Ik beweeg niet meer dan mijn vingers

Gustav Leonhardt (66) ontdekte het klavecimbel door zijn ouders, die de toentertijd progressieve opvatting hadden dat je Bachs muziek niet op de piano hoorde te spelen....

CORNALD MAAS

In de gevels langs de straat schuilt, in talloze ornamenten en beelden, de bijbel. Maar zouden de mensen er nog oog voor hebben? De Westerkerk, weet Gustav Leonhardt (66), zit op zondagmorgen tenminste vol. 'En de Matthäus Passion is enorm populair. Kennelijk spreekt het mensen aan dat iets te berde wordt gebracht dat ze de rest van het jaar missen.'

In het statige, zeven verdiepingen tellende grachtenpand heerst gewijde stilte. Slechts klokken en carillons tikken en slaan. De kamer van ontvangst vraagt respect voor brandende kaarsen, kleden die nooit zullen krullen en een klavecimbel. Er slingeren geen kranten, er is geen televisie. 'Toch voel ik me een twintigste-eeuwer. Bijna een éénentwintigste-eeuwer.'

Zondag dirigeert de nestor van de Oude Muziek, zoals hij ooit werd gedoopt, de eerste van vier uitvoeringen van de Matthäus Passion in de Grote Kerk in Naarden. 'Ik kwam er als ventje al. Samen met mijn vader, die in het bestuur van de Bachvereniging zat. Van begin af was ik door dit meesterwerk gegrepen. Die vervoering zou ik zelfs nu nog niet onder woorden kunnen brengen.'

Als Gustav Leonhardt spreekt, vallen er veelzeggende stiltes. Zijn woorden willen soms geen verhaal vertellen. 'Gut . . ., dat muziek kan fascineren is een mirakel. Het is toch onbegrijpelijk hoe één bepaalde toonhoogte tot tranen toe kan roeren?' Over de professionele vragen, die hij Bach zou willen stellen: 'Het betreft details waar wij, musici, zwaar aan tillen. Een voorbeeld zegt u? Ach, deze zaken zijn voor het publiek niet interessant.'

Leonhardt dirigeert koor en orkest van De Nederlandse Bachvereniging. Niet eerder voerde hij in Naarden de Matthäus Passion uit. Hoewel het hem al jaren geleden werd gevraagd. 'Zeven keer, was het verzoek. Ik dacht: dat kan ik niet, dit werk is te goed. Het mag niet worden afgedraaid.'

Leonhardt sloot, voor deze gelegenheid, een compromis. Voor hem de kerk, voor dirigent Jos van Veldhoven de uitvoeringen in de weinig geheiligde muziekcentra in Utrecht en Enschede. 'In Naarden wordt nooit geapplaudisseerd. Er zit misschien iets aardigs in om de uitvoerenden te bedanken, maar een ovatie na de graflegging is toch ondenkbaar?'

In Parijs, waar concertbezoekers minder vertrouwd zijn met uitvoeringen van de Matthäus Passion, liet hij in het programmaboekje een verzoek opnemen niet te applaudisseren. 'Waren er toch een paar die begonnen te klappen. Gelukkig werden ze door anderen onmiddellijk tot de orde geroepen.'

Zonder religieus besef zal het moeilijk zijn om de Matthäus Passsion op waarde te schatten. Bach, zo ervaart Leonhardt telkens weer, heeft de bijbeltekst intens gekend, geproefd en gewogen. 'Ik ben een protestant in hart en nieren. Ik wil er niet te zeer op ingaan, en ik zal ze niet vervolgen, maar bij katholieken speelt het banale een grote rol. Er zijn veel uiterlijkheden die afleiden.'

Leonhardt volgde, met heilig ontzag, privé-lessen bij Anthon van der Horst. Zat, met rode oren, in het Concertgebouw. En ontdekte, dank zij een ingeving van zijn ouders, het klavecimbel. 'Als je Telemann en Bach speelt dien je dat, vonden zij, op het klavecimbel te doen - en niet op een piano. Dat was een buitengewoon geavanceerde gedachte.'

Bach was zijn enige en zaligmakende passie. Een functie in het familiebedrijf, een handelsonderneming, was beschikbaar, maar Leonhardt droomde zich een andere toekomst, en wilde musicus worden. 'Ik vermoed dat mijn ouders het een griezelige stap vonden. Kunstenaars werden in die tijd beschouwd als een vreemd volkje, een stelletje ongeregeld dat omgeven was door minzaamheid en treurnis. Toch heb ik me nergens iets van aangetrokken.'

Hij doceerde aan de Staatliche Musikakademie in Wenen. Als klavecinist maakte hij al begin jaren zestig furore in Amerika. Onder zijn supervisie - en die van Nikolaus Harnoncourt - werden in een periode van bijna twintig jaar vrijwel alle cantates van Bach voor Telefunken vastgelegd. In 1968 speelde Leonhardt - hij wuift de successen uit het verleden geruisloos weg - Bach in een film van Jean-Marie Straub. 'Een document zó compromisloos en eerlijk, dat ik er nog steeds de rillingen van krijg.' De regisseur zocht een musicus in de stijl van de componist - Leonhardt zou zich nooit aan een levensechte vertolking hebben gewaagd. 'Bach is de grootste. De bewondering neemt nog altijd toe. Ik zou niet weten hoe en waarom. Dat is het grote geheim.'

Van jaloezie heeft de klavecinist nooit last gehad. 'Ik ben juist vervuld van dankbaarheid. Ik betracht een zekere nederigheid. Andermans schepping mag je niet misbruiken.'

Hij beschouwt zichzelf niet als kunstenaar. 'Dan heb je het over schilders, dichters, componisten. De invloed van een uitvoerend musicus is enorm, zijn belang nihil. Hij schept niets. Hooguit verheft hij een middelmatig werk tot iets geweldigs, of verprutst hij een meesterwerk.'

Als sterren stralen geeft Leonhardt niet thuis. In het theater komt hij nooit meer. 'Regisseurs zijn de grootste kwallen van dit moment. Ze eigenen zich klassieke werken toe zonder enige vorm van respect.'

Leonhardt lacht, schuldbewust - of is dit afgrijzen? De schouders worden opgehaald, hij hoeft niet zonodig. Eeuwige roem kan hem niets schelen. 'Maar dat is makkelijk gezegd, als je carrière zich zo mooi heeft ontwikkeld. Ik heb altijd gespeeld zoals ik dacht dat het goed was. En het publiek was zo vrindelijk om mee te gaan. Vlijt alleen is het niet. Al heb ik altijd hard gewerkt - uit noodzaak, niet uit principe.'

Als hij over cruciale beslissingen uit de geschiedenis leest wordt hij bevangen door twijfel. 'Ik moet bekennen dat ik vaak niet weet hoe ik op die momenten gehandeld zou hebben. Of je positief of negatief beslist hangt af van de voorraad morele kracht. Onvoorspelbaarheid hoort bij het leven. En predestinatie? Om het voorzichtig te stellen: dat idee wil ik niet geheel afwijzen.'

Leonhardt heeft het niet voor het zeggen. 'Misschien is het de wens van Onze Lieve Heer dat ik nog een paar jaar doorga. Ik ben op het hoogtepunt van mijn krachten. Ik beweeg niet meer dan mijn vingers.'

Hij mijdt het circus van gezondheidstherapieën en fitness - 'Ik hoop dat het gunstig is voor ànderen' - en reist, als het moet, kriskras de wereld rond. Deze week nog concerteerde hij in Valencia en Madrid. Als hij speelt is hij één met de muziek. Soms vraagt hij zich af, na afloop, of de componist zich in zijn uitvoering zou hebben herkend. Toen hij in Londen de Hohe Messe dirigeerde, en zich gelukkig prees met de topbezetting van het orkest, had hij, een paar seconden voor aanvang, een verontrustend visioen: 'Wat zou Bach gelukkig zijn geweest als hij hierover had kunnen beschikken. Ik ben beschaamd dat ik in betere omstandigheden verkeer dan hij.'

Leonhardt is de eerste en de laatste in de familie die van muziek zijn professie maakte. Zijn vrouw is violiste, en was, als concertmeester, zijn steun en toeverlaat bij het cantaten-project. Maar zijn drie dochters gingen hun eigen gang. Toen zij op de middelbare school zaten, en vader vaak op reis was, had moeder het zwaar. Leonhardt huiverde bij de verhalen die hij van haar te horen kreeg. Op school werd gedweept met het Rode boekje, er heerste totale anarchie. 'Het gebrek aan ontzag was hopeloos. Een ondermijning van de kindergeest. Ik ben geen voorstander van gedril, maar je moet kinderen niet alles toestaan. Het geeft geen pas al hun wensen te vervullen.'

Vermindert met de jaren het besef van normen en goede smaak? Leonhardt wil geen onheilsprediker zijn. 'Iedere tijd is afschuwelijk en schitterend tegelijk. De menselijke waardigheid verandert niet wezenlijk.'

Laat hem musiceren. Laat hem lezen. Geef hem de kans om te genieten van het werk van Rembrandt, Goya en Breughel. De allermodernste muziek gaat aan Leonhardt voorbij. Ook als die flirt met meesterwerken. Van André Rieu heeft hij nog nooit gehoord. Voor hèm staat de tijd stil bij Thijs van Leer. 'Daar wil ik niet naar luisteren. Het getuigt van gebrek aan eerbied. Alsof je iemand als kauwgum gebruikt.'

Goedkope successen zijn uit den boze. Geld is geen alibi voor misbruik van het zeer hoge. 'Ik vrees dat het een teken des tijds is. Het heeft met de ontkerstening te maken.'

Het schrikbeeld is een diner dat hij ooit bij Amerikaanse vrienden genoot. Hij gaf ze de Hohe Messe cadeau, en zij dachten er de feestvreugde mee te verhogen. Het klinken van de glazen overstemde het meesterwerk van Bach. Goed sfeertje, veel liflafjes - maar Leonhardt was met stomheid geslagen.

Meer over