interviewSandor Gaastra

‘Ik snap goed dat tegenstanders zeggen: zet die molens maar op zee. Alleen, daar redden we het niet mee’

Vanaf Oosterschelde in Zeeland is dit windmolenpark op de Noordzee te zien.  Beeld Getty Images
Vanaf Oosterschelde in Zeeland is dit windmolenpark op de Noordzee te zien.Beeld Getty Images

Hij moet Nederland overtuigen van de noodzaak van windmolenparken op het vasteland. Hoe gaat Sandor Gaastra, directeur-generaal Klimaat en Energie, dat doen?

Niet makkelijk, wel nodig – met deze leuze is het ministerie van Economische Zaken en Klimaat zaterdag een landelijke campagne begonnen om de donquichots van Nederland te overtuigen dat windmolens op land onmisbaar zijn voor het bereiken van de klimaatdoelstellingen. Verantwoordelijk voor de campagne, onder meer in landelijke dagbladen en online, is Sandor Gaastra, directeur-generaal Klimaat en Energie.

Dat de energietransitie een uitdaging is, hoeft Gaastra niemand meer te vertellen. Maar voor de zekerheid schuift hij de verslaggever een grafiek toe waarop te zien is hoe veel energie Nederland verbruikt en welk deel daarvan duurzaam is. ‘Een enorm gat’, wijst hij op de leemte tussen beide lijnen. ‘Dat moet gevuld.’

Het grootste deel van de groene energie die erbij komt, zal tot 2050 komen van windparken op zee. Maar ook van wind op land en zon. Wind op land is geen eenvoudig onderwerp, zegt Gaastra. In het verleden bepaalde de Rijksoverheid voor de provincies hoeveel windmolens ze moesten neerzetten. ‘Dat ging soms goed, maar soms ook niet. Dan was het alsof je met een stoomwals over lokale gemeenschappen reed.’

Dit wilden we niet meer, zegt Gaastra. ‘Dus dachten we, kan het niet meer van onderop georganiseerd? Daaruit zijn de regionale energiestrategieën voortgekomen, waarbij provincies en gemeenten meer aan het stuur staan.’

Dat het ministerie nu een campagne begint, voelt alsof de grote broer erbij gehaald moet worden om de tegenstand te overwinnen.

‘Als de energiestrategieën met een paar advertenties in de krant moeten worden gered, gaat het niet goed. Maar er was wel behoefte dat de Rijksoverheid van zich laat horen.’

Hoe gaat u de tegenstanders overtuigen?

‘Ik denk dat deze groep best groot is. Als ik een rondje om mijn woonplaats Utrecht fiets, maakt het niet uit of ik naar het noorden, het zuiden of het oosten rijd; overal zie ik wel ergens een spandoek van iemand die geen grote windmolens wil.

‘Veel mensen zeggen: zet die windmolens maar op zee. Dat snap ik goed. Alleen daarmee redden we het niet. Ik heb ook niet de illusie dat we iedere tegenstander overtuigen. Maar het helpt als mensen informatie krijgen en kunnen beoordelen hoe het grotere plaatje eruit ziet.’

Een mooi streven, maar grote groepen, ook met hart voor klimaat, die willen geen molens in de buurt. Nogmaals: hoe overtuigt u hen?

‘Ik hoop dat iedereen snapt dat je niet overal nee tegen kunt zeggen. We kunnen ook afspreken dat we minder energie gaan gebruiken. Dat we veel activiteiten niet meer doen. Dat we afscheid nemen van een deel van het bedrijfsleven. Dat we maximaal één auto per gezin voorschrijven. Dat we kleiner gaan wonen. Zolang we dat niet willen, moeten we de energie ergens vandaan halen. Hoe meer opties je afwijst, zoals wind op land en ook biomassa, hoe minder je overhoudt.’

De campagne stelt: iedereen doet wat. Dat klinkt vrij soft. Moet u niet veel duidelijker zeggen: er komt waarschijnlijk een molen bij u in de buurt en misschien ook rond het natuurgebied waar u zo graag wandelt?

‘De meeste mensen zien de noodzaak tot verduurzaming wel. Het gaat vooral om verlies van vrij zicht op veld waar ineens van die industriële dingen in komen te staan. We moeten vooral kijken waar je ze het slimst plaatst. Bijvoorbeeld parallel aan snelwegen. Gebeurt ook al, in Brabant langs de A16 bijvoorbeeld. Dat heeft nog steeds impact, daar wonen ook mensen. Windmolens clusteren op een slimme manier lukt niet overal, maar we proberen het wel.’

Dit klinkt als planning door de Rijksoverheid. Zegt u nu niet: wij gaan het weer doen?

‘Nee, dan krijg je die stoomwals weer. Het is iets gezamenlijks. Vanuit Den Haag kun je heel veel niet overzien. Om windmolens zo goed mogelijk in te passen, hebben we lokale bestuurders en burgers nodig.’

In het afgelopen coronajaar was het samenkomen in zaaltjes niet mogelijk. Daardoor was er nauwelijks interactie. Dat lijkt me een probleem voor het gevoel van inspraak.

‘Dit is inderdaad echt een probleem. Dat hadden we niet ingecalculeerd. Het is voor gemeenten nu ingewikkeld om informatieavonden te houden. Als er zestig tot tachtig mensen in een call zitten, kan ik me voorstellen dat een willekeurige bewoner al snel denkt: wat heb ik hier aan.’

Waarom niet een paar maanden uitstel? Straks is iedereen gevaccineerd en kunnen de zaaltjes weer open.

‘Ik denk dat regio’s dat zelf ook niet willen. De meeste zijn 1 juli klaar.’

Meer over