'Ik moest maar vertellen dat mijn vader dood was'

Cornald Maas in gesprek met kinderen van gescheiden ouders. Dit keer Jacqueline Verharen (45), relatietherapeut. Haar vader vertrok toen zij 1 was....

‘Mijn man en ik zijn al ruim twintig jaar gelukkig samen, en we zijn beiden relatietherapeut. Dat is niet voor niets. Lange tijd heb ik niet geloofd in goede relaties. Ik was ervan overtuigd dat een langdurige verbintenis niet voor mij was weggelegd. Voor ik mijn man ontmoette wilde en kon ik me niet binden. Dat heeft te maken met het feit dat ik me nooit aan mijn vader heb kunnen binden: hij verdween uit mijn leven toen ik 1 was. En ik moest, wilde ik als kind overleven, ook mijn moeder een beetje op afstand houden: ze was getraumatiseerd door haar Indië-verleden én door de scheiding van mijn vader. Tot op de dag van vandaag koestert ze wrok tegen hem.

Mijn vader kreeg indertijd een relatie met een andere vrouw die zwanger van hem raakte. Van de ene op de andere dag is hij vertrokken. Voor mijn 5 en 10 jaar oudere broers was dat een grote klap. Mijn moeder vertelde me later dat mijn vader nog wel mijn broers wilde zien maar mij niet. Dat had ook te maken met het feit dat hij met zijn nieuwe vrouw een dochter op de wereld had gezet. Ik groeide daardoor op met het idee dat ik voor mijn vader niet interessant was, en kennelijk inwisselbaar.

Dat er geen vader was in huis, was voor mij betrekkelijk vanzelfsprekend: ik wist niet beter. Ik was bang voor de vaders van vriendinnen, althans: dat vertelde mijn moeder me later. In die tijd waren er nog niet veel kinderen met gescheiden ouders. Ik was de enige in de klas van wie de vader en moeder niet meer bij elkaar waren. Mijn moeder zei me dat ik mijn klasgenoten maar moest vertellen dat mijn vader dood was, en dat heb ik ook werkelijk gedaan. Maar lang hield ik dat niet vol. Ik vond het vreemd, het voelde niet goed en ik was blij toen ik op de middelbare school eindelijk een lotgenoot trof.

Lang had ik er geen behoefte aan mijn vader te ontmoeten. Zowel mijn moeder als mijn oma had me immers jarenlang voorgehouden dat hij fout was, en dat mannen niet te vertrouwen waren. Pas vanaf mijn 20ste, toen ik de deur uit was en op eigen benen stond, begon het verlangen naar een ontmoeting met mijn vader te groeien. Een gelegenheid diende zich onverwacht aan. Ik was op de begrafenis van een oom en plotseling kwam er een man op me af die me condoleerde en me twee zoenen gaf. Vervolgens vroeg hij aan mijn broer, die naast me stond: ‘Weet je wie ik ben?’ Schoorvoetend zei hij ‘ja’, en even later zei hij tegen mij: ‘Ik denk dat dat je vader is.’ Ik ben toen op hem afgestapt en heb hem gezegd dat ik contact met hem wilde. Zijn telefoonnummer kreeg ik niet, ik gaf hem het mijne.

Vervolgens duurde het een behoorlijke tijd voor hij belde. Ik voelde me alweer opnieuw in de steek gelaten. Maar toen belde hij toch, en hij kwam langs, met zijn vrouw. Mijn oudste broer was er ook bij. Die ontmoeting viel tegen; het bleef bij koetjes en kalfjes, en ik durfde niks te forceren. Wél spraken we af elkaar met enige regelmaat te blijven zien.

Tijdens die bezoekjes ging het nooit ergens over, in elk geval niet over wat we achter de rug hadden. Eigenlijk voelde ik me constant afgewezen want ik had mijn vader terug, maar hij voldeed niet aan mijn verwachting dat we over het verleden konden praten. Je wordt pas een vader door er voor je kinderen te zijn.

Pas nadat ik bevallen was van mijn eerste kind en in therapie was gegaan, trok ik de stoute schoenen aan en heb ik hem gevraagd waarom hij nooit contact met ons had gewild. Mijn vader had een ander verhaal dan mijn moeder. Hij vertelde dat zij steeds tussen ons in had gestaan, en dat hij besloten had geen pogingen meer te wagen en het boek te sluiten – hij had voortaan een vrouw en een kind en de rest had niet plaatsgevonden. Daarmee sloot hij niet alleen het boek voor ons, maar ook voor zijn moeder. Mijn oma werd door mijn moeder gedwongen partij te kiezen en ze koos voor haar kleinkinderen. Vanaf dat moment zag mijn oma mijn vader niet meer. En mijn vaders dochter kwam er pas op haar 16de achter dat mijn vader nog een gezin had, en een moeder: tot dan toe had hij haar verteld dat zijn moeder was overleden.

Ik geloofde mijn vader, toen hij vertelde dat mijn moeder het contact onmogelijk had gemaakt. Haar verbittering had me al eerder doen beseffen dat haar verhaal onmogelijk helemaal kon kloppen. En ik wílde het ook geloven, want ik wilde mijn vader terug.

Mijn leven lang zijn mij verhalen verteld waarvan ik niet wist of ze waar waren. Nu, de laatste jaren, heb ik eindelijk mijn eigen verhaal, omdat ik heb leren schiften. Ik denk nu dat mijn vader vast een fijne vader zou zijn geweest. Mijn moeder weet dat ik contact heb met hem, maar we praten er niet over. Zelfs na vijfenveertig jaar fluister ik mijn kinderen in dat ze in het bijzijn van mijn moeder maar beter niet over ‘opa Ton’ kunnen praten. Mijn vader zie ik af en toe. Het contact is prima maar niet diepgravend. Ik heb geaccepteerd dat hij geen prater is.

Vorig jaar gebeurde er iets heel moois. Mijn vader ging met mijn zoontje van 11 een dagje op pad, naar de vliegbasis in Soesterberg. Dat voelde voor mij als een goedmaker. Met mij was hij nooit op stap gegaan, en een vader is hij nooit geweest. Maar een opa, zo bleek toen, kan hij dus wél zijn, en daardoor werd hij toch ook weer mijn vader.’

Meer over