'Ik ben een handige vogel met enig muzikaal talent' Japie de Portier is weer terug in de kroeg

Hij was de Rotterdamse kloon van Johnny Jordaan. Later de koning van Katendrecht. Hij liep in de Bahreinse woestijn toevallig crooner Tony Bennett tegen het lijf en zong samen met hem op een podium in hotel San Francisco....

HANS HORSTEN

van onze verslaggever

Hans Horsten

ROTTERDAM

Jack van Dam, alias Japie de Portier, rides again. Na alle werelddelen te hebben doorkruist, is hij op zijn 57ste bezig aan een come-back die hem een kwart eeuw na dato wederom langs de volkskroegen van Rotterdam voert. En natuurlijk wil iedereen weer Ik ben Japie de Portier van hem horen, de kraker waarmee hij eind jaren vijftig zijn reputatie als ultieme vertolker van het Rotterdamse levenslied vestigde en kortstondig de status van nationale coryfee bereikte.

Bijna driehonderdduizend singletjes gingen er van dit feestlied voor bruiloften en partijen over de toonbank. Net zoveel als van Hand in Hand, Kameraden dat Van Dam opnam toen Feyenoord in het begin van de jaren zestig voor het eerst aan Europees succes rook. 'Dat zijn natuurlijk nog altijd de liedjes waarmee ik een sfeertje bouw. Feyenoord heeft het hele vorige seizoen zwaar klote gespeeld, maar je moet het hier nog altijd niet wagen om Hand in hand, Kameraden in mineur te brengen.'

Van Dams levensverhaal leent zich voor een avonturenboek. Op zijn zestiende trok hij de deur van het ouderlijk huis aan de Eemdijk ('Ik ben zo'n boer van Zuid') achter zich dicht om op de grote vaart zijn geluk te zoeken. Verder was hij baggeraar, kok, kroegbaas, chauffeur. Nu voor de tweede keer in zijn bestaan artiest.

'Ik ben een handige vogel met enig muzikaal talent. Voor mij is het een beroep, geen roeping. Iedereen trekt nu weer aan mijn jasje voor Japie de Portier. Dat stempel heb je nu eenmaal op je voorhoofd. Jouw smaak wordt niet gevraagd. Vind ik ook geen probleem. Als je idealist bent, moet je in de jazz blijven hangen. Ik heb de mensen niks te zeggen, bezorg ze alleen maar een paar uur vergetelheid. Wat amusement om de dagelijkse zorgen even bij aan de kant te zetten.'

Van Dam rolde bij toeval het métier in. Als potige knaap van rond de twintig werd hij door de Rotterdamse broertjes Jaap en Arie Valkhof, liedjesschrijvers van nationale faam, gevraagd als portier voor hun nachtcafé De Oase. 'Dat was toen de enige tent in Rotterdam waar wat gebeurde. Op een gegeven moment vroeg ik aan Jaap Valkhof: mijnheer Valkhof, u schrijft voor iedereen liedjes, kunt u niet eens een keer iets voor mij componeren? Nauwelijks een uur later kwam hij met de tekst voor Japie de Portier aanzetten, en een dag later met de muziek. Het nummer sloeg meteen in als een bom.'

De enorme platenverkopen in zijn eerste podiumcarrière ten spijt werd Van Dam daar financieel nauwelijks wijzer van. 'Je hoorde in die tijd wel eens roepen: een piek per plaat. Nou, vergeet het maar. Ik had een piepklein contract met de platenmaatschappij. Ik was er wel bij toen Jaap Valkhoff in Amsterdam zijn royalties voor het nummer ging afrekenen. Daar pleurden mij toen de veters van uit de schoenen.'

Toch was Japie de Portier voor Jack van Dam in die tijd een kip met gouden eieren. 'Ik bleef als portier werken, maar was toch een bekendheid. Ze stonden 's nachts in de rij voor mij bij de Oase. Twee eruit, twee erin, dat weet ik nog. De bezoekers vonden het prachtig om door een bekende zanger in en uit hun jas te worden geholpen. Dan stopten ze je al gauw vijf piek toe. Er waren avonden bij dat ik elfhonderd gulden ving. Na een paar maanden kwam Valkhof naar mij toe. Dat gaat zo niet langer met die drukte aan de deur, vond hij. Ik moest voor 250 gulden in de week bij hem op de bühne komen zingen.'

Van Dam bewaart de beste herinneringen aan de acht jaar dat hij in de Walhalla op Katendrecht een vast engagement had en top of the bill in Rotterdam was. Het was de tijd dat de rosse buurt op Katendrecht een uitstraling tot ver buiten de grenzen had en dat zeelieden hun gevechten nog met de blote vuist beslechtten. 'Eten bij de Chinees en dan luisteren naar Japie, was de Rotterdamse slogan in die jaren.'

Ondanks de nieuwe successen heeft Van Dam niet de illusie nog ooit een hit met een grote H in handen te krijgen. 'Het moet tegenwoordig allemaal snel en hard. Daar komt bij dat die amusementssector een keiharde branche is. Heb je een aardig plaatje dan moet je bij een plugger al gauw enkele duizendjes op tafel leggen. Ik zeg altijd: in dit werk moet je het werk op laten knappen door ratten, want je wordt ook belazerd door ratten.'

Het doet Van Dam plezier dat hij onder zijn publiek ook regelmatig twintigers aantreft. 'Het is fijn om te weten dat er ook nog jongeren bestaan die op zoek zijn naar wat mildheid in hun leven.'

Meer over