksopstand uit die alsnog een einde maakte aan het bewind van Estrada. Een voorganger van Dilma Rousseff, de Braziliaanse president Fernando Collar de Mello, trad in 1992 af nadat het parlement een afzettingsprocedure tegen hem was begonnen wegens corruptie. Ook de Colombiaanse president Ernesto Samper kreeg in 1996 een impeachmentprocedure aan zijn broek wegens corruptie. Hij zou miljoenen hebben aangenomen van het Cali-drugskartel. Maar hij overleefde de stemming in de Senaat.

Maar het lijkt erop dat impeachment in Latijns-Amerika meer en meer de 'vegetarische' variant is geworden van de militaire coups waardoor de landen tot voor kort werden geplaagd. Vroeger beslechtten de politieke krachten hun geschillen via het leger, maar tegenwoordig gaat het er 'beschaafder' aan toe en hanteert het parlement de hakbijl. Zo werd de linkse president Fernando Lugo van Paraguay, een gewezen priester die de bevrijdingstheologie aanhing, in 2012 via een spoed-impeachment afgezet na een bloedige confrontatie tussen grootgrondbezitters en arme boeren. Net als nu klaagde Dilma Rousseff dat er sprake was van een 'staatsgreep', maar het hielp niet.

Meer over