Ik kan nu twee kanten op

In de proloog van zijn roman Groente, uit 1991, schreef Atte Jongstra: 'Als ik op mijn herinneringen terugkijk, zie ik een bloemkool....

En in de epiloog citeert hij Jean Genet: 'Alles gaat ervandoor.'

Waar andere schrijvers streven naar 'heelheid' - zoals Jongstra het noemt -, naar structuur, naar logica, consistentie, continuïteit, systeem, stelt hij zich al tevreden met 'zwakke samenhang', naar de terminologie van de chaos-wiskundige Benoit Mandelbrot, die 'overal tegelijkertijd iets anders ziet' en voor wie een bloemkool 'evenveel waarheid' bevat als een driehoek.

Het ontbreken van een kern, of in elk geval, een kern die aan het gezicht wordt onttrokken, vormt eveneens het fundament van de essays waarin Jongstra zijn literaire voorkeuren bespreekt, Familieportet. Hij schrijft over wat hij zich niet meer exact weet te herinneren, over verbanden die hij is vergeten, en over schrijvers die hun werk zo organiseren dat het vooral het toeval en de associaties zijn waarop de zeggingskracht van dat werk berust.

Die voorkeuren zijn Nikolaj Gogol, Laurence Sterne, Multatuli, Montaigne, Willem Brakman en Herman Teirlinck, en hun onderlinge verwantschap schuilt in het volledig onzichtbaar zijn van alles wat zou kunnen verwijzen naar plot of boodschap, opzet of richting. En het bijzondere aan het boek is dat dat stuurloze nu eens niet wordt gezien als een weerspiegeling van de realiteit, maar als een essentie van de literatuur zelf.

Het consequente van die voorkeur wordt nog eens extra gemotiveerd in een verslag van een reis naar IJsland. Jongstra beschrijft de sensaties die zich van hem meester maken als hij door een gebied van gestolde lava trekt. Die lava ligt er nog niet zo lang, een paar jaar misschien. En onder die laag ligt iets wat je niet zien kunt, modder vermoedelijk - waar je in wegzakt als het gesteente plotseling zou barsten.

In het stuk over Gogol, over Dode zielen, weet Jongstra de suggestie kracht bij te zetten dat het boek zijn kwaliteiten volledig ontleent aan die dubbele bodem. Aan de oppervlakte wordt van alles en nog wat in het werk gezet om van alles en nog wat te beschrijven, maar het is steeds weer de buitenkant, de inhoud blijft achterwege, en wat er werkelijk in al die figuren omgaat raakt volledig bedolven onder de kakelende stijl. Zelfs als Gogol de reiskoffer van zijn held beschrijft en vertelt dat deze allerlei ingewikkelde vakken bevat gaat de boel direct op slot en blijft de inhoud onbesproken. Het boek, aldus Jongstra, bestuurt zichzelf, 'het wil slechts over zichzelf praten'.

Dezelfde procedure wordt aangetroffen bij Brakman en Multatuli. 'Alles bij Brakman, hoe bont ook geschilderd, heeft de kleur van het vertellen.' Dat het in die romans al lang niet meer om een navertelbare inhoud gaat, is evengoed te verdedigen als Gogols beslissing een deel van zijn boek in het vuur te gooien, respectievelijk het besluit van Laurence Sterne om midden in een zin A Sentimental Journey te onderbreken om vervolgens te overlijden.

Jongstra wordt boos als hij merkt dat er lezers zijn die denken dat Miljoenenstudiën over een systeem zou gaan waarmee je een casino kunt laten springen. Onzin: het boek gaat over taal, over toeval, over de moeizame greep op de chaos, over de rookgordijnen die het eventuele bestaan van een systeem (of een kern) aan de empirie onttrekken. Het wereldbeeld is ongemechaniseerd, de werkelijkheid van de literatuur leent zicn niet (of slecht) voor 'abstracte, euclidische ideografieën'.

Wat Jongstra en zijn literaire portrettengalerij verbindt, is vooral de voorliefde voor wat Kees Fens ooit 'virtuoos geouwehoer' heeft genoemd.

Gogol: 'Toen Nozdrjov weer terugkwam liet hij zijn gasten alles bezichtigen wat er maar op zijn landgoed te bezichtigen was, en in ruim twee uur liet hij ze werkelijk alles zien, zodat er absoluut niets bezienswaardigs meer over was.'

Sterne: 'I have a strong propensity in me to begin this chapter very nonsensically.'

Brakman: 'Eerst toen men dreigde hem met geweld tot inzicht te brengen stemde hij toe, maar alleen als het orakel in Scheveningen dat aanbeval.'

Jongstra: 'Ik kan twee kanten op met dit essay. De Moezel smelt na de paringsdans samen met de Rijn en er is veel voor te zeggen om de Rijn dan maar te volgen tot het punt waarop deze bij Katwijk in de Noordzee uitmondt.'

Volgens Du Perron is het enige wapen tegen de afgunst de bewondering. Het meest adequate verzet tegen de chaos, ook dat is in dit boek opnieuw te lezen, is de literatuur. Familieportret is een soevereine uitbreiding van de spelregels.

Atte Jongstra: Familieportet. Essays. Contact, ¿ 39,90.

Meer over