Ik wil niet hebben dat u met mijn gasten praat

Omdat ik over trots wilde schrijven, en over nederigheid, ging ik op bezoek bij een oudtante. Ze is nog van een generatie die werd opgevoed met de deugd en ik hoopte van haar iets over eenvoud te leren....

Ze hadden een boek gelezen: op tafel lag Kinderen van Gabalawi opengeslagen, van de Egyptische schrijver Nagieb Mahfoez. Zodra we een moment alleen waren, de dame was naar de keuken gelopen om een kopje te halen, sprak mijn tante haar ergernis uit. De werkster komt hier tegenwoordig met lakschoenen aan en zijden blouses. Ze krijgt het veel te hoog in haar bol. Enfin, zo kan ik haar niet laten schoonmaken, dus leest ze me de boeken van je oudoom maar voor.

Schrijven over nederigheid gaat langzaam. Het is een kwestie van lang zoeken en veel aarzelen. Zo aarzel ik al bij het woord werkster. Het woord is uit de gratie geraakt toen steeds minder mensen lichamelijke arbeid gingen verrichten opeens was de verwijzing naar handenarbeid taboe. Een rare consequentie van die verlegenheid rondom de werkster was dat mensen met intellectuele beroepen zich van de weeromstuit schaamden voor de superioriteit die ze zichzelf hadden aangemeten en die ze vervolgens ontkenden.

Daardoor kwam het dat een hele generatie dichters en denkers thuis in hun werkkamer zo veel mogelijk lawaai maakte als de werkster er was. Die mocht immers niet de indruk krijgen dat ze als enige ploeterde. Blind ratelden de hoofdwerkers op de toetsen van hun typemachine, totdat ze aan het eind van de ochtend doodmoe waren en helemaal niets hadden gedaan. Dit ongemak hield stand tot de introductie van de geruisloze tekstverwerkers.

De Stichting Ideële Reclame zet ons deze maanden in een campagne tot nederigheid aan. Een volk van assertieve burgers moet althans leren een gematigder toon aan te slaan en niet zo snel beledigd te raken. Het lijkt een verstandig advies: wie wel eens discussies volgt op de internetfora weet dat daar langzamerhand een vorm van zelfverdediging in zwang is gekomen die een argeloze voorbijganger de stuipen op het lijf kan jagen. Reden genoeg om eens een beetje in te binden en onze trots in toom te houden.

Toch is er meer nodig dan zon simpele oproep. Ik vermoed namelijk dat het overdreven vertoon van trots onder burgers tegenwoordig voortkomt uit een diepgeworteld gevoel van ongelijkheid. Uit het gevoel minder waard te zijn dan anderen. Of, beter gezegd, uit het verongelijkte gevoel door al die anderen als minderwaardig te worden behandeld. Wie internetdiscussies leest, ziet dat het vaak niet de inhoud van de argumenten is die agressie oproept, maar het feit dat gespreksgenoten elkaar voortdurend op hun plaats wijzen. Weet je wel wie ik ben? En wie denk je wel dat jij bent? Het is een wapenwedloop in eigenwaarde.

Jaren geleden citeerde Hans Ree in NRC Handelsblad een uitspraak van de Britse econoom Richard Wilkinson. In industriële samenlevingen, zei Wil-kinson, komt stress vooral voort uit sociale en economische ongelijkheid. Volgens een onderzoek onder Britse ambtenaren leidde een kleine stap omhoog op de maatschappelijke ladder of een geringe verhoging van status meteen tot een duidelijk hogere levensverwachting. Als een virus of gifstoffen in het water evenveel ambtenaren zouden doden als de professionele hiërarchie, zouden de regeringsgebouwen onmiddellijk geëvacueerd en vervolgens gesloten worden.

Ongelijkheid als belangrijkste veroorzaker van stress. Dan kan het om economische ongelijkheid gaan, sociale ongelijkheid, religieuze of etnische ongelijkheid en in de meeste gevallen zal het zelfs om volstrekt ingebeelde ongelijkheid gaan. Maar in alle gevallen leidt het benadrukken van die ongelijkheid tot een krenking van trots die je hiërarchische vernedering zou kunnen noemen. En over die hiërarchische vernedering zou ik liever eens een publieke campagne zien dan over ruziemaken op straat.

Natuurlijk zijn er altijd mensen die onkwetsbaar zijn voor welke vernedering dan ook. De violist Heifetz (of was het Elman?) arriveerde aan het begin van de twintigste eeuw berooid in New York, waar hij werd benaderd door een rijke kunstliefhebster. Ze bood hem aan tweeduizend dollar te betalen voor een optreden bij haar thuis, maar, voegde ze er aan toe: Ik wil niet hebben dat u met mijn gasten praat. Opgelucht zei de violist: In dat geval kost het u maar duizend dollar.

Het is deze nonchalance die ik voor ogen houd als ik zelf ook te gevoelig raak voor hiërarchische vernedering. Hoi, schrijven organisatoren mij soms. Ik weet niet wie je bent of wat je doet, maar ik kreeg je naam door van een televisiepersoonlijkheid. We organiseren een studiedag waar hij zou spreken, en nu is hij verhinderd. Zou jij, in zijn plaats, datgene willen komen doen wat het dan ook maar is wat je doet? Uiteraard kunnen we je zijn honorarium niet geven, omdat je niet beroemd bent. Maar we denken dat het voor jou interessant genoeg is jezelf aan zon eerbiedwaardig gezelschap te mogen presenteren. Wat denk je? Antwoorden voor vanmiddag 5 uur.

De thee bij mijn tante was op, en ik was nog steeds niets wijzer over trots en nederigheid. Toen ik de kopjes ging afwassen hoorde ik vanuit de keuken hoe de werkster de roman weer oppakte en verder las waar ze gebleven waren. Bij een beschouwende passage riep ze blij verrast uit: Wat grappig, die man denkt net zoals ik. Maar dat ging mijn oudtante toch een stap te ver. Dat kan niet, zei ze bits. Hij heeft de Nobelprijs gekregen.

Meer over