'Ik denk altijd: vinden ze het wel leuk dat ik er ben'

Met alleen de ervaring van een vakantie streek hij als correspondent neer in Rusland. Vijf jaar later wordt Jelle Brandt Corstius (31) geroemd omdat hij de Russische ziel zo mooi weet te vangen – onder meer in zijn tv-reportages, waarvan morgenavond de tweede serie begint....

tekst Karolien Knols en  Ivo van der Bent

Dacht Jelle Brandt Corstius dat hij het veilige pad had gekozen – het weliswaar bevroren, maar iets minder steile pad naar een plateau met uitzicht over de Russische stad Moermansk – gleed hij toch nog uit. Hij viel vol op zijn rug, boven op een steen. Gebroken ruggenwervel.

In het ziekenhuis voltrok zich even later het volgende tafereel: Brandt Corstius ligt op een brancard. Hij moet naar de röntgenafdeling om een foto te laten maken, maar er is niemand die hem kan duwen. Hij belt de geluidsman van de cameraploeg waarmee hij in Moermansk is, en wanneer ze even later op de röntgenafdeling arriveren, is ook daar niemand aanwezig. Er hangt wel een briefje op de deur: ‘Ik ben even reanimeren.’

Brandt Corstius, op de bank in zijn tijdelijke appartement in Amsterdam: ‘Dat vind ik dan weer zo geestig, dat iemand de tijd neemt om zo’n briefje te schrijven.’

Eén ellendige nacht brengt hij door in het ziekenhuis. Als de pijnstillers zijn uitgewerkt en hij op de alarmknop drukt, blijkt die het niet te doen. Hij wacht en wacht tot er iemand langskomt, valt uiteindelijk in slaap, om de volgende ochtend wakker te worden met een bord op zijn borst.

Met een mengeling van plezier en verbazing in zijn stem: ‘Ik had geen idee wat het was, en ook niet hoe lang het er al stond. Dus ik steek mijn vinger erin. Was het pap! En die deponeren ze gewoon zo!’

Vreemde verhalen: Jelle Brandt Corstius heeft er in de vijf jaar dat hij als Trouw-correspondent alle uithoeken van Rusland bezocht ontelbaar veel verzameld. Ze zijn beschreven en gebundeld in twee boeken, Rusland voor gevorderden en Kleine Landjes. Ze zijn gefilmd in Van Moskou tot Magadan, de VPRO-serie die vorig jaar door de jury van de Zilveren Nipkowschijf werd beloond met een eervolle vermelding vanwege de ‘aanstekelijke en onbevangen verteltrant’.

Morgen wordt de eerste van acht nieuwe afleveringen uitgezonden: over de grootste Russische autofabriek GAZ, waar sinds de crisis amper auto’s worden geproduceerd. Brandt Corstius spreekt mannen en vrouwen die terugverlangen naar het communisme, bezoekt een desondanks slecht bezochte demonstratie van de communistische partij op het plaatselijke Leninplein, waar sovjetmuziek uit twee grote luidsprekers schalt en waar een oud-militair, behangen met medailles, een lans breekt voor het nationaliseren van GAZ – ‘net als in Amerika met General Motors is gebeurd’.

Zegt de man, in een onderonsje met Brandt Corstius: ‘We hebben alles aan de oligarchen verkwanseld. GAZ, en ook de olie en het gas. Pas als die weer staatseigendom zijn, zal er welvaart zijn, en goed onderwijs en goede gezondheidszorg. Alles wat we vroeger hadden.’

Typisch Brandt Corstius, om dan aan zo’n hoge pief uit de tijd van de Koude Oorlog te vragen: ‘Dus Amerika is inspiratiebron voor de Russische communisten?’

Het antwoord komt bloedserieus: ‘Het beleid van Barack Obama is socialer dan dat van Poetin. Het wordt tijd dat we iets van de Amerikanen leren.’

Buiten sneeuwt het. ‘Kijk nou toch hoe mooi het is’, zegt Brandt Corstius en hij zet het raam open. Voordeel van Amsterdam boven Moskou: ‘Je hebt in Moskou stadsverwarming. In de winter is het binnen dag en nacht 25 graden. Een raam openzetten kan niet, want buiten is het min 25. Vrienden van me hebben airconditioning laten aanleggen om het in de winter koel te hebben. Krankzinnig.’

Was het die krankzinnigheid die je aantrok in Rusland? ‘Dat klopt.’

Op je 25ste werd je Rusland-correspondent voor Trouw. Had je enig idee wat voor soort stukken je wilde gaan schrijven? ‘Trouw wilde reportages, en dat leek mij ook wel wat. Maar ik woonde in een treurige buitenwijk, in een treurig appartement. Ik had een computer en een telefoon, maar ik had geen contacten, en mijn Russisch was niet goed genoeg om iemand te interviewen. Dat eerste jaar was verschrikkelijk. Ik moest wennen aan werk dat ik nooit had gedaan, aan een land dat ik niet kende. Ik lag elke avond uitgeput om negen uur in bed en dan viel ik meteen in slaap.’

Hoe vaak heb je dat jaar gedacht: ik ga terug? ‘Nooit. Niet omdat ik zo’n streber ben, maar meer omdat ik niks had om naar terug te gaan.’

Drie jaar eerder: Brandt Corstius gaat, 22 jaar oud, met een vriend op vakantie naar Odessa, havenstad in Oekraïne. ‘Ik had best al veel gereisd, maar altijd naar landen die, hoe ver ook, iets met Nederland gemeen hadden. In Oekraïne was het alsof ik op een andere planeet stapte. Het was, hoe moet ik het uitleggen, alsof ik het lijdend voorwerp was van mijn eigen leven. We belandden voortdurend in situaties waarover we geen controle hadden. Het leven was van een intensiteit die ik in Nederland nog nooit had gevoeld. Dat je geen idee hebt wat er een minuut later gaat gebeuren. Ik vond het verslavend en spannend. Ik wist zeker: hier kom ik terug.’

Wat voor jongen was je in die tijd? ‘Ik was toen anders dan nu. Wat cynischer, koppig, sociaal niet zo handig, ook wel wat vervelender, denk ik. En onzeker.’

Waarover? ‘Ik was ervan overtuigd dat ik niet geschikt was voor werk. Dat ik de rest van mijn leven alleen maar rotbaantjes zou hebben, in de telemarketing of zo.’

Maar je studeerde geschiedenis en journalistiek in Groningen. ‘Geschiedenis omdat ik op de middelbare school een leraar had die ontzettend leuke verhalen kon vertellen. En journalistiek trok me, hoewel ik helemaal niet wist of ik kon schrijven.’

Had je dat nooit gedaan? ‘Ik had iets tegen schrijven zonder betaald te krijgen, al bij de schoolkrant.’ Lacht: ‘Ik was daar nogal principieel in.’

Hij staat op, loopt naar de keuken, haalt een envelop uit een kastje en zegt: ‘Ik heb hier toevallig een brief die ik aan mijn vader stuurde toen ik een jaar in Groningen zat. Mijn vader kwam ’m tegen toen hij zijn huis aan het opruimen was.’ Hij leest, zegt: ‘Het is zo zielig meteen.’ Citeert de eerste zin: ‘Ik schrijf dit briefje omdat het niet zoveel zin zou hebben dit over de telefoon te zeggen, bovendien zou ik toch weer gaan liegen.’

Liegen? ‘Ja, dat is toch gek? Dan vertel ik dat het dus helemaal niet goed gaat met de studie en dat ik helemaal geen vrienden heb.’

Hij leest verder, zegt: ‘O ja, dit stukje zegt iets over mijn koppigheid: ‘Ik heb altijd andere antwoorden dan de anderen. Ze zijn niet per se fout, maar op de universiteit is het me opgevallen dat er maar één mening telt, en dat is die van de docent. Ook ben ik erg slecht in het zien van verbanden en grote lijnen. Ik onthoud altijd onbelangrijke details, zoals hoeveel kinderen de grootvader van Jean Jacques Rousseau had, en dat de Tsjechen de Dertigjarige Oorlog begonnen door mensen uit het raam te gooien. Maar over Rousseau’s gedachtegoed, of de implicaties van de Dertigjarige Oorlog heb ik weinig te vertellen.’

‘Dat is nog steeds zo. Ik heb een voorliefde voor triviale feitjes.’

Heb je dat altijd gehad? ‘Ik kan in elk geval met zekerheid zeggen dat we thuis nooit enig inhoudelijk gesprek hebben gevoerd over politiek, of over wat je moet doen met je leven.’

Hij is de zoon van Hugo Brandt Corstius, wetenschapper, oud-Volkskrant-columnist, schrijver en tot 2008 columnist van Vrij Nederland. Zus Aaf is óók columnist, van NRC Next. ‘We hebben allemaal iets met taal. Merel, mijn andere zus, ook.’

Zijn moeder overleed toen hij 3 was. Het gezinsleven van de familie Brandt Corstius, dat was een vader die als kluizenaar leefde, nooit eens vrienden over de vloer, en drie kinderen die het zelf maar moesten uitzoeken. ‘We smeerden onze eigen boterhammen en als we uit school kwamen, zat mijn vader boven. Ik wist nooit of hij aan het werk was of niet, ik durfde nooit op zijn deur te kloppen. Ik vond het bij vriendjes thuis een wonderland, met een moeder die thee voor je maakte en vroeg hoe je dag was geweest.

‘Ik was niet echt gelukkig thuis. We kwamen aandacht te kort. Het is vast geen toeval dat ik een pestkop was op school. Ik wist precies wat ik moest zeggen om iemand pijn te doen. Terwijl ik een hekel heb aan pestkoppen. Maar ik moest mijn onvrede op anderen afreageren.’

Later: ‘Misschien was het ook wel genetisch. Mijn vader wist in zijn columns natuurlijk ook feilloos de zwakke plekken van zijn tegenstanders te vinden.’

Was er iemand die bij jullie thuis de moederrol op zich nam? ‘De zus van mijn moeder. Zij is heel belangrijk voor ons geweest. Ik heb wel eens gezegd: ‘Ze is niet onze tante en ook niet onze moeder, het zit er tussenin.’ Mijn tante ging elk half jaar met ons naar C & A en dan kochten we de winkel leeg. Daar dacht mijn vader natuurlijk helemaal niet aan, dat we kleren nodig hadden. Mijn tante was ook de eerste die ik belde als ik liefdesproblemen had. Ze is vorig jaar overleden, vlak voor ik mijn ruggenwervel brak. Aan kanker, net als mijn moeder.’

Wat heeft je vader jullie bijgebracht? ‘Mijn vader heeft zich niet veel met de opvoeding beziggehouden. Hij liet ons met rust. Hij had ook geen verwachtingen van ons. Ik heb een fase gehad, tot een jaar geleden ongeveer, dat ik daarover nogal verbolgen was, maar het heeft me ook gemaakt tot wat ik nu ben.’

Wat bedoel je? ‘Ik heb altijd alles zelf moeten doen. Ik ben er op eigen kracht gekomen. Ik kan me niet herinneren dat mijn vader me ooit één advies heeft gegeven. Ja, een paar weken geleden zei hij ineens: ‘Jelle, één ding moet je in je oren knopen, je moet nooit sparen voor een pensioen.’ Dat is toch het slechtste advies dat je kunt geven?’

Laatst sprak hij met Martin Simek. ‘Zo moet ik mijn kinderen dus opvoeden’, zei die, ‘alles zelf laten uitzoeken, dan komen ze ver.’ Brandt Corstius: ‘Nou ja, ik weet niet of je dat zo stellig kunt zeggen. Het had ook helemaal verkeerd met ons kunnen aflopen. Bovendien: ik heb veel gemist. Ik voel me nooit op mijn gemak als ik ergens voor het eerst ben, denk altijd: vinden ze het wel leuk dat ik er ben?’

Toch: ‘Ik heb van mijn vader geleerd dat het helemaal niet erg is om een unieke kijk te hebben op zaken. Dat het niet erg is om je niet te conformeren. Hij heeft dat altijd voorgeleefd. Vorig jaar waren we samen op het Boekenbal. De eerste minuut, niemand was nog dronken, stond mijn vader in zijn eentje als een gek te dansen. Daar zou ik me vroeger ontzettend voor hebben geschaamd, maar nu denk ik: je bent eigenlijk wel een origineel wezen.’

Is hij trots op je? ‘Hij zegt het nooit, maar ik hoor van andere mensen dat hij niet kan ophouden te praten over alles wat ik doe.’

Rusland door de ogen van Jelle Brandt Corstius, dat is een dorp in het Altaigebergte waar met zekere regelmaat giftig ruimteafval uit de lucht valt, soms dwars door het dak van een huis. De overheid komt het niet opruimen, de bevolking laat het liggen, met als gevolg een stijging van het aantal kankerpatiënten.

In Moskou ontdekte hij dat er honden zijn die de locatie en de openingstijden weten van markten waar ze naar voedsel kunnen scharrelen, en bovendien weten welke metro ze moeten nemen om er te komen. Hij bezocht de president van Kalmukkië die beweerde te zijn ontvoerd door buitenaardse wezens, en sprak met nabestaanden van de slachtoffers van de gijzeling in Beslan.

Typisch Russisch: het reisbureau voor fictieve vakanties, waarover hij een berichtje las op de nieuwssite van Associated Press. ‘Daar hebben ze voor een man die indruk op zijn baas wilde maken een reis naar Brazilië verzonnen, compleet met foto’s, vliegtickets en een piranha uit een Moskouse dierenwinkel, die ze wel nog eerst even hebben doodgemaakt – kon hij hem als trofee uit Brazilië presenteren.’

Ben je eigenlijk een goede correspondent? ‘Ik ben niet zozeer een goede nieuwsjournalist. Ik was er de afgelopen jaren met belangrijke gebeurtenissen niet altijd als eerste bij. Dat kan ook niet als je zo vaak op stap bent. Ik wilde verhalen vertellen. De stand van het land vangen. Dat laatste is, vind ik, wel gelukt.’

In de laatste aflevering van de eerste televisieserie ga je op zoek naar de Russische ziel. Hoe zou je die omschrijven? ‘Ik vind dat lastig. Russen zijn maximalisten. Dat was wat me zo aantrok in Odessa, wat me later ook fascineerde in Rusland: leven in het nu, niet denken aan later. Maar wat ik in de loop van de jaren ben gaan begrijpen, is dat dat maximalisme eigenlijk een negatieve oorzaak heeft. Namelijk: dat je elk moment het loodje kunt leggen. De gemiddelde levensverwachting van de Russische man is 58. Dat zegt genoeg.’

Ze drinken ook te veel. ‘Maar waarom doen ze dat? Dat eerste ellendige jaar in Moskou heb ik aan den lijve ondervonden hoe zeer je omgeving je geestesgesteldheid kan beïnvloeden. De uitzichtloosheid. Ik kon me ineens voorstellen dat je elke dag een fles wodka drinkt.’

Hoe de Russische ziel er een van uitersten is: ‘Voor een aflevering van Van Moskou tot Magadan sprak ik met een vrouw die in een dorp woonde waaruit iedereen weg trok. Op de school waar ze lesgaf, zaten nog een paar kinderen, maar zij bleef. Op de vraag of ze nog hoop had voor het dorp, antwoordde ze: ‘Zelfs als je dood gaat, blijf je rogge zaaien.’

Aan de andere kant zijn Russen ook weer heel apathisch. Ze hebben niet het idee dat ze als individu een verschil kunnen maken. Daar waar we in Nederland misschien te veel zijn doorgeschoten, en voor elke gekapte boom een comité oprichten, daar mag Rusland wel wat meer van hebben.’

Hij vertelt over de jongen die tijdens zijn ontgroening in het Russische leger zo was mishandeld dat zijn benen moesten worden geamputeerd. ‘En alles ertussen. Echt een verschrikkelijk verhaal. Op internet had ik een petitie gevonden die je kon tekenen, als uiting van verontwaardiging. Die gaf ik aan mijn vriendin. En zij zei: ‘Waarom zou ik tekenen, wat maakt het uit? We zijn slaven, en dat zullen we altijd blijven.’ Nou ja! Dat zegt een hoog opgeleide, jonge vrouw.

Hij vertelt ook over Anna Politkovskaja, de journalist die in 2006 werd vermoord omdat ze de mensenrechtenschendingen door het Russische leger in Tsjetsjenië aan de kaak stelde. Het eerste interview dat hij als correspondent voor Trouw maakte, was met haar. ‘We kregen ontzettende ruzie. Politkovskaja had net een boek geschreven over hoe verschrikkelijk Poetin was, en ik vroeg haar: ‘Waarom heb je geen kritiek op de Russen? Hij is toch door jullie gekozen? Misschien is Rusland wel helemaal niet gebaat bij een democratie.’ Toen werd ze zo kwaad dat ze niet meer met me wilde praten. Maar dat was natuurlijk wel de kern van de zaak.’

Bedoel je dat Rusland beter weer communistisch kan worden, zoals die oude militair tegen je zei? ‘Dat zeg ik niet. Maar Russen hoor ik geregeld lovend praten over Brezjnev. Die vonden ze geweldig. Gorbatsjov is veel minder populair. Jeltsin vinden ze trouwens nog erger. Ze zijn ervan overtuigd dat hij Rusland heeft verpest. De jaren negentig, toen er een begin werd gemaakt met democratie, noemen de Russen de gangsterjaren. Ze associëren democratie met wetteloosheid en chaos.’

Ineens op een zijspoor: ‘Gorbatsjov zit trouwens in de jury van de Russische Idols. Ik zat laatst een keer te zappen en ik dacht: wie zit daar nou? Hij deed het trouwens best aardig.’

Sinds een maand woont hij weer in Nederland. Hij had genoeg van Moskou, genoeg van nooit weten wat de volgende dag brengt. Bovendien: al het absurde dat hem zo aantrok in die stad, hij zag het niet meer.

Binnenkort begint hij aan een nieuwe serie voor de VPRO. Hij wil er nog niet meer over kwijt dan dat hij dit keer verschillende landen zal bezoeken. ‘Ik vind het fijn om terug in Nederland te zijn, voor de stabiliteit. Ik heb mijn familie gemist, mijn zus Aaf heeft net een zoon gekregen, ik wil meer bij ze zijn. Aan de andere kant: Nederland is saai, dus ik moet op reis voor de inspiratie.’

Heeft Rusland je veranderd? ‘Ik ben minder cynisch geworden. Russen zijn zo open, ik hoop dat ik daarvan iets kan meenemen naar mijn leven hier, en niet weer in de oude modus verval van sarcasme en geklaag.’

Hij begint nog een keer over het maximalisme van de Russen. Met zijn ex-vriendin Marina, met wie hij vier jaar een relatie had, was het ook ‘alles of niets’.

‘Ze wist dat ik van mandarijnen hield. Voor mijn verjaardag kreeg ik dus een doos van 10 kilo. Ik had ooit gezegd dat ik het zo jammer vond dat er in Nederland nooit meer telegrammen werden verstuurd. Prompt kreeg ik een telegram van haar toen ik in Siberië zat.‘Maar dat ‘alles of niets’ had ook een andere kant. Als er even geen vrolijk drama was, verzon ze wel de een of andere ruzie. Heel heftig, en heel vermoeiend. Ik heb weleens gedacht: als ik met haar doorga, haal ik de 50 niet eens.’

Een paar dagen later, aan de telefoon. Brandt Corstius zit weer even in Moermansk voor de laatste draaidagen van zijn tweede reeks Van Moskou tot Moermansk. Op de vraag wat hij achterlaat nu hij weg is uit Rusland, komt prompt het antwoord: ‘Het meisje op wie ik zo verliefd werd dat ik vijf jaar geleden naar Rusland ben verhuisd, van wie ik tot een jaar geleden zeker wist dat ze met me mee zou gaan als ik terug naar Nederland zou gaan. Ik heb een huis gekocht in Amsterdam, maar als ik eraan denk dat ik daar dan straks alleen zit

‘Ik ben heel gelukkig, hoor, maar uiteindelijk wil ik dat helemaal niet. Ik wil een vrouw, ik wil kinderen, ik wil ze nu, en ik wil ze al heel lang.’

Waarom is Marina niet meegegaan? ‘Het was al een jaar uit tussen ons. Het is beter zo, gezonder ook. Maar ik mis haar, ik mis de prikkels, het is net een verslaving. Ik wil bij haar zijn. Het kost me elke dag zo’n moeite haar niet te bellen. Ik wil weten hoe het met haar gaat, of ze werk heeft, hoe het met haar oma is.’

Waarom kun je haar niet loslaten? Hij zegt het met enige schroom: ‘Mijn eerste vriendin heeft zichzelf een jaar nadat het was uitgegaan opgehangen. Daar voel ik mij nog steeds schuldig over, en ik had mij vast voorgenomen dat dit nooit meer ging gebeuren. Dat slaat natuurlijk nergens op, want ik ben niet schuldig en ik had het niet kunnen voorkomen. Maar blijkbaar werken mijn hersens nu eenmaal zo. Dat zou best een rol kunnen spelen in mijn obsessie met het welzijn van Marina.’

Meer over