Immigratie is op termijn wel degelijk reden tot zorg

Multiculturalisme verdient principiële discussie Is er vanuit cultureel oogpunt reden tot bezorgdheid over de omvangrijke immigratie naar Nederland? Op de langere termijn zeker, meent Erik van Ree....

ERIK VAN REE

OVER het concept van de 'multiculturele samenleving' wordt tegenwoordig weinig meer vernomen. De voorstanders ervan hebben de wind niet meer mee en durven het niet langer aan er voor de straat op te gaan.

Een gunstige uitzondering is Jan Pronk die in zijn vorig jaar verschenen essaybundel De kritische grens met verve betoogde dat er geen enkele reden is om 'zich bedreigd te voelen door het geprononceerd naar voren komen van andere culturen, religies en levensbeschouwingen'. Nederland zou immigranten moeten aantrekken (mede) omdat dit onze cultuur een injectie van buitenaf zou geven en haar uit haar provinciale sluimer zou trekken.

Deze opvatting lijkt mij echter alleen al op logische gronden onhoudbaar. Wie voorstander is van een open en cultureel pluriforme samenleving kan niet tegelijkertijd beweren dat de vermenging van zo'n cultuur met een andere geen bedreiging ervoor kan vormen. In het geval namelijk dat de tweede cultuur de pluriforme waarden van de eerste afwijst, kunnen openheid en pluriformiteit per saldo wel eens eerder afnemen dan toenemen. Om bezorgdheid over culturele invloeden van buitenaf bij voorbaat als xenofobie af te doen, is niet alleen onverstandig maar berust bovendien op een simpele denkfout.

De Leidse filosoof Herman Philipse suggereerde onlangs dat de omvangrijke toestroom van mensen met een andere culturele achtergrond de 'traditionele Nederlandse deugden' ondermijnt en daarmee ook de grondslagen van onze staat. De aanwezigheid van migranten zou dus niet alleen om financiële maar wel degelijk ook om culturele redenen een bedreiging vormen.

In een reactie daarop beschreven Meindert Fennema en Jean Tillie (in de Volkskrant van 16 november) hoe zich in Nederland geleidelijk een volksnationalisme aan het ontwikkelen is. Men barricadeert zich meer en meer op een eiland van exclusief, cultureel gedefinieerd, Nederlanderschap. In het artikel werd echter in het midden gelaten of er op culturele gronden nu wel of geen reden is tot bezorgdheid aangaande de immigratie.

Het niet principieel ter discussie stellen van het multiculturalisme is mijns inziens onverstandig, omdat naties altijd een zekere homogeniteit moeten kennen om te kunnen functioneren. Bij het contrast tussen 'volksnationalisme' en een puur staatkundig gedefinieerd nationalisme wordt in het algemeen gewezen op respectievelijk de Duitse en de Franse traditie. Extreem gesteld wordt de natie in het tweede model identiek aan het paspoort. Op zo'n papieren natie kan, logischerwijze, geen enkele culturele verandering, van binnen of van buitenaf tot stand gebracht, enige inbreuk maken. Het zij overigens opgemerkt dat de Franse traditie lang niet altijd de meest tolerante is, want haar overspannen reactie op 'hoofddoekjes', om maar een voorbeeld te noemen, heeft alles te maken met haar cultus van de natie als zuiver politieke eenheid.

Tussen de 'Duitse' en de 'Franse' benadering van het vraagstuk bestaat uiteindelijk echter meer overeenkomst dan verschil.

Het Franse model, met zijn wortels in de tijd van de revolutie van 1789, lijkt nog het meest op de klassiek Griekse benadering van patriottisch burgerschap. In deze opvatting draait het om een staat die niet zozeer door strikt culturele homogeniteit als wel door wetten bijeengehouden wordt. De burgers vormen primair een politieke gemeenschap omdat zij leven volgens één wet. Maar ook dit model vooronderstelt een zekere eenheid van opvatting onder de burgers, namelijk op het gebied van die wetten. Als de helft van de bevolking van mening is dat 'uw rechtsstaat de onze niet is', kan een natie niet functioneren.

Naties in de moderne zin zijn een verschijnsel dat zich pas de laatste eeuwen heeft ontwikkeld. In het algemeen wordt hun vorming verklaard uit de dynamiek en mobiliteit van de markteconomie die een vrij verregaande uniformering van taal, wetten en gebruiken onvermijdelijk maakt. In dit licht is de 'Duitse' respectievelijk 'Franse' accentuering van culturele of politieke natievorming een zaak van relatief ondergeschikt belang.

De essentie van moderne naties ligt niet op de eerste plaats in de vraag of zij zich door politieke dan wel culturele homogeniteit onderscheiden, als wel in het naakte feit van hun sterke homogeniteit als zodanig.

Nu hoeft deze uniformiteit bepaald niet alomvattend te zijn. Het taalvraagstuk maakt dit onomstotelijk duidelijk. Er zijn immers talloze staten die functioneren op basis van meertaligheid. Maar meertaligheid roept ook altijd problemen op en belemmert het efficiënt functioneren van zulke staten. Een multiculturele samenleving is, kortom, wenselijk, maar binnen zekere grenzen.

CULTURELE menging roept ook andere problemen van principiële aard op. Waar het gaat om bijvoorbeeld kleding, eetgewoontes, dagindeling of zuiver religieuze overtuigingen is 'tolerantie' de geëigende strategie om spanningen uit de weg te ruimen. Maar alle culturen kennen tevens bepaalde normen die zij universeel achten. Dergelijke dwingende normen worden vertaald in wetgeving of op zijn minst in sterke sociale druk. Soms is dat geen probleem. Zo wordt moord bijvoorbeeld door de meeste culturen gelijkelijk veroordeeld.

Maar over andere universeel geachte normen kennen verschillende culturen diametraal tegenover elkaar staande opvattingen. Te denken valt aan de rechtsgelijkheid van man en vrouw, lijfstraffen, de ontoelaatbaarheid van sex buiten het huwelijk of van godslastering. De strategie der 'tolerantie' is in dergelijke gevallen niet toepasbaar omdat deze veronderstelt dat men anderen niet alleen het andere maar zelfs het ontoelaatbare toelaat. Het is hier buigen of barsten omdat er geen compromis mogelijk is. Als twee universelen botsen moet er één wijken.

Met dit alles is de vraag nog niet beantwoord of er vanuit cultureel oogpunt inderdaad reden tot bezorgdheid is over de omvangrijke immigratie naar Nederland. Ik denk het wel, zeker op de langere termijn. Mijn uitgangspunt hierbij is het gegeven dat de Nederlandse cultuur zichzelf de afgelopen twee eeuwen drastisch heeft geherdefinieerd. Ongeveer de helft van de bevolking behoort niet meer tot een confessie. Nederland is daarmee één van de koplopers in het proces van secularisering.

Parallel hieraan heeft zich een sterke verschuiving in de publieke moraal voorgedaan, en wel in libertaire richting. Uitgangspunt voor de religieuze moraal is dat datgene verboden is dat God verboden heeft. Verdere redenen hoeven niet geleverd te worden. Een rationele en liberale moraal gaat er daarentegen van uit dat een burger alles is toegestaan wat zijn medeburgers niet schaadt, ook als God het verboden heeft. Hoewel beide typen moraal kunnen overlappen, verschillen ze principieel. En het is in Nederland de christelijke moraal die in een onderliggende positie is komen te verkeren.

Als gevolg van deze verschuivingen profiteren wij thans van een historisch ongekend vrij klimaat waarin homoseksuele showpresentatoren algemene populariteit genieten, godslasterlijke boekjes kunnen verschijnen zonder dat er een haan naar kraait, en mannen die in het openbaar beweren dat hun vrouw in de keuken hoort kunnen rekenen op een meewarige grijns. Niet meer van deze tijd! Of binnenkort wel weer?

Het overgrote deel van de immigranten van buiten de Europese Unie is afkomstig uit gebieden die nog een veel sterker religieus stempel dragen en waar op het gebied van de verhouding tussen de geslachten, opvoeding en seksualiteit opvattingen heersen die wij al lang achter ons gelaten hebben. Over het geheel genomen zal de toestroom van immigranten daarom een drastische versterking betekenen van het in de verdediging gedrongen religieus-conservatieve potentieel in de Nederlandse samenleving.

MET name de komst van de islam als kerkgenootschap zal van cruciale betekenis worden. Deze godsdienst verkeert nog in zijn frisse fase en heeft helaas nog niet het proces van verwatering doorgemaakt dat wij van de meeste christelijke stromingen kennen. Historisch gezien betekent de huidige bevolkingsverschuiving dat de traditionele moraal, die dank zij de moeizame ontkerstening haar greep op een meerderheid van de bevolking kwijt leek te raken, nieuw bloed krijgt toegediend.

Hoe omvangrijk dit effect zal zijn is moeilijk te zeggen omdat er uiteraard ook sprake is van aanpassing aan Nederland. Maar het moet merkbaar worden, gezien de schattingen volgens welke in 2010 15 procent van de bevolking van allochtone herkomst zal zijn en in de drie grootste steden de bevolking dan voor bijna de helft uit allochtonen zal bestaan.

Als democratische staat zal Nederland al zijn burgers dezelfde rechten moeten blijven toekennen. Het kan dus niet uitblijven dat opvattingen over man en vrouw, over seksuele promiscuïteit, over het strafsysteem, of over de wijze waarop in het openbaar over godsdienst gesproken kan worden een partijpolitieke, democratische 'vertaling' krijgen. Wij zullen rekening moeten gaan houden met irrationele gevoeligheden die we al vergeten waren.

Dit proces is al begonnen, nu er op scholen in ernst over gesproken wordt of meisjes op gymnastiek mogen verschijnen met coltrui en lange broek. Hoe lang zal het duren voor er stemmen opgaan om, althans voor moslims, delen van het moslim-familierecht in te voeren? Hoe lang zal het duren voor de orthodox-christelijke stemmen tegen seksueel al te expliciete reclameboodschappen uit deze hoek opeens versterking zullen krijgen en dan onverwachts luid gaan klinken?

De multiculturele samenleving, die een zeer nastrevenswaardig doel is, zou uiteindelijk wel eens kunnen resulteren in culturele verkilling in plaats van kleurige pluriformiteit. Het ironische van dit alles is dat het dan niet de rechtsextremistische buitenlander-vreters met hun middeleeuws-martiale opvattingen zullen zijn die het nakijken hebben. Zij vonden altijd al dat de vrouw in de keuken hoorde. Het is het progressieve volksdeel dat het lid, misschien verrassend hard, op de neus zal krijgen.

Erik van Ree is socioloog en verbonden aan het Oost-Europa Instituut van de Universiteit van Amsterdam.

Meer over