Ik haat zadels

Een lastige maand, juli. Ik houd niet van fietsen en ik houd niet van Frankrijk. Een tijd geleden ontmoette ik Bert Wagendorp....

Nico Dijkshoorn

Bert herkent renners als ze met 60 kilometer per uur voorbijrijden. Hij ziet welk verzet ze rijden. Hij heeft een speciale oven thuis waarin je Franse stokbroden kunt bakken. Ik zie alleen maar een gekleurde veeg voorbijkomen en eet casino.

Ik zou ook zo graag van wielrenners houden. Net als Wilfried de Jong mijn hand losjes op hun dij willen leggen en een kennersvraag stellen: ‘Leo, ik zag je je nieren op de eerste col al helemaal in het vet trappen. Heb je je blaasbikkel misschien te vroeg op zout zaad gezet?’

Maar het zit er niet in. Ik haat zadels. Ik ervaar fietsen als iets tegennatuurlijks. Zo kan het wiel nooit bedoeld zijn, om er in nauwsluitende tenues mee door Frankrijk te rijden.

Toch heb ik het dit weekeinde weer geprobeerd. Houden van wielrennen. Het scheelt dat er geen uitgesproken favorieten zijn, deze Tour de France Als je een redelijk bekende naam roept, lijkt het al snel of je er een beetje kijk op hebt.

Zaterdag ben ik voor de televisie gaan zitten en ik heb het precies een uur volgehouden. Het heeft, denk ik, met die Franse dorpjes te maken. Als ik de renners door een dorpsstraat zie denderen, doet mij dat denken aan al die keren dat ik wanhopig aan onwillige Franse bakkertjes, slagers, fruitverkopers of garagehouders stond uit te leggen wat ik wilde. En dat ik het nooit kreeg.

Wurgend zijn de beelden van de Tour. Steeds in een flits al die rotpleintjes van 53 graden Celsius, waar je met je vriendin moest uitstappen omdat er een heel geinig kerkje stond.

Iets positiefs. Het schijnt dat in veel verzorgingshuizen naar de Tour de France wordt gekeken. Veel ouderen beleven plezier aan de beelden van het Franse landschap. Het geluid staat uit en men kijkt ernaar zoals je soms naar een draaiende wasmachine kijkt of zoals je met wat zwijgende mannen bij een bouwterrein voorbij waaiend zand volgt.

Ik heb Radio 1 opgezet. Het werd me goed ingepeperd. Eerst hoorde ik Rowen Hèze weemoedig zingen over wielrennen en meteen daarna vertelde Philip Freriks hoe in de buurt van Brest een uit varkenspens en gemalen darm bestaande worst aan zijn karakteristieke smaak komt. Door hem in bloed te koken en daarna te roken.

Ik geef me over. Ik ga het allemaal maar gewoon als een volwassen man uitzitten. Het is niet anders. Martin Bril keutelt een zomer lang om zijn Franse huisje en schrijft binnenkort weer prachtig over een gieter die bijna omviel, met alle gevolgen van dien. Reve had een Frans huisje. Iedereen die schrijft heeft een Frans huisje. Behalve ik. Ik heb een bank, Hollands eten en geen fiets.

Meer over