'Ik heb geen behoefte aan een therapie'

Hij is bestsellerauteur in Duitsland en won er belangrijke literaire prijzen. Ook elders wordt hij veel vertaald. Afgelopen donderdag werd hij zeventig....

Door Arjan Peters

Het komend najaar moet ik eraan geloven: tijdens de Frankfurter Buchmesse in oktober worden 'de eerste drie delen van mijn Verzameld Werk in het Duits bij uitgeverij Suhrkamp gepresenteerd – dat is geraamd op in totaal acht delen van zo'n achthonderd pagina's – , er komen voorleesavonden en symposia in Spanje, Duitsland en België. Begin december een poëzieprogramma in Den Haag, op 17 december een feestelijke avond in de Balie in Amsterdam. Van schrijven of lezen zal dan niet veel komen. Dat moet deze zomer gebeuren, volgens het vaste schema: vijfhonderd woorden per dag, geschreven met de hand. Ik zit te denken aan een boek over Venetië. Maar als ik dát ga doen, wil ik er ook naartoe, en kan ik iets anders voorlopig niet doen.

'Dit voorjaar is me iets eigenaardigs overkomen. In 1958 is mijn debuut Philip en de anderen (1955) al eens in het Duits vertaald als Das Paradies ist nebenan. Leverde me één negatieve kritiek op – die met gretigheid in Vrij Nederland werd gesignaleerd. Maar in juli 1988 las ik voor uit het vertaalde Rituelen (1980) in een Berlijnse boekhandel. De uitbaatster bood me de gelegenheid een boek uit te zoeken. Ik koos een dik boek over Schopenhauer. De mensen in die zaak begonnen te lachen. Waarom?, vroeg ik, soms omdat een Hollander meteen het duurste boek pakt? Nee, zeiden ze, maar de auteur is hier aanwezig: de filosoof en biograaf Rüdiger Safranski. Die werd er bijgehaald, om het te signeren. Dat is goed, zei hij, als ú dan dit signeert – en hij haalde uit zijn zak Das Paradies ist nebenan, de uitgave uit 1958 die ik nooit meer had gezien. Bleek sinds zijn vijftiende zijn favoriete boek te zijn. 'Bei uns auf der Schule war dies der Geheimtip.' Omdat hij nooit meer iets van die Nooteboom had vernomen, had hij al die tijd gedacht dat ik dood was. Later heeft hij opgemerkt dat dat misschien ook beter was geweest – toen hij erachter was gekomen dat ik zelf niet uitzinnig jubel over de 'poëtische magie' van dat boek – zoals hij dat oprecht kan doen.

'In de afgelopen jaren heeft de pocket van die eerste vertaling bijna honderdduizend exemplaren gehaald. Dit voorjaar is er een nieuwe vertaling verschenen, Philip und die anderen getiteld, en het is opnieuw een succes. Bijna een halve eeuw nadat ik het heb geschreven, word ik in talkshows uitgenodigd en moet ik er weer uit voorlezen. Ik moet zeggen: dat kan ik niet een hele avond. Het is een puur boek, romantisch, zonder filosofie of ironie. Niet dat ik me ervoor schaam, ik vernein het niet, maar ik ben in de loop der jaren onherroepelijk veranderd. Er is toch altijd een lichte gêne bij de aanblik van je eigen onschuld.

'Kort na de oorlog had je Hermans, die boven alles uit torende. Verder had je De Avonden van Reve, waarin het naoorlogse grijze Nederland wordt getekend zoals het was; én je had Philip en de anderen, dat een droomboek is. Ik denk dat ik dit moest schrijven – ik was toen 21, 22; het eerste deel schreef ik in de Openbare Leeszaal in Hilversum – om het uit te houden. Dat heeft te maken met mijn achtergrond: geboren in 1933, vele malen verhuisd, ouders gescheiden in 1943, vader – die ik nauwelijks heb gekend – in 1945 omgekomen als gevolg van het bombardement op het Bezuidenhout, pleeggezin, kostscholen. Alles mis, gedurende lange tijd.

'Toen moet ik een innerlijke wereld hebben opgebouwd die bestond uit merkwaardige droomgebieden, en dat boek is er toen gewoon uit geschóten. En daarna had ik een probleem. Want toen was ik ineens een schrijver. Waar ik helemaal niet klaar voor was. Ik ben gaan reizen, naar Suriname, de Derde Wereld, de tropen, de Hongaarse opstand in Boedapest, 1956: die ervaringen hebben me goed wakker geschud. Dat droomwereldje bleek niet meer te handhaven.

'Ik schreef wel verhalen, maar zat toch met dat probleem, dat aan de orde komt in De ridder is gestorven (1963) waarin ik de arme auteur zelfmoord laat plegen. Ik zeg altijd: waarschijnlijk om het zelf niet te hoeven doen. Daarna heb ik zeventien jaar geen fictie meer geschreven.

'Er is alleen één ding: al die tijd dat je reist en stukken in de krant schrijft, wéét je dat je op den duur toch iets anders zult gaan doen. Maar dat het ogenblik er niet is. Om je heen knallen je vrienden er het ene boek na het andere uit, en zelf wacht je. Op Rituelen, weet ik nu. Vanaf dat moment heb ik die reisstukken afgewisseld met romans, gedichten en verhalen. Toen had ik gevonden wat ik eigenlijk wilde. De droomwereld, niet de tastbare, maar misschien wél de echte en ware, zoals het in Philip en de anderen nog onverhuld heet, is in het latere werk nooit helemaal afwezig, maar wordt – om Safranski te citeren – door ideeën en ironie omzwachteld. De schrijver is intussen gewapend. Ik heb meer overzicht.

'Wat niet wil zeggen dat ik daarna precies weet wat ik doe. Toen ik de opdracht kreeg voor het Boekenweekgeschenk 1991, had ik geen idee. Instinct heeft me naar Lissabon gedreven. Een week lang maakte ik aantekeningen, die later het decor bleken te zijn van Het volgende verhaal. Pas toen ik weer in Spanje op mijn plek zat, kwam er een hoofdpersoon in dat decor te staan. En vanaf dat moment vloog het eruit.

'Toen Philip en de anderen in het Nederland van 1955 verscheen, schreef Jan Greshoff in Het Vaderland dat ik bij machte was 'aan de fantasie de onherroepelijke nauwkeurigheid van een kopergravure te geven'. Daar was ik toen verguld mee. Er zijn meer mensen die, net als Safranski, iets aan dat boek hebben ontleend. De journalist Karel van Wolferen heeft me verteld dat hij dáárdoor op zijn achttiende op reis is gegaan, en uiteindelijk heeft hij 25 jaar in Japan gezeten – zo ver was ik toen nog nooit geweest.

'In 1987 gaf ik les in Berkeley aan jonge Amerikaanse studenten. Ik diende daar de boeken te behandelen die toen van mij vertaald waren. Zij maakten toen een lijst met de titels die zij het mooist vonden. Bovenaan: Philip en de anderen. Vond ik helemaal niet zo leuk. Later dacht ik dat het niet zo onlogisch was: die studenten waren zo jong als ik toen ik het schreef. Echt, een ander boek was er niet in te rituelen.

'Ik heb er niet zo'n oordeel over. Misschien ben ik de laatste om dat goed te kunnen. Als ik het omslag bekijk, met dat vroege portret van Johan van der Keuken, dan kan ik niet ontkennen dat ik dat was, maar toch kijk ik naar een raadsel.

'Hoezeer ik ook geïnteresseerd ben in geschiedenis, ik ben geen graver in mijn eigen verleden. Nabokov had zijn jeugd helder voor zich, en kon Speak memory! zo schrijven. Hij hoefde niet te zoeken. Ik daarentegen weet niks meer van de tijd voor de oorlog. Die eerste zes jaar zijn volledig uit mijn geheugen weggewaaid met de donderende klap van 10 mei 1940, de luchtaanval van Stuka's op het vliegveld Ypenburg, waar wij toen vlakbij woonden. En dat laat ik zo. Geen behoefte aan een therapie of autobiografisch onderzoek naar mijzelf of mijn vader. Ik vind het belangrijker materiaal te gebruiken om dingen te verzi ¿ nnen. Rituelen is natuurlijk deels autobiografisch: het gaat over wat het is als je zo vanaf je achtste geen vader meer hebt. Ook in Allerzielen (1998) zitten autobiografische elementen. Maar als je de werkelijkheid gaat ontrafelen in dienst van de bekentenisindustrie, dan komt er nooit meer die chemische of alchemistische toverkunst bij kijken waardoor iets fictie wordt.

'Nee: geen autobiografie. En ook geen biografie – die altijd een vertekend schaduwbeeld geeft. Mijn medewerking krijgen ze niet. Geen zin om zo'n publieke persoon te worden die moet beantwoorden aan wat men van je weet. Dat neemt allemaal iets af van een zekere anonimiteit en onzichtbaarheid van waaruit je moet kunnen blijven opereren.

'Ik ben veel weg, altijd al geweest, met als gevolg dat ik me hier en daar buitengesloten voel. Zo erg vind ik dat niet. Uiteindelijk blijft alleen het werk over. Zoals we wel Don Quijote kennen, maar bijna niets van Cervantes weten. Of zoals de Duitsers sinds kort Willem Frederik Hermans hebben ontdekt: de man is overleden, er kan geen ruis tussenkomen, zodat het werk met volle kracht op je af komt.

'Als mensen voor me opstaan in de tram – 'Wilt u zitten?' – , dán weet ik dat ik niet jong meer ben. Zelf voel je dat niet zo. Ik zie wel een bepaalde eindigheid, maar ga niet gebogen op weg naar het einde. Iedere zomer zit ik in mijn huis op Menorca. Uit de turbulentie in de grote stilte. Daar werk ik veel, zwem, maak grote wandelingen. Mensen ken ik er nauwelijks. Een paar bomen ja, di ¿ e heb ik in de afgelopen dertig jaar goed leren kennen.'

Meer over