'Ik martelde mijzelf met mijn negatieve gedachten'

Corine Koole interviewt mensen over lust & liefde. Deze week: Het lukte David (26) om de Fransman te veroveren op wie hij verliefd was. Maar de twijfel bleef.

null Beeld .
Beeld .

Hij kwam uit Frankrijk, studeerde in hetzelfde pand, ik vond hem leuk en onmiddellijk zette zich dat vervloekte mechanisme in werking dat ik ook wel eens mijn stappenplan noem: een kennismakingsritueel of noem het een ritueel van iemand het hof maken, waarbij ik niets of bijna niets zomaar kan laten gebeuren. In andere situaties houd ik juist van toeval, maar zodra het om de liefde gaat, of een glimp van de liefde, val ik ten prooi aan verwarring en een soort over-overbewustzijn waardoor iedere gedachte, iedere handeling een te groot gewicht krijgt. Ik wil vlinderachtig zijn, maar overdenk ieder woord. Ik wil gewoon afwachten, maar kan het niet laten al bij de eerste ontmoeting tot ver in de toekomst te plannen en in ieder gebaar of woord een betekenis te zien. De eerste keer dat ik hem sprak bijvoorbeeld, dacht ik zijn interesse voor mij te kunnen opmaken uit het feit dat hij in mijn buurt danste. Hij keek me vrolijk en afwachtend aan, in zijn ogen zag ik een lach. Maar soms keek hij snel weg. Het was juist het wegkijken dat me boeide, omdat hij er onwillekeurig mee duidelijk maakte dat er iets te veroveren viel, maar dat dit niet gemakkelijk zou gaan. Ik houd niet van jongens die, zoals laatst iemand, zomaar met een reep Tony Chocolonely voor mijn deur staan. Deze Fransman belichaamde avontuur. Hij zou verandering kunnen brengen in mijn leven, dat er plotseling nogal bleek uitzag zonder hem.

Samen dansen was stap één. Ik probeerde hem aan de praat te houden met grapjes en toen hij toch vertrok, gaf ik hem stoutmoedig een snelle kus. Wauw, zei hij, en hij speelde afwering, wat ik aantrekkelijk vond. Eenmaal thuis vond ik al zijn vriendschapsverzoek op Facebook. Ziezo, nu was stap twee genomen: hij had mijn naam onthouden.

De eerste afspraak

De volgende schrede was een afspraak het weekend erop. Ik nam hem mee naar het stadspark. Het had gesneeuwd. Hij kwam aangelopen met een grote muts op en een dikke sjaal om en een rode neus. Lief vond ik dat, die neus. Ook toen begon het meteen weer, het denken won het van het voelen. Ik had kunnen afwachten, alles was goed. Maar ik dacht: hoe groot is eigenlijk de ideale afstand tussen twee jongens, wandelend op een eerste date? Schouder aan schouder? Of moet er een meter tussen? Op die dansvloer moesten we dicht bij elkaar staan om ons verstaanbaar te maken, hier in het park moest ik zelf de regels maken. Ik had hem willen knuffelen, maar een aai over zijn rug kreeg geen vervolg, en pas toen we afscheid wilden nemen kusten we, een korte maar lieve kus. Eindelijk contact, zei hij.

Na deze derde stap gingen mijn gedachten al weer uit naar de volgende fase. Niet uit berekening, juist omdat ik twijfelde. Ik wilde hem zo graag. Deze ontmoeting maakte zo veel indruk dat die erom smeekte te worden benoemd, gekaderd, ingelijfd, of ik zou worden vermorzeld door mijn onzekerheid. De storm in mijn hoofd was ook na de eerste echte kus later die week nog niet gaan liggen of hij stak daarna meteen weer op. Wat was dit, waar ging dit naartoe, hoe weet je eigenlijk wanneer je je grote liefde hebt gevonden? Hoe vaak moet je appen of elkaar zien om vast te stellen dat die ander van je houdt?

Naast al het andere - verliefd, blij, trots - was ik wanhopig. We zagen elkaar misschien vaak genoeg en ook overdag op school stuurden we elkaar berichten, maar het zat me dwars dat we onze verhouding nog steeds geen officiële naam hadden gegeven. Het zou geweldig zijn als hij zou uitspreken dat ik zijn geliefde was. Waarom deed hij dat eigenlijk niet? Vergiste ik me soms in de aard van onze verhouding? Zag ik er meer in dan hij?

Thuis, in mijn eentje, herhaalde ik in mijn hoofd alles wat tussen ons gezegd en gedaan was. De ene keer zag ik in zijn gedrag het bewijs van liefde, een moment later interpreteerde ik datzelfde gedrag als een afwijzing en voelde ik me belachelijk en miserabel. Hij had een keer gezegd dat hij niet geloofde in langdurige relaties, wilde hij mij daarmee iets duidelijk maken? Als hij me eens zou zeggen dat we een stel waren, zou alle onrust vast verdwijnen.

Op een avond stelde ik hem de vraag waarvan ik ieder woord van tevoren had geoefend en gewogen. Eerst telde ik tot tien, toen zei ik: is het oké als ik me je vriend noem? Hij was verbaasd en zei kalm: ja, dat is oké. Maar dat wist je toch al?

Officieel een stel

Ik was dolblij met zijn antwoord. Ik genoot nog meer van onze boswandelingen, van de manier waarop hij een steen kon oppakken en hem bekeek alsof het iets bijzonders was. Hoera, we waren officieel een stel. Maar al snel dook de ongerustheid weer op. Was ik wel goed genoeg? Verveelde hij zich niet bij mij? Nu het voor iedereen duidelijk was dat we bij elkaar hoorden, wilde ik ook horen dat hij van me hield. Waarom, sprak een stem in mijn hoofd, had hij eigenlijk na maanden nog niet gezegd dat hij van me hield? Zo ging het maar door, ik martelde mijzelf met zulke gedachten, die tussen ons in kwamen te staan.

Na een half jaar maakte mijn vriend het uit. Het ging hem te snel allemaal, er kwam te veel op hem af. Toen hij dat zei, begon hij te huilen. Ik huilde pas toen hij weg was. Zie je wel, dacht ik, ik heb het al die tijd geweten. Mijn intuïtie was toch goed, mijn onzekerheid had een grond. Of was onze breuk juist versneld door diezelfde onzekerheid? Daar begon het twijfelen weer.

Als afscheid maakten we een bootje van alle parafernalia uit onze tijd samen. Een Franse theaterfolder werd de romp, Parijse metrokaartjes de wimpels. Samen hebben we hem te water gelaten. Het schip zonk al na een paar minuten.'

Op verzoek van de geïnterviewde is de naam David gefingeerd. Ook geïnterviewd worden over liefde en lust? Mail een korte toelichting naar lust@volkskrant.nl

Meer over