'Ik voel de kracht om door te gaan'

Petra van Veelen (34) over Willem van de Sande Bakhuyzen, de film- en theaterregisseur overleed 27 september 2005 op 47-jarige leeftijd....

Willem heeft geen afscheid genomen, hij heeft geen laatste woorden gesproken, hij heeft vanaf zijn ziekbed geen wensen meegegeven. Sommigen hadden het daar moeilijk mee. Maar wat is afscheid nemen? Kan iemand mij dat uitleggen? Willem heeft uit het leven gehaald wat erin zat, bijna tot op het laatste moment - dat is toch het mooiste afscheid? Voorgoed gedag zeggen tegen zijn dierbaren wilde hij niet. Want dat zou betekenen dat hij geaccepteerd had dat hij doodging.

De belangstelling na zijn dood was overweldigend. Dat zijn overlijden zo uitgebreid het achtuur-journaal en de showrubrieken haalde, was bijna bizar. Willem is nooit zo'n publieke figuur geweest, maar het laatste jaar van zijn leven heeft hij volop de erkenning gekregen die hij zo lang zocht. 'Kom je wel voldoende toe aan jezelf?', vroegen mensen me soms bezorgd, 'hebben jullie wel genoeg tijd samen gehad?' Natuurlijk: ik kende Willem pas vier jaar, maar vooral sinds er in de zomer van 2004 darmkanker bij hem werd geconstateerd, hebben we een prachtige tijd gehad - intensief, liefdevol, met treurige momenten én diepe geluksmomenten, als in een rollercoaster. Alles werd op scherp gezet, er was geen tijd en energie meer voor ruis. Tijdens weekendjes weg waren we heel erg samen, versmolten, als in een sterk verbond. In augustus brachten we nog een vakantie door in Spanje. Daar hebben we het uitgebreid over zijn begrafenis gehad, alsof het een soort feestje was, en Willem wist precies hoe hij het hebben wilde - want ook daarin was hij de regisseur met de touwtjes in handen.

Toen wij te horen kregen dat hij ongeneeslijk ziek was, was ik in totale verwarring. We hadden juist plannen voor de toekomst gemaakt, en zelfs gesproken over het krijgen van kinderen. Al die plannen vielen nu in één n klap in duigen. Daarna volgden de zorgen en de angst, zo slopend en energievretend. En tegelijk: de hoop, tegen de klippen op, dat zich toch een wonder zou voltrekken en Willem het veel langer zou volhouden dan door de artsen was aangegeven. Pas op het allerlaatste moment, in september, toen een operatie mislukte, wist ik voor de volle honderd procent dat Willem kansloos was. De laatste twee weken heb ik bijna permanent in het ziekenhuis gebivakkeerd, ook 's nachts. Doorwaakte nachten waren dat - Willem kon, sinds hij ziek was, nauwelijks nog slapen. Pas bij het ochtendgloren lukte dat. Ik denk ook dat hij veel meer pijn had dan wij doorhadden. De afleiding die zijn werk hem bezorgde, drukte de pijn soms weg.

Vooral de eerste weken na de begrafenis was ik boos - ik wilde iedereen wel in elkaar rammen, zó onterecht en waardeloos vond ik het dat Willem de strijd verloren had. Voor jou tien anderen die mogen gaan, hamerde het steeds in mijn hoofd. Nu leer ik het leven weer beter te waarderen, voel ik de kracht om door te gaan, weet ik dat ik over voldoende energie beschik, want ik heb nog een leven vóór me. Ik werk als accountmanager voor een bouwbedrijf en volg een acteeropleiding. Willem heeft me een paar keer zien spelen en tja, hij is van het hoogste segment - hij zag wat ik kon, maar ook wat ik niet kon, en dat deelde hij me dan lief en genuanceerd mee. Zelfvertrouwen ontleende ik er niet aan, maar dat hoefde ook niet: ons zelfvertrouwen school in de liefde, niet in de dingen die we deden of in onze prestaties.

Wat ik ook aan het laatste jaar met Willem overhoud: dat ik de ballast beter van me afschud, dat ik duidelijker keuzes moet maken, dat ik niet moet uitstellen wat ik nü wil doen. Nu maar hopen dat ik dat besef vasthoud, soms ben ik bang dat het me ontglipt omdat de tijd, anders dan in de laatste maanden met Willem, alweer vliegt.

Ik vind dat wij raar omgaan met de dood. Die is niet geïntegreerd in het leven. Kennelijk is iedereen er bang voor. Ik mis rouwrituelen zoals andere culturen die wel kennen. De dagen vóór de begrafenis verkeer je in een roes, is het intensief en zelfs gezellig - Willem lag bij mij thuis opgebaard, er kwam steeds bezoek, we hebben ook veel gelachen. Daarna is er opeens niets meer. Treedt de grote stilte in, terwijl het verdriet blijft. Het gemis wordt zelfs groter. De kerstdagen ontvlucht ik: dan zit ik met een vriendin in Singapore. Maar wat daarna? Steeds vaker word ik vooral door kleine dingetjes overvallen - een lief briefje dat Willem me schreef, het polsbandje dat hij in het ziekenhuis droeg. De eerste weken vond ik het moeilijk om alleen te slapen, bang als ik opeens leek te zijn voor het donker.

Geld laat hij me niet na. We hebben daar wel over gediscussieerd, maar wat hij heeft, besloot hij, is voor zijn kinderen, Matthijs van 17 en Roeltje van 13, dëe hebben het vooral nodig. Hij is altijd ervan uitgegaan dat ik zelfstandig genoeg ben om me te redden en hij heeft gelijk: ik kan voor mezelf zorgen; ook in de tijd dat Willem ziek was ben ik mijn eigen dingen blijven doen omdat ik wist dat er een moment zou komen dat ik het weer in mijn eentje moest zien te rooien. En bovendien: werk houdt je in beweging, geeft voldoening en zelfvertrouwen, geeft me simpelweg een reden om op te staan, voorkomt misschien dat ik in een depressie schiet.

Geld kan me ook niet zo veel schelen. De erfenis die Willem mij achterlaat is veel mooier: een prachtig beeld, gemaakt door zijn achternicht, van albast, wit, haast doorschijnend. Ze kwam het zelf brengen in het ziekenhuis, een paar weken voor zijn overlijden. 'Jij vergaat straks tot stof', zei ze tegen Willem, 'en die stof wordt weer steen en daaruit schep ik straks weer beelden.' Zo is de cirkel rond. Naar dat witte beeld kijk ik nu elke dag: het zijn een man en een vrouw, misschien zijn wij het zelfs, in innige eeuwige omhelzing.'

Meer over