'Ik zoek een spijkerbroek voor mijn zoon. Een gewóne'

Mijn zoon was zijn broek kwijt. Zijn énige broek. Waarom heeft die jongen maar één broek, terwijl ik zowat niets anders doe dan broeken voor hem kopen? En hoe verlies je trouwens je enige broek? Begrijpelijke vragen, waarop hij mij, het was kwart over acht in de ochtend, slechts toevoegde dat hij hem 'misschien aan zijn stuur had laten hangen'. Hij verliet het pand in tennisshorts, met de benauwde oogopslag van een brugklasser die een nieuwe dag vol prille groepsdynamiek moet zien te overleven. Zonder broek.

Mijn moederhart zwol van medelijden. De stad in dan maar weer, voor een zoveelste nieuwe broek. Een spijkerbroek, zo gewoon mogelijk, zoals mijn zoon mij telkens bezweert. Dat betekent: géén rare stiksels, kunstmatige bleekwater- of schuurpapierverminkingen dan wel scheuren, plooien, smalle of wijde pijpen, afzakkend kruis, omslagen, of kleuren anders dan kalmerend indigo. Kom er nog maar eens om.

'Ik zoek een spijkerbroek voor mijn zoon', zei ik in de jeanswinkel tegen de verkoper, een knappe, messcherp geklede jongen met de aantrekkelijke huidskleur van versgebakken banketbakkersspeculaas. 'Een gewóne.' Ik somde op hoe die broek er vooral níét uit mocht zien. De jongen, voor een wand met honderden spijkerbroeken, fronste alsof ik hem een zorgwekkend ziektebeeld had geschetst en ging 'boven kijken'. Vele minuten later kwam hij terug, reeds op de trap bedroefd hoofdschuddend.

In de volgende winkel trof ik een bleek meisje achter de toonbank met ogen zo groot als in een Japans stripverhaal en lang, golvend witblond zeemeerminnenhaar, waarvan zij de onderste helft hemelsblauw had laten verven. Ze zag eruit als een fabeldiertje, een My Little Pony, met een Volendams accent. Ze toonde me de ene broek na de andere, maar bij elk exemplaar zag ik voor me hoe mijn zoon ook deze zou afkeuren, in stilte, om zijn moeder niet te kwetsen (hij is een lieve jongen), en roemloos onder zijn bed zou laten verdwijnen. Haar 'succes dan maar, verder...' klonk niet overtuigend.

Na zes, zeven winkels was ik het zat. In een klein zaakje met een hoog uitverkoopgehalte kocht ik op goed geluk twee willekeurige broeken die elk maar een tientje kostten en fietste naar huis. Onderweg kreeg ik een sms'je van mijn zoon, vol vrolijke pictogrammetjes. Zijn broek was terecht! 'Hij was gewoon in het lokaal', aldus het kind, een summiere toedracht die nogal wat nieuwe vragen opwierp, maar soms kun je als moeder beter zwijgen.

De nieuwe broeken bleken, later die dag, stuk voor stuk uitstekend te staan, te zitten en uit te blinken in sublieme gewoonheid. Een mazzeltje.

Nu heeft hij er dus drie.

Hoe lang nog?

s.witteman@volkskrant.nl

Meer over