«Ik ben er trots op Palestijn te zijn»

Toen hij zijn familie op de Westelijke Jordaanoever en in Amman VOOR HET EERST bezocht, ging acteur, dichter en schrijver Ramsey Nasr ERHEEN als Nederlander, en kwam hij TERUG als Palestijn....

tekst greta riemersma ; fotografie wim van de hulst

Als Ramsey Nasr naar de televisie zit te kijken, denkt hij soms aan zijn familie in Jordanië en Israël. Het zijn mensen die via de satelliet weleens volgen wat er zoal in Nederland gebeurt, en dus zouden kunnen stuiten op een programma als Seks voor de Buch. Die mensen bidden vijf keer per dag, gaan naar de moskee, en zouden er dan getuige van zijn hoe een man een slot aan zijn penis doet, er een strijkijzer aan hangt, een halsband omdoet, om in opperste extase enge dierengeluiden te maken.

'De hel, dit is absoluut de hel', denkt Nasr dat ze zullen denken. En hij schaamt zich dan plaatsvervangend: 'Oh mijn God, dit is wat zij kunnen ontvangen.' Doorredenerend: 'Maar dat is dus vrijheid van meningsuiting. Die man wil uit vrije wil, met een strijkijzer aan zijn lul, en een hondenriem om, terwijl hij enge beestengeluiden maakt, gefilmd worden. Er komt een cameraploeg naartoe, en heel Nederland kijkt ernaar. Je kunt het niet verbieden, want dan ben je fascistisch of heel rechts, maar ik wou dat het niet op televisie was.' Het heeft wel ertoe geleid dat hij het begrip 'televisie' opnieuw heeft gedefinieerd. 'Het is een apparaat waarop constant bewegende beelden zijn te zien, een soort grabbelton, en soms zie je iets dat coherent is. Maar voor het grootste gedeelte is het onzin, allemaal kleurencombinaties met geluid erbij. Echt onzin. Als je serieus zou nemen wat op televisie is, en dat deed ik tot nu toe, dan word je heel verdrietig. Dan word je echt heel verdrietig.'

Hij is geen fatsoensrakker, dat wil hij gezegd hebben. Hij zit al aan dit artikel te denken, en de strekking ervan: Nasr komt de wereld verbeteren. Het zit namelijk net iets anders: 'Als ik nou gewoon weet dat ik de wereld niet kan verbeteren, dan mag ik het toch wel proberen?'

We praten over omgangsvormen, of het gebrek daaraan, in een Antwerps appartement, één hoog in een straatje waar je vogels hoort fluiten en nog vrij kunt parkeren. Het huisje is van onder tot boven herinnering, met foto's, briefjes en tekeningen. Aan een muur knipperen kerstboomlampjes aan en uit, aan en uit, als een primitieve neonreclame. Zal hij wel of niet verhuizen, is de vraag terwijl hij in de keuken koffie zet. Weg van deze etage waar hij alleen woont sinds het uit is met zijn vriendin, of helemaal weg uit Antwerpen waar hij na zijn studie is blijven plakken? En dan, naar Amsterdam? Waar het toch wel ietsje drukker is? Over omgangsvormen gesproken.

En zo belanden we bij zijn boek Kapitein Zeiksnor en de twee culturen dat begin maart verschijnt - waarmee hij niet meer alleen acteur en dichter is, maar ook schrijver. In dit prozadebuut laat Nasr Am sterdam bekijken door de ogen van een man die 140 jaar is, Kapitein Zeiksnor. Deze doet pogingen 'de ploertigheid als een kanker te bestrijden, en de wereld - het is te zeggen: ú - te genezen'. Hij bemoeit zich met dakwerkers die de broek half op de bilnaad hebben hangen, gsm-bellers, paren die ostentatief tongzoenen op straat, mensen die niet groeten of die hun hond midden op het trottoir laten schijten, kortom: alles waaraan een negentiende-eeuwer tegenwoordig aanstoot zou kunnen nemen.

Ramsey Nasr, 27 jaar oud, hangt aan wat voorbij is. Pas nog zag hij een stomme film uit de jaren twintig, met live pianobegeleiding, waarin een oude acteur optrad, en toen dacht hij: 'Die was toen al oud, dus die is waarschijnlijk geboren in 1850, 1860, die heeft alles meegemaakt waarnaar ik verlang.' En dat is? 'Temps perdu, ik weet het niet. Ik weet echt niet waarnaar ik verlang, ik weet alleen dat ik het doe.'

Wat hij verder weet, is wat hem stoort in het leven van nu. Een caissière die mobiel staat te bellen terwijl ze afrekent met een klant: 'Het is een extreme vorm van: ik heb mijn vrijheid, ik mag doen wat ik wil.' Zinloos geweld, iemand in elkaar slaan om een patatje: 'Een ontzettend cynische vorm van vrijheid van meningsuiting.' Om later eraan toe te voegen: 'Je mag me een ouderwetse bal noemen, maar je mag dit soort dingen niet negeren.'

Niet dat hij rucksichtslos de omgangsvormen van de negentiende eeuw opnieuw zou willen invoeren. Tijdens de voorbereiding van zijn boek bleek pas goed hoe verstikkend de regels waren die de gegoede burgerij erop nahield. En er drong nog een negatieve kant door van die gedroomde tijd: diezelfde gegoede burgerij behandelde het plebs 'als stront', en theorieën over bijvoorbeeld het primitieve uiterlijk van de misdadiger konden school maken.

Daarom laat hij Kapitein Zeiksnor over 'het lagere volk' opmerken dat het zich onderscheidt door 'de typerende lage haargroei die het gedeukte voorhoofd siert'. En laat hij Zeiksnors humeur bederven door de ontmoeting met twee 'relnichten in leder'. Hij wilde ook in het boek verwerken hoe belachelijk dit vooropgezette denken is. 'Maar ik wilde niet uitleggen dat ik Zeiksnor hier ongelijk geef, en dat hij daar een beetje gelijk heeft.'

Om veel later te verzuchten: 'Ik weet niet of recensenten dit een leuk boek zullen vinden. Voor de hoogdravende mensen is het misschien te flauw, voor de flauwe mensen te hoogdravend.' Ach, dan komt de voorspelling uit van degenen die ooit tegen hem hebben gezegd: 'Wacht maar tot jij op je bek gaat.' Lachend: 'Niet dat iedereen met mij bezig is, maar veel mensen denken, geloof ik: het zal weleens fout gaan. Nou, het zal ook weleens fout gaan.'

Tot nu toe ging het goed, daarvan getuigt alleen al het stencil van uitgever Thomas Rap met de biografische gegevens over Ramsey Nasr. Een opsomming van prijzen is het vooral: de Philip Morris Scholar ship Award voor zijn monoloog De doorspeler (1995); een nominatie voor de C. Buddingh'-prijs 2000 voor zijn eerste dichtbundel, 27 Ge dich ten & geen lied, waarvan al meer dan tweeduizend exemplaren zijn verkocht; de Mary Dresselhuysprijs 2000, de Taalunie Toneel schrijf prijs 2000 en een nominatie voor de Louis d'Or 2000 voor de monoloog Geen lied (uit diezelfde dichtbundel). Vorig jaar verzorgde hij de Vincent van Gogh-lezing, waarmee hij in het voetspoor trad van schrijvers als Breyten Breytenbach, K. Schippers en Hugo Brandt Cor stius.

Hij speelde in een aantal films, waarvan Mariken (van Andr & lsquor; van Duren) nu nog draait, en Liefje (van Emile Fallaux) onlangs in première ging op het Rotterdams Filmfestival, en op 25 maart bij de vpro is te zien. Zijn theateropleiding volgde hij aan de Studio Herman Teir linck in Antwerpen, en meteen daarna, in 1995, lijfde Ivo van Hove hem in bij Het Zuidelijk Toneel. Nasr was begin 20, stond in stukken van Shelley (De Cenci), Shakespeare (Maat voor maat en Romeo en Julia) en Camus (Caligula), en is sinds maart vorig jaar alweer vrij man.

De routine van het werken bij zo'n toneelgezelschap begon hem tegen te staan, vijf keer per week in een bus klimmen, zestig voorstellingen lang. 'Ik zag er de noodzaak wel van in, maar voor mezelf de lol niet meer. Spelen wordt steeds meer liegen, steeds meer techniek. Het publiek merkt er niks van, sterker nog: de techniek en het spelen worden steeds beter. Maar het voelen van binnen wordt steeds minder.'

Hij wilde ook de vrijheid hebben andere dingen te doen, en bovendien niet een jaar van tevoren weten op welke dag wat op het programma staat. 'Maar ja, dat weet ik nu eigenlijk ook alweer.' De eerste twee weken van april voert hij in Amman, Beiroet en Damascus de Engels-Arabische vertaling van De doorspeler op. The wanna play heet de monoloog dan, en hij speelde hem eerder in Oost-Jeruzalem en de Palestijnse gebieden, onder andere in het dorp Salfiet op de Wes telijke Jordaanoever waar zijn vader vandaan komt.

Het was in 1997, pas het jaar daarvoor had hij zijn familie er voor het eerst gezien. Toen hij dus voor diezelfde familie moest optreden, was dat 'eng', en niet vanwege het Arabisch dat hij destijds nog maar amper beheerste. 'Ik dacht: als dit niet aanslaat, kan ik inpakken, dan hoef ik hier nooit meer te komen. Maar gelukkig mocht ik blijven.' Ook al gaat maar een klein deel van The wanna play over Israël en de Palestijnen, voor het publiek ging alles erover.

Binnenkort gaat hij weer nieuwe terreinen betreden, want hij schrijft het libretto van een operette, die hij dit najaar regisseert voor theater Lantaarn/Venster in Rotterdam. Daarna neemt hij de regie van Il re pastore op zich, een vroege opera van Mozart, uitgevoerd door het Antwerpse operagezelschap Transparant, onder leiding van Paul Dom brechts.

Graag zou hij nog eens een programma maken dat alléén maar om te lachen is. Maar er is te weinig tijd. 'Plus er is toch altijd iets in me dat dan in opstand komt. Het moet toch net iets meer worden.' Als kind dacht hij er anders over. Steeds weer beluisterde hij de bandjes van Freek de Jonge, om de timing van de woorden te analyseren. 'Waarom lachen ze nu? En waarom lachen ze nu pas?', vroeg hij zich af. Op school deed hij Freek na, al begreep hij amper wat die zei. 'D t wilde ik doen. Misschien wilde ik ook wel iets vertellen, maar ik was hoofdzakelijk bezig met gewoon leuk doen, een grote bek opzetten.' Op zijn 14de besloot hij dat hij bij het toneel wilde. 'Ik droomde van rijk en beroemd worden. Niet omdat ik gefnuikt was in mijn... wezen, of problemen thuis had', grinnikt hij, 'absoluut niet. Maar ik probeerde altijd de leukste van de klas te zijn, en toneel was voor mij een verlengstuk daarvan. Manifestatiedrang.'

Laatst kwam hij tot de conclusie: 'Eigenlijk is het raar, maar ik zie niet zo'n verschil tussen spelen, schrijven, nou, regisseren kan ik nog niet zeggen, maar het is allemaal een manier om een verhaal te vertellen. Daar ligt mijn passie, een verhaal vertellen. Op de middelbare school ging het meer om mezelf die een verhaal vertelt, ík vertel een verhaal, en nu komt de nadruk steeds meer te liggen op het verhaal, dat er een verhaal verteld wordt door iemand.'

Later, zegt hij: 'Een verhaal over het leven.' Hij begint te lachen: 'Dit is heel erg gênant: hij heeft een levenslied. Maar het is wel wat ik mezelf tot opdracht heb gesteld, dat ik iets van het leven begrijp. Ik wil het leven graag begrijpen.'

Palestijn zijn: tot hij die eerste keer naar zijn familie ging, wist hij niet wat het inhield. 'Ik was een schoolvoorbeeld van een Nederlander, totaal Nederlands opgevoed, met Bloem, Boutens en Hennie Huisman. Geen Arabische buikdanseressen over de vloer.' Overigens: 'Dat is ook precies het probleem met Rick van der Ploeg, die kunst van allochtonen wil stimuleren: wie is allochtoon?

Mensen die als top-allochtoon worden geprezen, bijvoorbeeld iemand als de schrijver Hafid Bouazza, dat zijn allemaal mensen die zeggen: luister, ik ben half-Marokkaans, maar mijn Nederlands is Cou perus.'

Zijn vader kwam naar Nederland vanwege de studie, en bleef vanwege de liefde. Zo werd Ramsey geboren uit een Rotterdamse moeder en een Palestijnse vader, die het met zijn drie zoons weinig over zijn afkomst had. Hoe en wat, daarover wil Nasr aanvankelijk niet veel kwijt. Hij wil niet dat zijn ouders, of de rest van zijn familie, van alles over zichzelf in de krant kunnen lezen. Net zo voorzichtig is hij met uitspraken over de toestand in Israël.

Hij zucht een paar keer. 'Je wordt meer in de gaten gehouden dan je zo zou denken als Nederlander. Ik denk dus bij alles wat ik hierover zeg: moet ik het zeggen, kan ik het wel zeggen, hoe zal ik het zeggen. Ik wil gewoon dat land in en uit kunnen. En ik besef dat iedereen die dit leest, zal denken: die jongen is paranoïde. Maar dat is niet zo.' Om te besluiten: 'Zullen we een ander onderwerp nemen?'

Zijn vader wilde met zijn komst naar Nederland vermoedelijk een periode afsluiten, zegt hij later dan toch. 'Je kunt er met weinig mensen echt over praten, tenzij je een hele avond erover praat. Het zal ook een soort indekken zijn geweest, zo onopvallend mogelijk hier zijn. Hij kwam in een ontzettend pro-Israëlisch land terecht.' Niks gemerkt van een toenemende sympathie voor de Palestijnse kwestie? 'Ik zie dat de publieke opinie nu begint om te slaan, maar toen ik klein was, kon je je Palestijnse afkomst het beste verborgen houden.'

Hoe Nederlanders reageerden op hun familienaam, zei genoeg: 'Nas ser, ah, president van Egypte! Ah, Egypte, zijn we ook geweest, prachtig.' Hij praat op gezwollen toon, en gaat over op normaal: 'Dan hadden we altijd zoiets: ja hoor, Egypte, als jij dat wilt. Hebben we tenminste nog een leuk gesprek.' Want die ene keer dat zich met een huisarts een soortgelijke dialoog ontspon, en hij vertelde dat hij Palestijn was, hing er plotseling iets unheimisch in de lucht. Waarop de huisarts zei: 'Oh, toch geen bommen bij u?' Ach, zegt Ramsey: 'Vaak weten mensen niet eens wat Palestijnen zijn. Dan zeg je Palestina, en dan vragen ze: hoe is het dan in Pakistan? Dan denk je: ja, het is prima in Pa kistan.

Het heeft er volgens Nasr mee te maken dat Palestijnen lang bekend stonden als 'Arabieren'. Werden ze wel bij name genoemd, dan waren het terroristen - terwijl leden van joodse terroristische organisaties van voor de stichting van de staat Israël de geschiedenis zijn ingegaan als 'vrijheidsstrijders'. Nasr: 'Waarom met twee maten meten? Het is beeldvorming, die haar oorsprong heeft in de oude zionistische leus: een land zonder volk, voor een volk zonder land.'

Toen bleek dat er wel degelijk mensen woonden, was een van de tactieken: blijven volhouden dat het land leeg was. 'Nu eindelijk begint men, de Nederlander of wie dan ook op de wereld, te zien dat Pa les tijnen mensen zijn. Dat het geen, zoals de Israëliërs het zelf nog altijd voorspiegelen, Arabieren zijn die teruggaan naar waar ze vandaan kwamen, Irak, Jordanië, Syrië en Libanon, maar dat het mensen zijn die er altijd hebben gewoond.'

Tijdens een van de keren dat hij in Israël was, bezocht hij een oude joodse vrouw, vooraanstaand lid van een linkse vredesbeweging, die tegen de bezetting van Gaza en de Westelijke Jordaanoever was, die vond dat de kolonisten er weg moesten en er een Palestijnse staat moest komen. Toen ze hem na afloop in West-Jeruzalem naar de bus bracht, kwamen ze langs prachtige oude huizen in Arabische stijl en hij vroeg: 'Goh, wie woonden hier nu vroeger, voor '48?' Zij: 'Arabie ren.' En hij: 'Waar zijn die naartoe gegaan?' Zij: 'Terug naar Irak, Jor danië.' Nasr: 'Toen viel het kwartje. Ze heeft dus een blinde vlek. Ze is ontzettend militant als het gaat om de gebieden die in '67 zijn bezet, maar de tijd voor '48 moet ze wegrationaliseren. Als ze zou accepteren dat er toen al Palestijnen woonden, zou ze de benen onder d'r eigen lijf vandaan schoppen. Dan zou ze de waarheid onder ogen moeten zien, namelijk dat de kans groot is dat ook in haar huis een Palestijnse familie heeft gewoond, die nu in een vluchtelingenkamp woont.

'Die blinde vlek is het enige redmiddel om als Israëlisch volk in stand te blijven. Maar waar het om gaat, is dat je als jood niet een ander volk tot nieuwe jood mag maken. Want hoe je het ook wendt of keert, en ik bedoel het niet cynisch, maar het Palestijnse volk leeft nu in diaspora. Wij zijn nu een volk zonder land.' De oplossing? 'Er zijn daar twee partijen die getraumatiseerd zijn. De internationale gemeenschap moet ingrijpen.'

Toen hij in 1996 voor het eerst zijn familie op de Westelijke Jordaan oever en in Amman bezocht, ging hij als Nederlander erheen, en kwam hij als Palestijn terug. 'Het is heel raar dat je ineens merkt dat je iemand anders bent dan je tot nu toe had gedacht. En dat je ook zo behandeld wordt.' Een 'naar voorbeeld' noemen wil hij niet. 'Over de Israëliërs kun je alle nare verhalen opsommen die je kunt bedenken, dus gewoon als een beest behandeld worden.'

Hij vertelt over het gesprek dat hij had met een orthodoxe jood die voor zijn winkel stond. Toen Nasr liet merken dat zijn vader Palestijn is, werd hij afgewimpeld. Nasr wilde weten wat de reden was. De reactie: 'Wij wonen hier duizenden jaren, dus dit land is van ons. Jullie met je families, jullie wonen hier dertig jaar, veertig jaar, wat hebben jullie hier te zoeken?' Wat bleek, na enig heen en weer praten? De man kwam zelf oorspronkelijk uit Marokko. Nasr: 'Toen dacht ik: dit is iemand die mij glashard vertelt dat hij hier duizenden jaren woont, terwijl zijn eigen vader uit Marokko komt. Weer die blinde vlek.'

Hij was er die eerste keer met zijn vader, die altijd had gezegd dat hij pas terug zou gaan als er vrede was. 'Maar op den duur ga je denken: hoe lang leven mijn familieleden nog? Toen kreeg ik allemaal mensen te zien, van wie werd gezegd: dit is jouw familie. Dan sta je wel even te kijken, ineens sta je daar en ben je de verloren zoon. En zo warm en zo liefdevol. Je gaat je afvragen: wie ben ik dan nu? Dat is heel raar. De grens tussen fictie en werkelijkheid wordt opgeheven. Ze kunnen je alles wijsmaken op den duur. Dus daarom ook, als het nu goed gaat, met mij, m'n werk, dat is gewoon onwerkelijk.'

In de tijd dat hij optrad in de Palestijnse gebieden, was hij aan het twijfelen: wil ik wel acteur zijn? 'In Nederland is toneel een luxe, het is geen uitlaatklep, het heeft geen functie, geen werkelijk maatschappelijke functie. Zelden.' D r merkte hij dat je op het toneel een verhaal kunt vertellen dat iets teweeg brengt, een verhaal dat terzake doet. Mensen uit het publiek zeiden tegen hem: 'Je hebt gevoelens losgemaakt die bij ons al lang waren ingeslapen.'

En er kwam een man naar hem toe, een Palestijns acteur, met tranen in de ogen: 'Kijk, wij zitten hier alleen maar dingen te doen voor onszelf. Met de beperkte middelen die we hebben, vertellen we het verhaal aan elkaar, en het gaat altijd over hetzelfde. Jij hebt de kans, jij zit in het Westen, jij hebt de middelen, jij kunt onze stem laten horen.' Nasr: 'Hij zag het ook als een verantwoordelijkheid.'

Zijn twijfels verdwenen. Niet dat hij die verantwoordelijkheid letterlijk neemt: 'Ik zie het verhaal van de Palestijnen in een veel bredere context. Hoe het er in Israël aan toe gaat, is voor mij een allegorie voor het leven. Het is daar het leven op de spits gedreven, het leven in essentie. Je hebt er een gigantische schoonheid en een geweldige wreedheid. Ook in de natuur. Rottende karkassen, droogte: de natuur doodt, de natuur probeert te overleven. Wij kapselen alles wat natuur is in, we bouwen muren eromheen, cultuur moeten we hebben, en dat noemen we dan beschaving.

'Maar d r vindt het leven plaats, als je kijkt naar de familiebanden die er zo hecht zijn. Dan kun je zeggen: dat is primitief, het draait om familie, en vrienden doen er niet toe. Maar waar zijn wij nu mee bezig? Met carrière maken, families vallen uit elkaar, er is geen ideologie, je hebt wat vrienden en dat is het. Daar is het allemaal heel hecht. Vandaar dat ik er trots op ben Palestijn te zijn. En dat valt voor mij samen met een soort trots om mens te zijn, of om uberhaupt levend te zijn. En die trots is een beetje weggevallen, hier, in onze maatschappij, de trots om te leven en mens te zijn. Zinloos geweld hangt ermee samen, en het verdwijnen van de etiquette. Snap je een beetje wat ik bedoel?

'De situatie in Israël is voor mij, hoe raar het ook klinkt, de meest extreme vorm van gebrek aan etiquette: een gebrek aan respect voor andere mensen.' En ja, dat hij zich in Nederland of België ergert aan onbeschoft winkelpersoneel, of dat hij bij billboards van half ontklede modellen moet denken aan wat bejaarden daarvan zullen vinden, heeft alles te maken met zijn achtergrond. Aan de toestand in Israël kan hij niets veranderen, wat hij wel kan, is zich opwinden over het gebrek aan omgangsvormen ver daarvandaan.

Aan het eind van het gesprek praat hij weer over het verleden, de Parijse kunstenaarsscene uit de jaren twintig en dertig, met Picasso, Gi a cometti, Mondriaan. 'Toen kon er nog iets nieuws worden gemaakt. Dat soort dingen als het kubisme, dat moet toch geweldig zijn geweest? Dat je dacht: dit is het, ik heb een nieuwe vorm gevonden, niet ik, maar met een groep, samen de wereld willen vatten, het ultieme in de kunst uitvinden, een sleutel tot de waarheid, zo zitten de mensen in elkaar. Nu hoor je: alles is al eens gedaan, alles is al eens gezegd. En dat is nog nooit zo waar geweest als nu.'

Meer over