Ik was paranimf, waartoe ik mijzelf slecht toegerust vond

Een paranimf met plankenkoorts.

null Beeld Thinkstock / Brigitte Wodicka
Beeld Thinkstock / Brigitte Wodicka

Leiden, 19 juli 1725

Op de 19de promoveerde mijn landgenoot Waldkirch tot doctor. De kandidaat wordt eerst driemaal ondervraagd. De eerste keer heimelijk en bij nacht, zodat, mocht hij afgewezen worden, zijn eer niet in het geding is. De volgende keer moet hij overdag, een uur lang, een hem voorgelegde ziekte beoordelen en de geneesmiddelen noemen, waarbij alle professoren hem ondervragen. De derde keer moet hij een tekst van Hippocrates toelichten. Daarna wordt hem het recht verleend in het openbaar op te treden.

De rector bepaalt de dag waarop hij, vergezeld door zijn promotor (een van de hoogleraren), zitting neemt in de zaal en daar een uur lang de vragen beantwoordt van een groep daartoe genodigden.

Als het uur voorbij is, betreedt de kandidaat de senaatszaal. Daar wordt hem de eed voorgelezen, hij legt zijn gelofte af, de professoren feliciteren hem en daarmee is de plechtigheid afgelopen.

Zijn er landgenoten of vrienden bij, dan geeft hij een feestmaal, dat, vooral dankzij de wijn, enigszins uit de hand kan lopen. Hierbij wordt hij geassisteerd door twee zogeheten paranimfen, opdat de heer doctor zich op deze eervolle dag niet hoeft in te spannen.

Bij deze gelegenheid vervulde ik de rol van paranimf en opponent; waartoe ik mij, hoe zonderling ook voor iemand die beroepshalve toespraken houdt, bijzonder slecht toegerust vond.

Albrecht von Haller (1708-1777), Zwitserse fysioloog. Uit Het dagboek van zijn verblijf in Holland, 1725-1727. Uitg. Koninklijke Gist- en Spiritusfabriek Delft, 1958.

Meer over