'Ik vier mijn herwonnen vrijheid'

Rolling Stones-gitarist Ronnie Wood heeft na negen jaar een nieuwe soloplaat gemaakt, inclusief het artwork. Zo komen de twee pijlers van zijn kunstenaarsschap samen....

Door Menno Pot

In een kleine vergaderruimte van het kantoor van platenlabel Eagle Rock, in het zuidwesten van Londen, buigt Ronnie Wood zich over het pas voltooide artwork voor I Feel Like Playing, zijn eerste soloalbum sinds 2001, dat maandag verschijnt. Leuk om te zien: de Rolling Stones-gitarist (1947) is zo blij als een kind. Wow, te gek, de kleuren, de vormgeving, ze zijn echt fucking great geworden, die afbeeldingen.

Voor het eerst in zijn carrière komen op een album de twee belangrijkste pijlers van zijn kunstenaarschap samen, vertelt hij. Op het schijfje horen we Ronnie de muzikant (‘mijn nightjob’), op de hoes staat een schilderij van Ronnie de kunstschilder (‘mijn dayjob’), een doek met veel geel en rood, de albumtitel I Feel Like Playing in grote zwarte letters en een soort oog, of draaikolk, in helder blauw.

Hij wijst op de blauwe cirkels: ‘Ze draaien van binnen naar buiten, zie je? Niet van buiten naar binnen. Zo voel ik me nu: toen ik uit de ontwenningskliniek kwam, voelde ik me helder en fris in mijn hoofd. Ik had zin om te creëren, mijn ideeën de wereld in te slingeren. Met dit doek en dit album vier ik de herwonnen vrijheid.’

Hij zwaait zijn benen boven tafel en legt zijn voeten naast de prints: hij heeft zijn witte tennisgympen beschilderd als de albumhoes, geel en rood, blauwe draaikolk. ‘Cool, toch? Toen ik uit rehab kwam, was het eerste dat ik tegen mijn vriendin zei: I feel like painting and I feel like playing. Dat zijn dus de titels van een schilderij en een album geworden.’

Hij spreekt de woorden ‘ontwenningskliniek’ en ‘rehab’ uit alsof hij het over het postkantoor en de supermarkt heeft, maar we kunnen er niet zomaar aan voorbijgaan: ja, de kliniek, daar bracht hij de laatste jaren weer heel wat tijd door.

In zijn charmante autobiografie Ronnie (2007; de Nederlandse vertaling heet Ron Wood) schreef hij nog over zijn alcoholprobleem en zijn turbulente liefdesleven alsof hij die zaken nu definitief op orde had, maar in de jaren daarna ging het gewoon door: een paar keer afkicken (drank, cocaïne) en een in de schandaalpers breed uitgemeten echtscheiding van de piepjonge Ekaterina Ivanova, nadat hij in december 2009 was gearresteerd wegens een nog altijd onduidelijk ‘incident in de privésfeer’. Huiselijk geweld, berichtten de tabloids.

Over dat incident wil hij niet praten (‘niet omdat het geheim is, het komt toch wel in de krant, maar omdat de rechtszaak nog loopt’), de ontwenningsklinieken zijn geen taboeonderwerp: ‘Ja, ik heb weer een tijdje bij de A gelopen.’

De A?

‘De A van Alcoholics. De tweede, van Anonymous, kun je wel weglaten als je in de Rolling Stones speelt’

Hij schatert, het hoofd in de nek. De voren in zijn gelooide gezicht verraden een zwaar rock ’n’ roll-leven, maar zijn gitzwarte haren hebben nog altijd geen verf nodig en zijn coiffure is nooit veranderd, evenmin als de diepdonkere ogen: ze schitteren nog en verschaffen hem zijn sympathieke, wat jongensachtige uitstraling.

Zigeunerbloed. Ronnie Wood is een telg uit een Londens geslacht van ‘waterzigeuners’: generaties voor hem werden op het water geboren, binnenwater welteverstaan, niet de zee. Ron was de eerste die op de wal ter wereld kwam, in Hillingdon, niet ver van vliegveld Heathrow.

Als je hem zo hoort praten, kun je je ongeveer voorstellen welke positie hij inneemt binnen de Stones, sinds hij in 1975 Mick Taylor verving als tweede gitarist naast Keith Richards (de manier waarop ze, vanaf het album Black And Blue uit 1976, hun gitaarpartijen hebben leren vervlechten, noemen ze zelf ‘weven’).

De verstandhouding tussen Mick Jagger en Keith Richards is, in de woorden van Wood, ‘gecompliceerd’, maar allebei zijn ze gesteld op ‘Woody’, die bovendien het Jagger/Richards-oeuvre beter kent dan de auteurs zelf. Wanneer er een oud nummer moet worden ingestudeerd voor een tournee, kun je er donder op zeggen dat Mick en Keith het zijn vergeten. ‘Jullie hebben het zelf geschreven!’, roept Woody dan, en speelt het voor.

Het is geen voltijdbaan, gitarist van de Stones zijn, en stilzitten is niks voor hem. Hij presenteert ‘met de gitaar op schoot’ zijn eigen radioprogramma op Absolute Classic Rock (alle afleveringen van de Ronnie Wood Show zijn te beluisteren op ronniewoodradio.com), zet zich in voor bedreigde diersoorten in Afrika, loopt de hele dag te schetsen in het ene zakboekje (‘voor mijn schilderwerk’) en notities te maken in het andere (‘voor mijn muziek’).

Daarnaast exposeert hij regelmatig als kunstschilder. Hij heeft vier ateliers (een in Ierland, een in Surrey, twee in Londen, in de wijken Hoxton en Chelsea) en vindt het lekker om een beetje heen en weer te pendelen. ‘Je moet mij niet op één plek opsluiten, ik ben onrustig van aard. Ik denk dat dat ook een van de redenen is waarom ik de neiging heb naar de fles te grijpen: met alcohol kan ik mezelf tot rust brengen.’

I Feel Like Playing kwam er zomaar tussendoor. Concrete plannen om een soloplaat te maken had hij nog helemaal niet. ‘Ik zat in Los Angeles en werd gebeld door mijn goede vriend Steve Bing, de producer. Hij had een avond geboekt in The House Of Blues en vroeg of ik kwam meespelen. We speelden Spoonful, een klassieker, en besloten dat nummer de volgende dag op te nemen. Daar begon het mee, en voor ik het wist, zat ik een album te maken: overdag liedjes schrijven, ’s avonds opnemen in een studio, met bevriende muzikanten die toevallig in de buurt waren.’

Wood belde ze gewoon op of ze kwamen spontaan binnenlopen: drummer Jim Keltner, Billy Gibbons van ZZ Top, Slash, Kris Kristofferson, Bobby Womack. ‘Het was zoete inval. Ik heb sinds de jaren zeventig geen plaat meer gemaakt in zo’n ontspannen sfeer.’

Moet gezegd: het is een begeesterd, levendig en vooral gevarieerd album geworden. Stones-rock, blues, Motown-soul, reggae, het komt allemaal langs, het plezier is bijna tastbaar.

In een paar songs speelt ook Ian McLagan mee, Woods oude bandmakker uit de Faces, de rockgroep waarin hij speelde voor hij in 1975 toetrad tot de Stones. De Faces doen sinds kort reünieoptredens, met Simply Red-zanger Mick Hucknall als vervanger van de originele zanger Rod Stewart, met wie Wood nog altijd goed bevriend is.

‘Ik vind het jammer dat Rod niet meedoet’, zegt Wood, ‘maar hij is er vanaf het begin heel duidelijk over geweest. Zijn Songbook- en Soulbook-coverplaten doen het in de VS ontzettend goed. Hij kan daar veel optreden, voor veel geld. De bedragen die hij daarmee ophaalt, staan niet in verhouding tot wat hij met de Faces-reünie kan verdienen. Ian McLagan, Kenney Jones en ik respecteren dat, maar we wilden niet langer wachten en hebben Mick Hucknall gevraagd.’

Dit najaar heeft die laatste weer Simply Red-verplichtingen en worden de Faces weer geparkeerd tot ergens in 2011. Spijtig, vindt Wood, die best vaker met de band op pad zou willen: lekker rocken, kleinschaliger en in een heel andere rol dan hij bij de Stones heeft.

‘In de Faces ben ik de dirigent: de muzikale leider. Vroeger keek Rod altijd mij aan: wat komt er nu, wat gaan we doen? In de Stones heeft Keith die leidersrol en ben ik zijn secondant. Onlangs speelden we met de Faces in de O2 in Londen, expres in het kleine zaaltje, voor vierhonderd man. Heerlijk.

Met de Stones is het natuurlijk een totaal ander verhaal. In grootschaligheid en visueel spektakel valt de meest recente tour, de A Bigger Bang Tour (2005-2007) nauwelijks te overtreffen. Wood denkt hardop: ‘Misschien moet de volgende tournee juist heel exclusief en kleinschalig zijn.’

Wordt die Stones-tournee dan de laatste, zoals onlangs in Engelse kranten werd beweerd? Zet de band er bij het vijftigjarig jubileum in 2012 een punt achter? Wood: ‘Ik weet niet wie dat gerucht de wereld in heeft gebracht, maar wij waren het in elk geval niet. Over stoppen hebben we het nooit gehad, en ik denk ook niet dat het gaat gebeuren.’

Wanneer Ronnie Wood over de Stones praat, doet hij dat nu eens in de wij- en dan weer in de zij-vorm, alsof hij het over ‘het bedrijf’ heeft. Spreken ze elkaar eigenlijk wel buiten tournees om? ‘Niet veel.’ Komen ze op elkaars verjaardagen? ‘Soms.’ Hoe gaan ze met elkaar om? Hoe ís het eigenlijk om een Rolling Stone te zijn?

‘Als we op tournee zijn, huren we meestal een heel hotel, of in elk geval een vleugel of etage, waar iedereen voldoende privacy heeft. Overdag zien we elkaar dan weinig. Maar ’s avonds stappen we in het busje dat ons naar het podium vervoert en is het eigenlijk net als vroeger: dan kletsen we, maken we geintjes, is het jongens onder elkaar.’

Zijn ze vrienden?

Op besliste toon: ‘Ja. Geen vrienden die nog samen in de pub staan of de deur bij elkaar platlopen. We zijn vrienden zoals mannen van 60 vrienden zijn. Maar in het algemeen hebben we het gezelliger dan de mensen vermoeden. Een tournee wordt voorafgegaan door een lange, intensieve repetitieperiode. Dan stellen we de set samen. Die maanden in het oefenhok ervaar ik altijd als knus.’

Voor de tournees zelf is ‘knus’ uiteraard niet het juiste woord. Zijn radioshow doen, dát is knus. De opnamen van I Feel Like Playing waren knus. Het schrijven van Ronnie was knus.

‘Ik had een ghostwriter in de arm genomen, maar tegelijkertijd wilde ik dat het een persoonlijk verhaal zou worden. Die twee dingen staan met elkaar op gespannen voet, en daar liep ik ook tegenaan toen ik de eerste versie las: ik hoorde het mezelf niet zo vertellen. Met mijn ghostwriter Jack Macdonald heb ik daarna het hele verhaal herschreven, zodat het aanvoelt als míjn vertelling.’

Hij is altijd blijven houden van het kleine: in het echte leven, ver van de Stones-planeet, iets leuks doen en daarmee mensen blij maken, al zijn het er maar een paar. Hij wil nog een misdaadroman schrijven, en een kinderboek, en poëzie. Dit najaar gaat hij muziekworkshops geven aan kleine klasjes kinderen. De afkickklinieken, de echtscheidingen, de aanklacht wegens huiselijk geweld, de tabloids; ze hebben de twinkeling nooit uit zijn ogen verdreven.

Het hoogtepunt van I Feel Like Playing ligt helemaal aan het eind, in de soulvolle slowrocker Forever. Het is het oudste lied op het album: Wood schreef het in 1974, toen hij al wel wist dat hij tot de Stones zou toetreden, maar de transfer nog geen feit was. Jaren lag de demoversie te wachten op verdere uitwerking. Ooit moest hij een goede versie van het lied opnemen. Die goede versie is er nu: een versie die opstijgt dankzij de gastvocalen van Bobby Womack.

‘I wanna remember the good things’, is Woods repeterende boodschap in het refrein.

De rockveteraan zingt het vanuit de tenen en had in 1974 niet kunnen vermoeden dat die eenvoudige zin in de 36 jaar daarna zou uitgroeien tot zijn levensmotto.

Meer over