Ik probeerde de rand van het bassin te pakken, maar dat lukte niet, ik gleed terug

Om warm te worden denk ik in de winter wel eens aan de zomer. Aan die bloedhete zomerdag van lang geleden, bijvoorbeeld, toen ik de uitnodiging van een vreemde man aannam om ter verkoeling te gaan zwemmen in het waterbassin van het lokale irrigatiesysteem....

Marjolijn Februari

Het was in het buitenland. De aarde was dor en verlaten. Hier en daar stond een boom – een ordeloos netwerk van irrigatiepijpjes bracht water rond. Het was heet, die dag, zinderend heet. Aan de horizon, in een onvaste spiegeling van lucht en water, stond het bassin waar we vermoeid naar toe kropen; de horizon deinsde achteruit zo gauw we naderbij kwamen, maar uiteindelijk bereikten we de bak met water, ter grote van een binnenbad, en doken erin. We waren volledig gekleed. Met een wildvreemde man gaan zwemmen in het waterbassin van de irrigatie is één ding, je kleren erbij uittrekken is een tweede.

De lucht boven de bak sidderde alsof hij onder stroom stond. Met mijn lichaam onder water en mijn hoofd erboven vernauwde zich mijn bewustzijn en al gauw zag ik niets anders dan het oppervlak van het water, glimmend en glinsterend dat de vonken eraf spatten, en boven het oppervlak zweefde de grijns van de man. Lichtjaren verstreken in de duur van minuten en de man verdween uit mijn gezichtsveld terwijl zijn grijns bleef hangen, zoals de grijns van de Cheshire Cat toen de kat al weg was, een metafysische grijns, een bovenaardse, onstoffelijke grijns. En midden in die grijns opende zich de mond van de man. Hij zei iets.

‘Het probleem is dat we hier nu wel zo vredig in het water drijven’, zei hij, ‘maar dat we er nooit meer uitkomen. Probeer maar eens of je eruit kunt klimmen.’ De grijns verbreedde zich en zweefde vrolijk boven de wateren. Mijn bewustzijn besloot zich weer wat te verruimen en er kwam plaats vrij voor een gevoel dat nog het meest leek op lichte paniek. Zo nonchalant mogelijk dreef ik naar de kant en probeerde de rand van het bassin te pakken, maar dat lukte niet. De schuin aflopende wand was te dicht begroeid met algen, en ik gleed terug zodra mijn hand een halve meter van de rand verwijderd was.

Net had ik bedacht dat ik hier zou sterven, of voor eeuwig boven het water zou zweven in gezelschap van een grijns, toen de man onder water dook en een paar tellen later proestend weer bovenkwam. ‘Het is een truc’, riep hij vrolijk. ‘Je moet achteruit zwemmen!’ Meteen zwom hij op zijn rug naar de kant en zette zich daar met een paar slagen van zijn benen af, zodat hij als een raket tegen de wand omhoogschoot en triomfantelijk op de rand van het bassin bleef zitten. Ik probeerde hetzelfde en het lukte. Toen ik druipend en lichtelijk beduusd weer op het droge stond, schreef ik in mijn hoofd de wijsheidsliteratuur die u zojuist hebt gelezen. Het is een truc, luidt de conclusie van die wijsheidsliteratuur. Als je ergens niet goed uit kunt komen, moet je achteruit zwemmen.

In het dorre landschap van de winter neem ik vandaag een duik in het tijdschrift Nexus. Laat niemand zich erop blindstaren dat ik lid ben van de redactie-adviesraad – ik weet ook nooit vooraf wat er gaat komen en verbaas me net zo hard als ieder ander over de inhoud van dat blad. Voor de aflevering van deze winter heeft hoofdredacteur Rob Riemen gevraagd naar de dromen en verantwoordelijkheden van kunstenaars, wetenschappers, leraren, diplomaten, journalisten en activisten over de hele wereld. Ze zijn allemaal jonger dan veertig en blijken meesters te zijn in het achteruit zwemmen.

‘Opeens voel ik een soort optimistische trekkracht in mijn benen’, schrijft de drieëntwintigjarige schrijver Jonathan van het Reve na vruchteloos getob over zijn afkomst en zijn achternaam, en dan weet hij opeens wat hem te doen staat. Bij kunstenaar *ejla Kameric uit Bosnië-Herzegowina is het getob fundamenteler, maar ook zij weet wat haar te doen staat. ‘Ons begrip en de oplossingen voor veel problemen vereisen enthousiasme en optimisme.’

‘Ik ben simpelweg schrijver uit enthousiasme’, schrijft de Italiaan Nicola Lecca. ‘De contouren van een oprechte en kosmopolitische solidariteit dagen regelmatig op aan de horizon’, schrijft de in Nederland wonende Igor Secuk uit Bosnië-Herzegowina. Goed, ik wil best toegeven dat ik er speciaal op ben gaan letten, op al dat optimisme en enthousiasme, en dat ik de steekproef niet helemaal objectief heb genomen. Op de een of andere manier had ik er plezier in bij het doorlezen van het tijdschrift overal jonge mensen tegen te komen met optimistische trekkracht in hun benen.

‘Ik ben geboren toen ik dertien was’, schrijft de Noorse schrijver Johan Harstad. Geboren werd hij namelijk pas toen hij een cd cadeau kreeg van Rage Against the Machine, ‘bijna illegale muziek’ in zijn keurige Noorse omgeving. De familie reageerde dan ook tamelijk geschokt op de tekst fuck you I won’t do what you tell me; en de jonge Harstad genoot net zo van die reactie als van de muziek. ‘Ik hield ervan de potentiële tijdbom te zijn die nooit afging.’

Maar het lezen van obscure teksten en het luisteren naar illegale muziek leverden Harstad uiteindelijk volwassenheid op en daarmee een nieuwe drijfveer.

‘Het ging niet altijd om de aanval, het ging er niet altijd om fuck you I won’t do what you tell me te schreeuwen, het ging ook om iets anders, dat minstens zo belangrijk was. Het is moeilijk om er één woord voor te vinden, het laat zich niet gemakkelijk definiëren, maar ik geloof dat het ermee te maken heeft hoe literatuur mijzelf en de mensen om me heen enthousiast kon maken.’

En hij concludeert: ‘Dan zijn mijn boeken ook een soort Rage Against the Machine, een verzetsstrijd tegen de idioterie, de onverschilligheid en de slechte gevoelens, maar dan een verzetsstrijd die gebaseerd is op concentratie en enthousiasme.’

Misschien is het een truc, denk ik, dat enthousiasme. Maar hij werkt wel.

Meer over