'Ik heb mijn wereld' stap voor stap vergroot'

H. is opgegroeid in een streng gereformeerd milieu. Stap voor stap heeft ze zich bevrijd uit het keurslijf van haar opvoeding....

'In Wemeldinge, het Zeeuwse dorpje waar ik vandaan kom, had je vijf kerkgenootschappen. Mijn ouders waren lid van de Gereformeerde Gemeente, een streng-orthodoxe afsplitsing van de gereformeerde kerk. Of je uitverkoren bent, dat weet je niet. De almachtige God verlangt van je dat je je volledig onderwerpt aan zijn wil, en dat betekent strikt leven volgens de regels van de kerk. Werelds vermaak is verboden. Er wordt soberheid, matigheid en zedigheid van je verwacht en aan de zondagsrust wordt strak de hand gehouden. Het was een kleine, saaie en benauwde wereld waarin ik opgroeide.

Mijn vader was altijd met het geloof bezig. Hij las prekenboeken, ging op zondag twee keer naar de kerk. Hij hield van ons, maar had niet zoveel gevoel voor kinderen. Mijn moeder gunde mij en mijn broer toen we klein waren weleens een pleziertje. Dan nam ze ons mee naar de kermis en mochten we in de botsautootjes. Maar dansen was iets wat absoluut niet kon. Dat was duivels, niet ter ere van God. Ook in de huiskamer mocht ik niet dansen. Terwijl ik dol was op ballet, toneel en muziek. In de laatste klas van de lagere school werd de musical Grease opgevoerd door de leerlingen. Ik had dolgraag meegedaan, maar dit soort dingen bracht ik thuis niet eens meer ter sprake. Een paar jaar eerder speelde ik cornet in de fanfare van de Oranjevereniging. De diaken waarschuwde mijn ouders dat ik misschien weleens op zondag zou moeten optreden en vond het beter dat ik ermee stopte. Mijn moeder gaf hem zijn zin, "anders komen er maar praatjes van".

Vanaf mijn 8ste begon ik me te verzetten tegen het keurslijf waarin ik zat. Ik begreep al die verboden niet, maar als ik vroeg waarom iets niet mocht, was het antwoord alleen: "Zo willen wij jou niet opvoeden." Ik deed veel stiekem, leidde een soort dubbelleven.

Maar vaak gehoorzaamde ik ook wél. Als mijn ouders erachter gekomen waren dat ik bepaalde dingen had gedaan, zouden ze gezegd hebben: "Je hebt ons verlaten", en dat wilde ik niet. Mijn moeder moest vaak om mij huilen. Ze was bang dat ik het verkeerde pad op zou gaan. Mijn oudere broer gaf geen problemen. Die deed jongensdingen, hutten bouwen en zo, en dat mocht wel. Ook nu nog leeft hij volgens de regels van de kerk.

De lagere school was "gewoon" christelijk, maar de reformatorische mavo in Goes was een ramp. Ik had een clubje vriendinnen die zich net als ik afzetten tegen het strakke regime thuis en op school. We moesten lange rokken dragen in de klas. De rok trokken we aan over onze lange broek, en rolden de pijpen op. De leraren wisten dat wel en letten altijd scherp op. Als er een broekspijp naar beneden was gezakt, werd je de klas uitgestuurd.

Daarna, op de havo, heb ik wel een paar leuke jaren gehad. Het was een normale school, waar ook weleens een feest was. Maar ik voelde me toch ook eenzaam, want thuis was er altijd die benauwde, bedrukte sfeer. Ik ging naar cafés, tegen de wil van mijn ouders. Ze waren niet tegen me opgewassen. Ik wilde niet leven in afhankelijkheid van de genade van God, zoals ik had geleerd, ook al gaf me dat een gevoel van zondigheid.

Na de havo had ik eigenlijk ook nog het vwo willen doen, om later naar de universiteit te kunnen gaan. Ik weet niet meer precies waarom dat er niet van gekomen is. Mijn vader en moeder vonden het in elk geval niet nodig. Anders dan mijn broer werd ik niet gestimuleerd verder te leren. Mijn bestemming was trouwen en kinderen krijgen. Ik ging naar Zierikzee om daar in het ziekenhuis de interne verpleegstersopleiding te doen. Zo kon ik in elk geval het huis uit en mijn eigen geld verdienen.

Mijn ouders hadden altijd bepaald met wie ik mocht omgaan. Als bleek dat een vriendinnetje uit een te werelds gezin kwam, kapten ze de vriendschap af. Jarenlang had ik maar één vriendinnetje, dat drie jaar jonger was dan ik. Door gebrek aan vrijheid was ik niet aan puberen toegekomen. Omdat ik zo eenkennig was opgevoed, kon ik geen aansluiting vinden bij mijn collega's in het ziekenhuis. Om toch contact te krijgen, maakte ik soms rare sprongen. Dan lokte ik mensen uit en dat maakte mijn onzekerheid en geremdheid alleen maar erger.

In het ziekenhuis ontmoette ik Djin, een gynaecoloog van Hindoestaans-Surinaamse afkomst. Ik was 21, hij was 38, getrouwd en had twee kinderen. Ik voelde me totaal niet schuldig over mijn relatie met hem. Zonder hem was ik in een diep, zwart gat blijven zitten. Hij kwam als een geschenk uit de hemel. Ik zag een voorbeeld in hem. Hij had een prettige sfeer om zich heen, was relaxed en toch ambitieus. Hij genoot erg van het leven. We lachten veel samen en deden gekke dingen. Soms brachten we de nacht door op zijn kamer in het ziekenhuis en dan klom ik 's ochtends van de tweede verdieping naar be neden. Na drie jaar vertrok hij met zijn gezin naar Suriname. Ik miste hem erg, want hij was de boom waarop ik parasiteerde.

Ik haalde mijn verpleegstersdiploma, maar wilde een andere richting op. Het beviel me niet dat je je altijd maar moest schikken naar de wil van de artsen en de regels van het ziekenhuis. Djin had voor hij wegging nog een woning voor me geregeld in de Bijlmer in Amsterdam en ik ging studeren aan de Ho geschool in Diemen, de lerarenopleiding biologie. Maar ook lesgeven leek me bij nader inzien weinig bevredigend. Ik wilde de wereld veranderen, of in elk geval de wereld beter snappen en invloed uitoefenen. Daarom ging ik milieukunde studeren. Als ik iets goeds heb overgehouden van mijn opvoeding, is het wel het besef dat je niet alleen leeft voor tijdelijke pleziertjes, maar ook om een hoger doel te bereiken.

Naast mijn studie werkte ik voor het Milieucentrum Amsterdam. Er waren plannen om het kunstenaarsdorp Ruigoord op te offeren aan de economische ontwikkeling van het Amsterdamse havengebied, en naar aanleiding daarvan ben ik een keer naar een commissievergadering van de gemeenteraad gegaan. Zo kwam ik in contact met Roel. Ik vond hem erg leuk, maar dacht dat hij te hoog gegrepen was voor mij. Hij had al een heel leven achter de rug, en hij had een gezin. Bovendien was hij bijna 25 jaar ouder dan ik. Maar toch liet hij me niet los. Ik ben op zekere dag zijn kamer in het gemeentehuis binnengestapt en heb gezegd dat ik als vrijwilliger voor de fractie kwam werken. Dat ben ik blijven doen tot Roel afgelopen april na dertig jaar uit de gemeenteraad is gegaan.

Ik vond het fijn om met hem te praten. Hij was geïnteresseerd in mijn gereformeerde achtergrond, dat was onbekend terrein voor hem. Ik merkte dat hij mij echt als individu zag. Inmiddels was ik steeds verliefder geworden en met enige moeite heb ik hem uiteindelijk verleid. Ik wist dat zijn huwelijk niet goed was. Dat was gekomen toen zijn vrouw ziek werd en weigerde zich te laten behandelen. In plaats daarvan volgde ze, tegen alle medische logica in, een streng macrobiotisch dieet en daar dwong ze ook hun dochtertje min of meer toe. Een week nadat ik hem eindelijk zo ver had gekregen dat hij bij me kwam eten, stond hij op een ochtend voor mijn deur. Hij had zijn keus gemaakt.

Djin de gynaecoloog had mij geleerd dat ik ook los van mijn ouders een nieuw leven kon opbouwen, van Roel leerde ik dat je een vrij mens kunt zijn door vrij te denken. Ik had gehoord dat hij als provo in de jaren zes tig een bevrijdende rol in de maatschappij had gespeeld en ik vond dat heel bijzonder. Hij gaf me het zelfvertrouwen mijn ambities te kunnen verwezenlijken en mijn eigen ideeën serieus te nemen. De laatste jaren heb ik als duo-raadslid allerlei plannen ontwikkeld die ook daadwerkelijk invloed hebben gehad. Er is nu bijvoorbeeld meer aandacht voor het stadsgroen in Amsterdam.

In de elf jaar dat ik in Amsterdam woon, heb ik mijn wereld stap voor stap vergroot. Maar ik ben nog niet los van het verleden, het zit als een dikke koek om me heen. Ik merk het bijvoorbeeld in de opvoeding van Alisa, Roels dochter van bijna 11. Als ik haar iets verbied, twijfel ik vaak of ik daar wel goed aan doe. Aan de ene kant weet ik dat je een kind normen en waarden moet bijbrengen, aan de andere kant heb ik de neiging haar nergens in te belemmeren. Dan hoor ik nog de stemmen van vroeger en heb ik moeite erachter te komen wat ik nu zelf denk.'

N.B.: Dit artikel is op verzoek van geïnterviewde en na goedkeuring van de hoofdredactie van de Volkskrant geanonimiseerd in maart 2015.

Meer over