'Ik doe te veel,veel te veel'

P>Niks hoofd- en bijrollen. Mariss Jansons wordt straks dirigent bij het Concertgebouworkest én bij de Bayerische Rundfunk. Weg uit Pittsburgh, terug naar Europa, geen slopende jet lags meer....

'Het Concertgebouworkest heeft een serieuze, diepe benadering van de muziek. Doordacht. De mentaliteit is trots. Dat mag ik wel. Altijd maar willen werken aan de kwaliteit. Uitstekend.'

'Wie had nou gedacht dat Riccardo Chailly weg zou gaan bij het Concertgebouworkest? Jullie in Nederland toch ook niet? Niemand toch?'

Mariss Jansons zegt nog steeds niet goed te begrijpen wat Chailly heeft bezield, toen die vorig jaar zijn vertrek uit Amsterdam aankondigde. 'Die combinatie doet het toch werkelijk prima - ik was totaal verrast.'

Pittsburgh, Pennsylvania. Naast de dienstlift in de Heinz Hall, zetel van het Pittsburgh Symphony Orchestra, hangen de portretten van Otto Klemperer, Fritz Reiner, William Steinberg, Andre Previn, Lorin Maazel en Mariss Jansons. De tekenaar zal binnenkort weer aan het werk moeten, want de chefdirigent aan het eind van het rijtje vertrekt in 2004. Zeven jaar nadat Pittsburgh Mariss Jansons in algehele euforie binnenhaalde, en de honkbalpetjes met goudgeborduurde Jansons-signering bij duizenden over de toonbank vlogen, zal Jansons in Amsterdam Chailly opvolgen. Komend najaar wordt Jansons ook chef bij de Bayerische Rundfunk in München. Dat had hij al eerder afgesproken.

Jansons wijst op zijn roodomrande ogen. 'Zeg eerlijk, zie ik er uitgerust uit? Ik dacht van niet. Terwijl ik hier toch al weer een aardig tijdje geleden uit het vliegtuig ben gestapt. Het is de jet lag. Die is killing, elke keer weer. Vijf, zes keer per jaar. Dat sloopt me. Daarom ga ik weg uit Pittsburgh. Ik kan het tijdverschil met Europa niet aan. Het herstel kost me telkens een paar weken. Zonde van de tijd. Zoiets druist op den duur in tegen je verantwoordelijkheidsgevoel.'

Er valt iets recht te zetten, vindt Jansons. Hij heeft zijn chefdirigentschap in Pittsburgh níet opgegeven omdat Amsterdam lonkte. 'Ik weet dat iedereen dat denkt, maar het idee alleen al staat me tegen. Ik wás al bezig met weggaan. Ze wisten dat hier in kleine kring, toen niemand nog van Chailly's vertrek had gehoord. Alleen, zoiets breng je niet lukraak naar buiten.'

De musici van het Concertgebouworkest wezen hem afgelopen zomer aan als de ideale opvolger. Vervolgens bleef het maandenlang stil. Witte rook kringelde pas in oktober boven het Museumplein. 'Ik ben niet iemand van snelle beslissingen, en zeker niet iemand van de snelle carrière. Ik heb nergens zo'n hekel aan als aan overhaaste stappen. I am not forcing anything.' In Jansons' Letse tongval klinkt het als 'ennisink'.

Zijn wieg stond zestig jaar geleden in Riga. Mariss' vader Arvid Jansons was er dirigent van het operahuis. Moeder Jansons zong er mezzosopraanrollen. De Opera was Mariss' crèche, de repetitiezaal zijn kinderkamer. Op zijn derde besloot hij een eigen orkest te formeren, een ensemble van spelden en knopen. Hij dirigeerde het met een potlood, boven een opengeslagen prentenboek. 'Slava, zorg later goed voor mijn zoon', zei Arvid Jansons tegen een vriend die op bezoek kwam, de cellist Rostropovich.

Rostropovich zal ook vanavond weer langs komen met de cello, maar nu in de Heinz Hall, bij het Happy 60th Birthday Mariss Jansons-gala waarmee het orkest van Pittsburgh zodadelijk zijn chef zal uitluiden - nee, nog net niet officieel, maar het scheelt niet veel. Het gala was oorspronkelijk gepland als een jubelbenefiet, maar heeft sluipenderwijs het karakter aangenomen van een afscheidsplechtigheid. Jansons, die toch al moeite had zich te laten overhalen tot het project (volgens orkestdirecteur Toeplitz was hij bang daags na de viering dood te gaan), heeft na de bekendmaking van zijn vertrek uit Pittsburgh nog zijn best gedaan het gala af te blazen. Wat dus niet is gelukt. Toeplitz dreigde met hel en verdoemenis ('Als we dit afgelasten, Mariss, gaat het orkest niet een half miljoen dollar verdienen, maar een kwart miljoen verliezen').

De Grote Zaal in Amsterdam kent hij inmiddels als zijn broekzak. Jansons heeft er sinds eind jaren tachtig zes verschillende orkesten gedirigeerd. Na zijn eerste spectaculaire tourneeoptredens met het Philharmonisch Orkest van Leningrad, zeg inmiddels maar St.-Petersburg, bekeek het publiek in de Grote Zaal hem bij concerten met het Concertgebouworkest, het orkest van Oslo, het Rotterdams Philharmonisch en de Wiener Philharmoniker. En met zijn Amerikaanse orkest uit Pittsburgh - een optreden dat opviel door zijn 'warme Europese klank'.

'Het Concertgebouworkest heeft een zeer transparant, mooi geluid', met een stem die van diep grommerig licht zangerig begint te worden. 'Het is een intelligent geluid, als je dat van een geluid kunt zeggen. Het orkest heeft een serieuze, diepe benadering van de muziek. Doordacht. De mentaliteit is trots. Dat mag ik wel. Altijd maar willen werken aan de kwaliteit. Uitstekend.'

Tot de hoogtepunten onder zijn Concertgebouw-gastdirecties, zo herinnert men zich aan de Van Baerlestraat, hoorden zijn uitvoeringen van Berlioz' Symphonie fantastique, Dvoraks Nieuwe Wereld-symfonie, de Vijfde van Beethoven, en Mahlers Zevende. Dat de orkestmusici hem met grote meerderheid aanwezen, vindt Jansons, 'leuk om te horen'.

'Het is zeker niet uitgesloten dat ze me aardig vinden. Maar ik denk dat het ze toch vooral te doen is om mijn mentaliteit. Een dirigent heeft macht, maar heeft ook een grote verantwoordelijkheid, en daar heb ik in mijn opleiding alles van meegekregen.'

'Collegialiteit' en 'respect' beschouwt hij als parameters van de muzikale 'verantwoordelijkheid'. 'Als musici zich niet comfortabel voelen, heeft dat invloed op het musiceren. Een orkest kan nog zo professioneel spelen, en voor mij is dat natuurlijk de basisvoorwaarde - maar als de sfeer niet goed is, als ze ergens ontevreden over zijn, als de emoties vertroebeld zijn, door wat dan ook, al ligt het ver buiten de muziek, heeft dat invloed op het musiceren. Ik herken het meteen, als er iets aan de hand is met een musicus of in een orkestgroep.'

De herkomst van zijn perfectionisme - Jansons beantwoordt de vraag met de terloopse nauwkeurigheid van iemand die zijn schoenmaat moet opgeven - ligt 'voor een deel in de genen, en voor een ander deel in de strijd die ik met mezelf heb moeten leveren in de jaren van mijn opleiding. Ik heb een tijdlang vol complexen gezeten.'

Jansons was dertien, toen hij met zijn ouders naar het toenmalige Leningrad verhuisde. Hij voelde zich er slecht op zijn plaats. 'Ik kende de taal niet. Een leraar Russisch moest me thuis bijspijkeren. Het niveau op de muziekschool was onnoemelijk veel hoger dan in Riga. Als je geen werkmentaliteit had, was het meteen met je gebeurd.

'Dat heeft me wel gevormd, moet ik zeggen. Er lag een permanente druk op je. Daar kwam nog bij dat ik de zoon was van een dirigent. Dat maakte het extra noodzakelijk om je te bewijzen. Als je een kind was van een bekend iemand - mijn vader was bij de Philharmonie de tweede dirigent onder Evgeni Mravinski - dan was dat in de Sovjet-Unie een soort handicap.'

De opleiding in Leningrad was intussen 'de beste ter wereld'. Jansons constateert het droogjes, zonder een spoor van chauvinisme. 'Ik heb 21 jaar kunnen studeren. Dat kunnen weinig mensen zeggen. Koordirigent. Symfonisch dirigent. Je kreeg niet ''droog'' directieles, maar met twee pianisten erbij, die je aanwijzingen moesten volgen. Je dirigeerde het studentenorkest. Concerten én geënsceneerde opera's. Mijn leraar Nikolaj Rabinovitsj was een absolute autoriteit. Bij mensen als Mravinski en Svjatoslav Richter, de pianist, stond hij in hoog aanzien. Hij was de eerste die in Rusland werk van Mahler dirigeerde. Ik heb zes, zeven jaar les van hem gehad. Ik vond het vreselijk dat hij dood ging, vlak na mijn afstuderen.'

De harde werker had ook zijn tegenslagen te incasseren. Toen de dirigent Von Karajan de jonge Jansons naar Berlijn wilde halen als assistent, zei het Sovjet-regime nee. Later kwam Jansons via een studentenuitwisseling in Wenen terecht, waarbij hij in een moeite door de stap zette naar Salzburg, om daar alsnog Von Karajan te assisteren. De 'immense teleurstelling' dat hij van de Sovjet-autoriteiten geen chefdirigent mocht worden in Oslo (Sovjet-kunstenaars mochten niet langer dan negentig dagen per jaar in het buitenland zitten), werd verzacht door de opstelling van de Noren.

Ze stelden hem aan zonder titel, waarna de vliegtuighater Jansons met de auto op weg kon, de kofferbak vol etenswaren omdat het leven in Noorwegen zo duur was. Ruim twintig jaar lang zou hij het orkest van Oslo dirigeren. Hij wist het provinciaalse ensemble op te bouwen tot een eersteklas symfonieorkest, een prestatie die alleen door Simon Rattle werd geëvenaard, met zijn orkest van Birmingham. 'Ze wilden serieus werken in Oslo. Dat beviel me, want dat wil ik ook', stelt Jansons droogjes vast.

'Minder dirigeren, hoe pak je dat aan?', riep hij in 1995, op het spitsuur van zijn carrière. Melbourne, Sydney, Leipzig, Londen, Philadelphia, de Berliner Philharmoniker, de Wiener, New York. Wie Jansons wilde hebben voor een gastdirectie, kon hem krijgen, tenzij hij al was geboekt, en meestal was dat zo. De platenmaatschappij EMI, die tientallen opnamen van hem uitbracht, waaronder een reeks Sjostakovitsj-symfonieën, riep hem in 1996 uit tot Artist of the year.

Het lichaam nam kort daarop wraak. Het was in Oslo, vlak voor het slot van een concertuitvoering van Puccini's opera La bohème, dat hij pijnscheuten voelde in de linkerarm. Jansons besloot het stuk uit te dirigeren. Volgens ooggetuigen bleef zijn rechterarm de maat slaan, ook toen hij op de grond lag. Op de vraag of er een dokter in de zaal was, zo wil het verhaal, kwam eenderde van de toehoorders aanzetten.

Noodbehandeling volgde. Gedotterd werd er in Zwitserland. Waarna in Pittsburgh, bekend om zijn magnifieke hospitalen ('een uitstekende stad om ziek te zijn', volgens de hoboïst Jim Gorton), een defibrillator werd ingebracht, een apparaatje dat het hart op gang moet brengen wanneer het andermaal hapert. Het deed tot nu toe één keer zijn werk.

De hartaanval betekende een cesuur, zegt Jansons. 'Ik heb mezelf een opdracht gegeven, een order: ik moest het anders gaan doen. De hartaanval heeft mijn mentaliteit veranderd. Ik heb het gevoel dat ik, nee niet ontzettend verbeterd ben, maar wel rijper ben geworden. Het moest dieper. Warmer. Ik heb meer aandacht en liefde gekregen voor rustige muziek. Langzame delen. Die zijn, moet u weten, zeer moeilijk. Ze zijn het moeilijkste wat er is. Vooral Haydn, Mozart, Beethoven. Die zijn het moeilijkst.

'Bruckner is natuurlijk ook zeer bijzonder. Voor mij is dat heilige muziek, en niet zomaar heilig, maar bijzonder heilig. Mahler is de man van de menselijke expressie, van het grote palet, in Mahlermuziek zit 'alles'. Maar Bruckner is het Heilige Woord, en daar moet je, vind ik, al sterk van doordrongen zijn voordat je eraan begint. Amerika is niet zo brucknerised, goedbeschouwd is Bruckner alleen maar in Duitsland, Oostenrijk en Nederland echt geliefd. Ik vind dat erg, ik zou dat in andere landen willen veranderen. Daarom nemen we met het orkest van Pittsburgh ook Bruckner mee op onze komende tournees.'

Jansons dirigeert tegenwoordig weer met een stokje. Hij liet het een paar jaar liggen vanwege een kwaadaardige vergroeiing aan de rechterduim. Hij toont de duim. De huid toont geen spoor meer van een blessure.

'Ik doe minder gastdirecties dan voor 1996. Ik doe überhaupt minder. Maar nog steeds te veel, veel te veel', gromt hij. Het feit dat het publiek 'steeds meer van me verwacht naarmate mijn leeftijd en populariteit toeneemt' is ook geen geruststellende factor.

'Ik spreek nu echt voor mezelf: ik kan niet ontspannen. Het werkt bij mij andersom. Hoe verder het komt met die carrière, hoe meer het omhoog gaat met mij, hoe meer ik de druk voel van de verantwoordelijkheid. Dat maakt mijn leven er niet gemakkelijker op. Zeg maar gerust moeilijker.'

De Süddeutsche Zeitung publiceerde kortgeleden een commentaar, waarin het naderen van Jansons' dubbele chefschap scherp op de korrel werd genomen: het orkest van de Bayerische Rundfunk heeft een problematische zaal, het moet bovendien de radio tevreden houden, het heeft in de stad München te maken met twee concurrerende toporkesten, en het Concertgebouworkest, dat heeft vanuit zijn traditie veel betere papieren voor een ambitieuze chef. Ergo: volgens de Süddeutsche zal het orkest van de Bayerische Rundfunk voor Jansons op de tweede plaats belanden.

Jansons zegt niets te willen weten van hoofd- of bijrollen. 'Ik zie die twee posten als twee zonen. Het zijn allebei excellente orkesten, gevestigd in prachtige steden met een geweldig intens muziekleven. Ik hoef geen voorkeur te hebben. Kurt Masur combineert ook Parijs en Londen. Levine zit in München bij de Philharmonie, en in New York bij de Metropolitan Opera. Als je compleet bent toegewijd, dan kan het, volgens mij.'

Maar waarom duurde het dan zo lang voor Jansons ja kon zeggen op het aanbod uit Amsterdam?

'Omdat ik serieus ben aangelegd. Als ik in één en dezelfde stad moet verhuizen naar een andere flat, dan denk ik ook lang na. Ik heb een hekel aan dat haastige, ik ben ouderwets op dat punt. Net als Bernard Haitink, net als Kurt Sanderling. Dat zijn grote voorbeelden.

'Geldkwesties waren niet de reden. Geld komt voor mij nooit op de eerste plaats, never. Ik ben tot kortgeleden nog les blijven geven in St.-Petersburg. Dat doe je ook niet voor het geld. Ik heb lang nagedacht, omdat het niet niks is twee orkesten te hebben. Dan moet je alles gaan onderzoeken en analyseren. Niet alleen de technische situatie, maar ook je gevoelens, je energie. Je moet je realiseren wat je te bieden hebt. Of je de kwaliteit kan brengen die men verwacht. Niet alleen op het podium, maar ook eromheen.'

De Heinz Hall. Galaconcert Happy 60th Birthday Mariss Jansons. De Pittsburghse radiomaker Jim Cunningham roemt vanaf het spreekgestoelte Mariss Jansons' 'voortreffelijke kwaliteiten als disc jockey'. 'Hoe vaak die niet geweest is in mijn show, en waar die het allemaal niet over heeft gehad! Over de erotische tango. Over zijn idool Nicole Kidman, over Kiss Me Kate, over basketbal, over het bier in Letland.'

Slava Rostropovich, collega-dirigent Joeri Temirkanov ('Een trouwe vriend, ik ken hem al vanuit mijn Petersburgse conservatoriumtijd'), en zes mede-sterren vertolken met triangel, koekoeksfluit en speelgoedtrompet de Kindersymfonie van Leopold Mozart. Na de cantate We love Mariss daalt confetti op de jubilaris neer.

Musici backstage doen zorgelijk over het naderende verlies van de 'compromisloze werker, die ons altijd een stap voor is' - en doen opgelucht over het vertrek van 'een man bij wie er nooit ofte nimmer ook maar een aai over de bol vanaf kon'.

Jansons weet nog niet waar hij gaat wonen, in München of in Amsterdam. 'Ik denk dat het hotels zullen worden. Dat heb ik in Oslo ook twintig jaar gedaan. Mijn huis staat in St.-Petersburg. Nee, weet je wat, laat mij maar wonen in het Concertgebouw. Prima plek. Goede sfeer.'

Hij denkt wat na. 'Hoe is het met het publiek in Amsterdam. Wat verwachten ze, wat wil de stad. Hebben ze genoeg van Bruckner en Mahler, willen ze verandering? Of willen ze die ook van mij horen?'

Het Pittsburgh Symphony Orchestra maakt zich op voor een tournee door Europa onder leiding van Mariss Jansons. Het treedt 12 april op in het Amsterdamse Concertgebouw, met een symfonie van Schubert en de Tiende Symfonie van Sjostakovitsj.

Meer over