Iedereen zet in op Rushdie

Dinsdagavond wordt, tijdens een rechtstreekse tv-uitzending op BBC 2, bekendgemaakt welke schrijver de Booker Prize krijgt. Dit jaar heeft de jury vijf titels genomineerd....

HANS BOUMAN

ELK JAAR OPNIEUW weet hij een hoop opwinding te veroorzaken, de Britse Booker Prize, die volgende week voor de 27ste keer wordt toegekend. De oorzaak is niet het televisiespektakel bij de bekendmaking van de winnaar. De BBC-uitzending, dinsdagavond live vanuit de Guildhall in Londen, is (anders dan de uitzending van de AKO-prijsuitreiking) per traditie uitstekend verzorgd. Uitgezonden worden al eerder opgenomen korte interviews met de genomineerden, hun boeken worden beknopt maar kernachtig getypeerd en een eigenwijs panel onder de deskundige leiding van Sarah Dunnant doet wat aardige of lelijke, maar zelden saaie uitspraken, waarbij meestal Tom Paulin en Germaine Greer elkaar aangenaam in de haren vliegen.

Als men zich in de Britse pers boos maakt is dat nooit over de belabberde organisatie, de indiscretie van de cameraman of de oppervlakkige vragen van de interviewster, maar gewoon over het feit dat de jury het ook dit jaar weer helemaal verkeerd heeft gedaan. Anders verkeerd dan die van vorig jaar weliswaar, maar verkeerd. Het leuke is dat de Booker-juryleden veel indiscreter zijn dan hun AKO- of Libris-collega's. Veel vaker lekt saillante informatie uit en rancuneuze juryleden die hun zin niet hebben gekregen, uiten hun verontwaardiging over de 'verkeerde winnaar' nog tijdens het Booker-diner ten overstaan van de pers.

Vorig jaar sprak het jurylid Julia Neuberger er bijvoorbeeld openlijk schande van dat James Kelman's How Late It Was, How Late de prijs kreeg toegekend, terwijl het juryrapport wel mede door haar was ondertekend. In Nederland wilde Doeschka Meijsing ooit uit de AKO-jury treden toen haar broer Geerten tot de genomineerden behoorde. Kom daar in Groot-Brittannië eens om! Daar proberen ze, als het even kan, hun eigen vrouw op de shortlist te krijgen. Zoals Guardian-criticus James Wood, die vorig jaar - toen Claire Messud door zijn collega-juryleden werd voorgedragen - discreet verzuimde te melden dat hij huis en bed met mevrouw Messud deelde.

Hoewel niet elke toekenning evenveel stof doet opwaaien, is er een absolute garantie voor heibel zodra van Martin Amis een titel in de race is. Zijn boeken, hoezeer ook geprezen door de literaire kritiek, worden door de Booker-jury's consequent genegeerd. Time's Arrow was vier jaar geleden de uitzondering die de regel bevestigde, maar dat was dan ook achterstevoren geschreven. Maar verder dan een nominatie kwam Amis niet, hoewel zijn Money en London Fields gerekend worden tot de belangrijkste boeken van de laatste twintig jaar. De jury van 1989 spatte bijna uiteen toen Maggie Gee en Helen McNeil hem ten koste van alles buiten de shortlist wisten te houden.

Ook 1995 was een 'Amis-jaar'. De Britse pers vierde dat door uitgebreid te schrijven over zijn nieuwe gebit, zijn nieuwe echtgenote en zijn nieuwe voorschot. Amis' nieuwe boek, The Information, bracht minder opwinding teweeg. Ondanks enkele lovende kritieken was de ontvangst lauw, al leek het soms of niet zozeer de roman alswel het voorschot werd gerecenseerd.

Maar toen de jury, onder leiding van het Conservatieve parlementslid George Walden, op 28 september het lijstje bekend maakte, was het Martin Amis die de krantekoppen en de voorpagina's haalde. Dat zijn naam ontbrak was voor veel journalisten belangrijker nieuws. Publiciste, hoogleraar literatuur en Booker-jurylid (1982) Lorna Sage reageerde gelaten: 'Martin behoort tot degenen die de prijs wel nooit zullen krijgen. Toen ik twintig jaar geleden voor het eerst zitting had in een jury, heb ik hem eens gesuggereerd. Mijn collega's keken me aan of ik een monster was. Waarschijnlijk zal hij net zo lang moeten wachten als Kingsley.' De onlangs overleden Amis sr was 64 toen hij in 1986 de Booker Prize ontving.

Daarnaast wekte dit jaar vooral het feit verwondering dat de jury maar vijf boeken had genomineerd, in plaats van de gebruikelijke zes. De laatste keer gebeurde dat in 1979. Vier jaar eerder had een jury het onder leiding van Angus Wilson nog bonter gemaakt: de shortlist bevatte toen twee titels, van respectievelijk een auteur van Indiase (Ruth Prawer Jhabvala) en Australische (Thomas Keneally) komaf.

In 1980 en 1981 nomineerde de jury zeven boeken. Dat werd reglementair verboden; de lijst moet nu minimaal vier en maximaal zes titels bevatten. Al deze regels ten spijt wist de jury de boekenwereld in 1992 opnieuw onaangenaam te verrassen, ditmaal door twee winnaars uit te roepen: Michael Ondaatje en Barry Unsworth. Die narigheid had zich in 1974 ook al eens voorgedaan. Nadine Gordimer en Stanley Middleton deelden de prijs, waarna verzuimd was de mogelijkheid van twee winnaars - in feite twee halve - uit te bannen.

Dat de jury van dit jaar - die naast Walden bestond uit de critici Kate Kellaway (Observer) en Peter Kemp (Sunday Times) en de auteurs Adam Mars-Jones en Ruth Rendell - haar quotum niet heeft vol gemaakt, is om meer redenen wonderlijk. Zo was er een recordaantal van 141 te beoordelen boeken, waaronder titels van liefst acht voormalige winnaars: Kazuo Ishiguro, Kingsley Amis, John Berger, Anita Brookner, Penelope Fitzgerald, Thomas Keneally, P.H. Newby en Bernice Rubens. Vreemd is bovendien dat Tim Winton de shortlist heeft gehaald, terwijl hij niet eens op de geheime, maar uiteraard uitgelekte longlist van twaalf titels voorkwam.

Het is duidelijk dat ook de selectie voor 1995 tot stand is gekomen na keiharde botsingen tussen de juryleden. 'Er bestond groot enthousiasme over deze vijf titels', aldus voorzitter Walden, die bekend staat als een fanatiek Amis-liefhebber en zich in 1989 kritisch uitliet toen London Fields werd genegeerd. 'Geen enkel ander boek kon op de algemene sympathie van de jury rekenen.' Hij moet het tandenknarsend hebben uitgebracht.

De boekhandelketen Waterstone's heeft van het opheffen van de vaste boekenprijs in Groot-Brittannië gebruik gemaakt door The Information uit te roepen tot 'Booker Bridesmaid' en het bij aanschaf van een genomineerde titel te koop aan te bieden voor vijf pond. Cynici hebben al geopperd dat aan die stunt vooral de grote voorraad onverkochte exemplaren ten grondslag ligt.

Goed, Amis is dus niet genomineerd, maar wie wel en wat zijn hun kwaliteiten? Om te beginnen is daar de traditionele outsider, ditmaal de Australiër Tim Winton, van wie in Nederland twee romans zijn vertaald bij Amber. Zijn nieuwste, zesde roman heet The Riders (Picador; de vertaling verschijnt bij De Geus). Het is een enigszins onevenwichtig, maar bij vlagen fascinerend en meeslepend boek over de Australische arbeider Scully, die weliswaar het gezicht heeft van een moordenaar, maar gezegend is met een hart van goud. Hij wil zich na jarenlange omzwervingen door Europa met zijn gezin vestigen in westelijk Ierland.

In afwachting van de overkomst van vrouw en kind uit Australië, probeert hij onder primitieve omstandigheden een plattelandshuisje bewoonbaar te maken. Op een nacht wordt hij opgeschrikt door een mysterieus gezelschap ruiters, dat in de buurt zijn kamp opslaat. Ze doen hem denken aan middeleeuwse huursoldaten, maar als hij op hen afgaat voor een gesprek, negeren ze hem.

Enkele dagen later gaat Scully naar het vliegveld van Shannon om zijn vrouw Jennifer en hun zevenjarig dochtertje Billie af te halen. Maar alleen Billie blijkt te zijn aangekomen, te overstuur om te kunnen vertellen wat er is gebeurd. Wat volgt is de zoektocht van vader en dochter naar Jennifer. Die voert via Griekenland en Italië naar Frankrijk en uiteindelijk Amsterdam. Het boek heeft het karakter van een thriller, maar is tevens een fascinerend onderzoek naar de vraag hoe goed mensen elkaar nu eigenlijk kennen en begrijpen.

De van geboorte Zuidafrikaanse auteur Justin Cartwright heeft in Britse literaire kringen de reputatie van kampioen van de documentaire roman. Zijn vorige boek, Look At It This Way, is wel het Londense equivalent van The Bonfire of the Vanities genoemd, en van zijn nieuwe roman, In Every Face I Meet (Sceptre), zou iets dergelijks kunnen worden gezegd. Het boek heeft twee verhaallijnen. Eén vertelt over de investeringsbankier Anthony Northleach en zijn stagnerende carrière aan het slot van het Thatcher-tijdperk. De andere gaat over het aan crack verslaafde hoertje Chantelle, haar baby en haar pooier. Cartwright zet beide werelden overtuigend neer.

Het grootste deel van de roman speelt zich af op een februaridag in 1990. Nelson Mandela staat op het punt de gevangenis te verlaten en deze gebeurtenis doet Northleach terugdenken aan zijn koloniale jeugd in Swaziland. Met een vriend vat hij het plan op naar Kaapstad af te reizen om Mandela's vrijlating te vieren. De twee verhaallijnen komen samen als Chantelle op een avond de auto van Northleach aanhoudt. Dan ontwikkelt zich een gecompliceerde, maar onderhoudende plot.

Het mensbeeld dat Cartwright schetst is weinig bemoedigend. Zijn mannelijke personages lijken weggelopen uit de meer vrouwonvriendelijke boeken van (alweer) Amis sr; de vrouwen trouwens ook.

De overige drie genomineerde boeken zijn in de Volkskrant besproken. In zijn elfde roman, Morality Play (Hamish Hamilton; de vertaling verschijnt bij De Geus), voert Barry Unsworth zijn lezers mee naar wat een van de ellendigste perioden uit de geschiedenis moet zijn geweest: de veertiende eeuw. Het boek heeft de spanning van een middeleeuwse whodunnit, maar wat Morality Play belangwekkend maakt is de elegante en tegelijk ijselijke manier waarop het de verantwoordelijkheden van de mens ter discussie stelt.

Met The Ghost Road (Viking; de vertaling verschijnt bij De Geus) sluit Pat Barker haar indrukwekkende trilogie over de Eerste Wereldoorlog af. Net als in de vorige twee boeken is de historische figuur dr W.H.R. Rivers een van de hoofdpersonen, naast de naar het front teruggekeerde Billy Prior. Opnieuw maakt Barker in dit boek de gruwelen van de loopgravenoorlog voelbaar. Bovendien gaat zij uitgebreid in op de psychologische en morele complicaties voor de betrokkenen. Een waardige afsluiting van een literair monument.

Salman Rushdie's The Moor's Last Sigh (Jonathan Cape; als De laatste snik van de Moor verschenen bij Contact) is precies zo wervelend en adembenemend als je van de auteur van Midnight's Children mag verwachten. En, zo blijkt, voor sommigen bijna even provocerend als The Satanic Verses. Uit de mond van Moraes Zogoiby, die letterlijk vertelt of zijn leven ervan afhangt, horen we het verhaal van een Indiase familie, die rijk is geworden in de specerijenhandel. Om elkaar heen kronkelende verhaallijnen, bizarre gebeurtenissen, kleurrijke personages. Overdadig en meesterlijk.

Het lijdt geen twijfel dat de Booker Prize 1995 een sterke shortlist heeft. Gezien de aard van de vijf boeken kan worden vastgesteld dat de jury veel waarde hecht aan een meeslepende plot. Mede op basis daarvan zou je Rushdie als winnaar kunnen doodverven en dat is dan ook volop gebeurd. Al voor de bekendmaking was hij torenhoog favoriet. Bij de bookmakers heeft hij, voor het eerst in de geschiedenis van de Booker Prize, een zogenaamde 'odds-on' notering gekregen. Recente cijfers van bookie William Hill laten zien dat Rushdie 4-5 staat genoteerd, tegen Barker 3-1, Unsworth 9-2, Cartwright 7-1 en Winton 8-1. Dat houdt in dat wie op Rushdie gokt, zijn inzet terugverdient plus de helft van dat bedrag. Bij Winton bedraagt de winst het achtvoudige van de inzet.

De kansen? Winton lijkt, als 'last minute'-mededinger, het minst aannemelijk als winnaar. En als Unsworth drie jaar geleden voor zijn vuistdikke Sacred Hunger slechts een halve Booker Prize ontving, zou hij dan nu voor een flinke novelle de volle mep krijgen? Ook Cartwright lijkt te licht voor de bekroning.

Het zou niet meer dan rechtvaardig zijn als de strijd ging tussen Pat Barker en Salman Rushdie. De laatste heeft de prijs al eens gewonnen met Midnight's Children. Niemand heeft nog tweemaal een Booker Prize ontvangen, maar dat zegt op zich weinig nu Rushdie weer meedingt. Met The Moor's Last Sigh kan de jury alle kanten op: de favoriet bekronen (wat onaangenaam volgzaam staat), en tegelijkertijd iets unieks bewerkstelligen (wat die volgzaamheid weer compenseert).

Ik zet mijn geld dus op Rushdie, net als iedereen. Maar eigenlijk behoren die twintigduizend pond natuurlijk naar Pat Barker te gaan.

Meer over