Ik kan me geen lusteloosheid meer veroorloven

null Beeld de Volkskrant
Beeld de Volkskrant

Vandaag weet ik niet zo goed wat ik met de dag aan moet. Ik heb van die dagen. Er is een soort lusteloosheid in me. Dat kan ik beter niet laten merken aan de buitenwereld, want die is vol goede moed. Men zou het niet begrijpen. Kijk naar buiten: de vogels vliegen, de zon schijnt.

Het openingsgedicht van de Verzamelde gedichten van Hendrik Marsman (Querido, 1982) luidt:

Schuimende morgen

en mijn vuren lach

drinkt uit ontzaggelijke schalen

van lucht en aarde

den opalen dag.

Marsmans gretigheid om de dag in te gaan deel ik vandaag niet. Ik blijf hangen in 'geen zin'. En op de achtergrond laat verdriet zijn vage sporen na. Waar komt dat vandaan? Misschien omdat ik gisteren van Anna Enquist Een tuin in de winter - Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar heb gelezen (De Arbeiderspers, 2017).

Enquist schrijft: 'Over zijn communistische periode (Gerrit schreef voor De Waarheid, R.C.) sprak Gerrit zelden; over zijn vrienden de Vijftigers des te meer. Misschien omdat de een na de ander ziek werd en stierf. Dan moest Gerrit weer een afscheidsgedicht schrijven, en ineens waren alleen Remco en hijzelf nog over.' En sinds een paar jaar ben ik nog over. Alleen. Ik denk nog regelmatig aan mijn gestorven Vijftigers Lucebert, Bert Schierbeek, Jan Elburg en Gerrit Kouwenaar.

Op een zomerse dag tijdens Poetry International zaten Gerrit en ik buiten op een bankje, niet ver van de Rotterdamse haven. Waar we waren stonden veel bomen. Er lag een vracht van blaren op de grond. Ik sprak de woorden: 'Kijk, het heeft gewaaid.' Gerrit schreef daarna het gedicht dat dezelfde woorden als titel had:

Kijk, het heeft gewaaid

op het kleine bladstille plein

lagen groen de bladeren die er niet hoorden

het was een zomer zoals het behoorde

totaal als de oorlog die elders woedde

terwijl de stad als een bom lag te dromen

moest er een droom zijn geweest die niet droomde

iets om even te schrikken, in woorden, terwijl

de rivier de vrienden voorbijstroomde

zij spraken over taalgebruik tandbederf aan

staande doden, schatten de roerloze tegenoever

prezen de dag tot diep in het donker, het was

zoals het altijd geweest was

En zo was het en is het. Ik kan me geen lusteloosheid meer veroorloven.

Meer over