'Ik wil laten zien dat die topdichters nog steeds meedoen'

Het duurt nog even, op 6 maart 2011 zal de latinist Piet Schrijvers (71) de Martinus Nijhoff Prijs voor vertalingen daadwerkelijk uitgereikt krijgen in het Muziekgebouw aan 't IJ in Amsterdam - maar gisteren werd de bekroning reeds bekend gemaakt door het Prins Bernhard Cultuurfonds. Een oeuvreprijs, groot 35 duizend euro, en daarmee is de Leidse laureaat verguld. 'Ik heb mezelf nooit geheel en al vertaler gevoeld, ook al omdat ik als hoogleraar in Groningen en daarna Leiden ook wel andere dingen heb gedaan, maar vanaf mijn pensioen, nu tien jaar geleden, is het wel mijn hoofdbezigheid. Eind jaren tachtig heb ik zelf in de jury van Martinus Nijhoff Prijs gezeten, en ben erg geïnspireerd geraakt door de contacten met eminente vertalers die ik toen heb gelegd, zoals Rien Verhoeff, Hans van Pinxteren en August Willemsen. Misschien ben ik ook wel daardoor meer aan vertalingen gaan werken, naast het schrijven van essays en lezingen.'


In het afgelopen decennium voegde Schrijvers een drietal belangwekkende vertalingen aan zijn oeuvre toe: de Verzamelde gedichten van Horatius in 2003, de Georgica (Landleven) van Vergilius in 2004, en het kolossale leerdicht De rerum natura (De natuur van de dingen) van Lucretius in 2008, alle verschenen bij de Historische Uitgeverij. In de toelichting bij die vertalingen, en in zijn essays - gebundeld in Ik kan de Muzen niet haten (2004) -, plaatst Schrijvers de Romeinse leerdichters en epische dichters in hun tijd, maar laat hij ook zien hoe hun ideeën en regels onze moderne dichters hebben beïnvloed: van Leopold, Ida Gerhardt en J.C. Bloem tot Cees Nooteboom en de laatste boerendichter H.H. ter Balkt.


Schrijvers: 'Dat vind ik belangrijk, ja. In studies als The Classical Tradition, door een Engelsman geschreven, komt de Nederlandse poëzie niet voor. Ik ben niet vies van het woord zendeling: laten zien dat die topdichters, wat dat zijn het, in een aansprekende vertaling nog steeds mogen meedoen in het culturele leven van nu. In de schoolboeken zie ik tot mijn vreugde dat er vele pagina's uit mijn vertalingen van Lucretius en Vergilius zijn opgenomen.'


Natuurlijk vergt het uitleg en scholing, om Lucretius' leerdicht (in 50-45 voor Christus postuum uitgegeven) over het ontstaan van de wereld en de mens, over atomisme en de ziel, over windhozen, liefde, oorlog en het vuur, op de juiste wijze te verstaan. Soms werkt hij dubieuze argumenten weg door de lezer te verblinden met zijn poëtische stijl. 'Maar dat kun je overbrengen. Als de docenten daar de tijd voor krijgen. Het recente rapport over de eindexamens wil de kool en de geit sparen: men wil wel dat er wordt vertaald op de middelbare school, maar het niet meer als eindexameneis opvoeren. Uit vrees dat er anders te veel leerlingen zakken. Ik denk niet dat dat werkt. Men wil te veel doen in te weinig tijd. Mijn leermeester, professor Leeman uit Amsterdam, zei al: 'Het Latijn is voor het Grieks een reddingsgordel, en het Grieks is voor het Latijn op school een molensteen. Eigenlijk is Latijn het zwaartepunt, en zou je het Grieks als zelfstandig vak moeten opheffen.' Je zult een keer moeten kiezen, dat vind ik eigenlijk ook.'


'Op dit moment heb ik een groot werk onder handen, van de Romeinse dichter Lucanus. War poetry, tien boeken over de burgeroorloog. Ik ben met mijn hexameters ongeveer op tweederde. Maar ook hier wil ik nagaan hoe Lucanus heeft doorgewerkt in de Nederlandse poëzie. En ik ben daarnaast bezig met een biografietje van Leeman, die in augustus is overleden. Bij hem ben ik in 1970 gepromoveerd, op Lucretius. Die heeft mijn hele leven en loopbaan begeleid. We hoeven geen doodsangst te hebben, zei hij, in navolging van Epicurus. Of Harry Mulisch het nou direct van Epicurus had weet ik niet, maar toen ik onlangs bij diens overlijden weer las wat Mulisch over de dood dacht - 'Als ik er ben is de dood er niet, en als de dood er is ben ik er niet' -, ja, dat had in het Grieks zo als spreuk aan de wand gekund. Hoeveel Lucretius ook wilde bestrijden, hij is ook mythisch-dichterlijk. Zoals hij stelt dat de mens is ontstaan in de lente, zo ververst hij onze waarneming. Door zijn woorden. Lucretius blijft altijd nieuw en spannend. Hij legt iets uit, én vertelt het schitterend. Dat veroudert niet.'


Meer over