'Ik moest kiezen tussen kunst en wetenschap'

Ger Beukenkamp (55) klom na de ambachtsschool op tot onderzoeker aan de universiteit. Tegelijk ontwikkelde hij zijn talent als dramaschrijver....

'Ik ben opgegroeid in Amsterdam-Noord en ik vond het leven er benauwd, benepen en burgerlijk. "De stad" was heel ver weg, een soort Engeland. Ik had met niemand werkelijk contact, ook niet met mijn vader en moeder. Niet dat ik een slechte relatie met ze had, maar het waren vreemde mensen voor me. Die eenzaamheid was voornamelijk te wijten aan mijn homoseksualiteit, die me al heel jong het gevoel gaf dat ik een totale buitenstaander was, een alien. In het nvsh-blad Verstandig Ouder schap, waarop mijn ouders geabonneerd waren, zag ik op mijn achtste het woord homosexueel staan. Ik had geen idee wat het was, maar dacht: "Dat ben ik, ho-mo-sex-u-eel". Aan een kant was ik blij dat er een woord voor bestond, maar aan de andere kant voelde ik me diep schuldig.

Mijn vader was zeilmaker bij een scheepvaartmaatschappij. Vanaf zijn veertiende tot hij trouwde, had hij als matroos gevaren. Ik denk dat hij een beetje verknipt van die boot is afgekomen. Het was een slimme man, maar hij leed aan een intens minderwaardigheidscomplex. Ik geloof dat mijn ouders zeker wel hun best hebben gedaan, ik liet ook zelden blijken hoe ik me voelde. Eén keer kreeg ik een enorme huilbui omdat ik niet kon fietsen, niet kon zwemmen en niet kon schaatsen. Toen is mijn vader meteen de volgende dag rondjes met me gaan fietsen in het Spreeuwenpark, waar we woonden.

Na de lagere school ging ik naar de ambachtsschool. Ik wilde daar helemaal niet naar toe, ik dacht dat het toch nooit wat zou worden met me. Maar wat ik dan wel moest, daarvan had ik totaal geen idee, ik was een speelbal in de wind. Ondanks dat lage zelfbewustzijn had ik het verlangen om beroemd te worden, kon niet schelen waarin. Beroemd zijn was voor mij de ultieme vorm van acceptatie, denk ik.

Nog steeds verkerend in die schemertoestand, ik was een jaar of vijftien en werkte bij Shell als chemisch bedieningsvakman, ben ik bij het Nederlands Talen Instituut een schriftelijke cursus korte verhalen schrijven gaan volgen. Opstellen schrijven was op school het enige geweest wat ik echt leuk vond, en waar ik goed in was. Die nti-cursus heeft me de weg naar het theater gewezen, want op zeker moment moest je een recensie schrijven en ik besloot maar eens naar een toneelstuk te gaan kijken. Dat was Poker van Hugh Leo nard, met Ton van Duijnhoven, in het Cen traal Theater in de Amstelstraat. Ik was gevallen voor het mysterie van het kijkdoosje: het licht gaat uit, het gordijn gaat open en een andere wereld gloeit op.

Op het Shell-laboratorium vond ik het verschrikkelijk. Er heerste een nare sfeer, en het was extreem ongezond werk bovendien. In mijn vrije tijd ging ik, voor een grijpstuiver beloning, toneelrecensies schrijven voor de Noord-Amsterdammer. Ook in mijn militaire-diensttijd ben ik daarmee doorgegaan. In dienst werd ik voor het eerst een beetje mens. Ik ontmoette er aardige jongens, en het feit dat ik me kon handhaven gaf me zelfvertrouwen.

Het gevoel een outsider te zijn verdween pas toen het toneelschrijven goed op gang kwam. Ik kon in mijn stukken de werkelijkheid naar mijn hand zetten, laten zien dat de dingen niet altijd zijn zoals ze lijken. Het was begonnen met mijn gitaarlerares, die me een figurantenrol had bezorgd in een ad hoc-opvoering van De Spaanse Bra bander in het openluchttheater in Amster dam-Noord. Uit die productie is amateurtheatergroep Toets steen voortgekomen, met Ben Aerden als artistiek leider. Dat was een flamboyante ho mo, die woonde in een mooi huis op de Leid se gracht, waar vaak leuke feestjes waren. Hij stimuleerde me in het schrijven en regisseren, en tot zijn dood tien jaar geleden ben ik altijd met hem bevriend gebleven.

Mijn allereerste toneelstuk, een bewerking van een verhaal van Paul van Ostaijen, schreef ik onder pseudoniem. Ik zei dat de auteur een kennis van me was en niemand van de groep, ook Aerden niet, wist dat het van mij was.

Twintig jaar lang bleef toneel een liefhebberij naast mijn gewone leven. De professionele the a ter wereld was niet iets wat me speciaal trok, waar ik graag bij wilde horen. Wat ik wel idealiseerde, was de literatuur. Dat was een wereld waarin ik me thuis kon voelen, ik verslond de biografieën van Joyce en andere grote schrijvers. Een van de gelukkigste perioden in mijn leven was de tijd in mijn diensttijd dat ik met mijn enkel in het gips het verzameld werk van Ibsen las. Zijn absolute beheersing van de techniek van het toneelschrijven was een schok voor me.

Na verschillende baantjes kwam ik rond mijn 25ste op het Jan Swammer dam-instituut terecht, waar ze me vroegen om electronenmicroscopie te gaan doen, weefselonderzoek met speciale microscopen, een vak dat niemand nog beoefende. Dat deed ik met veel plezier, ik hou van de exactheid van wetenschap, en het had ook een grote esthetische waarde, die uitvergrote foto's van één levercel, een complete landkaart. Later ging ik op de universiteit van Nijmegen verder met electronenmicroscopie. Het liep erg goed, mijn baas en ik gingen voor onderzoek naar Amerika, we publiceerden veel. Er werden steeds hogere eisen aan me gesteld en het was duidelijk dat ik moest gaan kiezen voor de kunst of de wetenschap.

Kort ervoor, in 1980, had ik drie eenakters naar de vara gestuurd, die werden gespeeld en uitgezonden, en toen ging het eigenlijk maar door. Als de lente komt, een tv-film die de avro uitzond, had van de kijkers het waarderingscijfer 7,8 gekregen, dat was ongekend, het hoogste cijfer dat Nederlands drama ooit gehaald had. De producent kwam met die cijfers aanzetten tijdens een gesprek van mij en mijn mede-auteur met de programmadirecteur, die die film eigenlijk maar niks vond. Die programmabaas zegt: "Top!", en loopt op ons toe, een grote, dikke man. Ik dacht: "Hij gaat kussen", en inderdaad. Toen had ik het gevoel dat ik aangeraakt werd door alles wat voos en onoprecht is in Hilversum.

Het afscheid van de universiteit was moeilijk. Mijn baas, een Chinees, was net als Ben Aerden van Toetssteen een soort gids voor me geweest. Hij was een Pim Fortuyn-achtige homo die van het leven genoot en overal in geïnteresseerd was. Hij inspireerde me om de exactheid van de wetenschap toe te passen in de kunst. Ibsen, de "grote horlogemaker", had me al bewust gemaakt van de schoonheid van een perfecte schrijftechniek, die vergelijkbaar is met de schoonheid van een uurwerk, of van een laboratorium, of een microscoop. Nog steeds heb ik een lichte heimwee naar de wetenschap.

Ik heb er wel wat aan gemist dat er thuis niet gelezen werd en niet naar muziek geluisterd, maar mijn arbeidersafkomst heeft me ook voor een hoop onzin behoed, voor de totale onwaarachtigheid die soms heerst in bepaalde zogenaamd betere milieus. Ik zie het als een voordeel dat ik mijn werk heb moeten opbouwen vanuit een niet-kunstzinnige, niet-literaire wereld, want je kunt ook last hebben van grote voorbeelden.

En wat mijn homoseksualiteit betreft, die heeft me mijn jeugd gekost, maar voor het schrijven heb ik er veel aan gehad. Als homo ben je van nature getraind om te zien wat er schuilt achter de zichtbare werkelijkheid, en dat is een ideale houding voor een kunstenaar: de drang om te willen laten zien dat niets is wat het is.'

Meer over