Iedereen mag meedoen

RASA in Utrecht programmeert al 40 jaar een wereldbol aan muziek en dans. Er komt een trouw publiek dat graag over de grenzen kijkt, maar wel één richting op....

Werp een blik in het programmaboek van centrum RASA, seizoen 2010/2011, en wandel mee door een exotisch instrumentenkabinet.

Naast de Afrikaanse luit de ngoni – op 12 maart 2011 te bespelen door de Malinees Bassekou Kouyaté – vinden we de vijfsnarige Boudoumaharp de biram, de Marokkaanse vaastrommel de derbouka, en de Rwandese bamboehoorn de ama-kondera. We gaan oostwaarts, en lopen tegen de ud aan, de vedel, de Noord-Chinese mondharp de kouxian, de Oezbeekse langhals-luit. En dan staat bij de uitgang vast nog ergens een tweesnarige knieviool, ook bekend als er-hu.

Minstens zo sprookjesachtig lijken de muzikale disciplines die we het komende seizoen mogen verwachten: Zuid-Koreaanse folkjazz, Colombiaanse vallenato, ‘musette noir’ uit San Francisco en Arabo-Andalusische genezingsmuziek uit Fès.

In het Utrechtse ‘centrum voor wereldcultuur’ RASA kun je rondlopen als Indiana Jones in het paleis van de maharadja. Al veertig jaar programmeert RASA een wereldbol aan muziek en dans, en vanaf dit weekeinde viert de zaal zijn jubileum, met een boek, een ‘jubileumweek’ en muziek zoals ze die aan de Utrechtse Pauwstraat graag horen: van klassieke Iraakse maqams tot Arabo-triphop.

Wie dit curiosum in de podiumsector wil begrijpen, doet er goed aan om na de ontdekkingsreis door het programma nog even af te dalen in de oergronden. Diep graag, want volgens de huidige directeur Wieland Eggermont wortelt RASA tot aan Napoleon.

De kleine keizer hield van makkelijk, en gaf de Utrechtse wijken letters: Wijk A, Wijk B, enzovoorts, namen die later werden weggewerkt en opgevrolijkt. Alleen Wijk C bleef bestaan, de meest oorspronkelijke wijk van Utrecht, en volgens Eggermont een soort East End, een volkswijk met een sterke cohesie en zelfs een bescheiden Chinatowntje, na een eerste emigratiegolf vanuit het verre oosten.

De emigranten vierden bij voorkeur een eigen feestje, gingen op voor Nederlanders onbegrijpelijke tijden de straat op in drakenpak, en aan het Paardenveld in Utrecht trokken de nieuwe Nederlanders eind jaren zestig in bij het buurtcentrum voor Wijk C, dat later tevens ging dienen als jongerenclub voor studenten uit het actiewezen.

Het Kasieno verrees, helemaal goed gespeld volgens de lettermode van die tijd. Hoe het er daar aan toe ging in de beginjaren is moeilijk te achterhalen: de herinneringen zijn mistig, zeggen betrokkenen, dankzij hasj- en drankmisbruik. Maar er werden in ieder geval workshops burgerlijke ongehoorzaamheid georganiseerd, spijbelcursussen voor kinderen, dat werk. Ook geheel naar de tekenen des tijds: bestuurlijke ruzies brachten de soos naar de rand van de afgrond.

Het moest anders, begrepen zelfs de anarchohippies, en in oktober 1970 werd de woest-roze gevel van het pand strak wit geverfd, en de club gedoopt als RASA, naar tabula rasa, Latijn voor een onbeschreven blad, een schone lei. RASA bleef een zaal met hoge actiebereidheid, maar dacht ook aan nutteloos vermaak en ging dus pop programmeren.

Wat er in het eerste decennium aan bandjes aantrad, is RASA-mythologie. Een archief werd die jaren niet bijgehouden, aanplakbiljetten werden niet bewaard, maar volgens de overlevering traden The Ramones op aan het Paardenveld, The Talking Heads, JJ Cale, Nico en Kraftwerk. Popmuziek uit liefst links-progressieve hoek.

In de jaren tachtig besloot RASA dat de ideologieën – de club organiseerde nog altijd pottenfestivals als Rock tegen de Rollen, deed aan debatten en vormingstheater – weleens in het zonnetje mochten worden gezet. RASA ging naar buiten, organiseerde zogeheten Parkspektakels. Volgens directeur Eggermont werd hier in het Utrechts openbaar groen het huidige RASA verwekt. ‘Er waren een aantal sterke migrantengroepen in Utrecht – Grieken, Italianen, Turken – en die vroegen: mogen wij meedoen?’

Natuurlijk mochten ze dat, en het werd gezellig, met volksdansen en muziek uit het thuisland. RASA, destijds gesubsidieerd vanuit een welzijnspotje, dacht dat vanuit dit culturele samengaan een mooi mission statement kon worden getrokken, en werd halverwege de jaren tachtig een ‘Centrum voor Migrantencultuur’.

Toen directeur Jeanneke den Boer aantrad in 1987, had RASA volgens haar volop aandacht voor muziek uit de migrantengemeenschap, en wat er zoal in Nederland aan gemaakt werd. ‘We programmeerden Surinaamse kaseko en jazz, Caribische salsa, gespeeld door Nederlandse emigrantenbands. Maar meer en meer verlegden we de interesse naar de muziek uit de herkomstlanden.’

Programmeur in die jaren was Gert de Boer. Hij deed een slimme zet, zocht contact met emigrantenverenigingen die ook nog eens handig waren gevestigd in de buurt van het inmiddels naar de Pauwstraat verhuisde RASA. De Marokkaanse Arbeiders Nederland, Spaanse stichtingen, verenigingen van gevluchte Iraniërs. ‘Deze clubs hadden goede contacten in het thuisland, en wisten welke artiesten ze naar Nederland wilden, en konden halen. En ze hadden een achterban, dus leverden publiek.’

RASA werd een clubhuis waar emigranten een avondje thuis konden zijn, en waar Nederlanders mochten kennismaken met nooit gehoorde muzikale stromingen. De Boer: ‘We brachten Iraanse concerten, klassieke zangers zoals de absolute ster Mohammed Reza Shajarian.’ Er kon geen kip meer bij, en volgens De Boer gierden de emoties door de zaal.

Oud-directeur Jeanneke den Boer organiseerde een spraakmakend festival: Raï, Rap, Reggae, Rasa. ‘Het was een sensatie, voor een publiek van Algerijnen en Nederlanders. We wilden aantonen dat die raï veel raakvlakken had met westerse pop, met rock ’n’ roll. En het was voor het eerst dat er raï te horen was in Nederland. Dat maakte de begintijd van RASA zo bijzonder: veel van wat we op het podium hadden, was echt voor het eerst te zien en te horen.’

RASA kwam daarna met Imazighen, een festival voor Berbermuziek waarbij altijd gezocht werd naar context en kaders. Den Boer: ‘We zetten niet zomaar wat op een podium maar organiseerden er debatten omheen, lezingen, nodigden dichters en schrijvers uit. Uit heel Europa kwam publiek af op ons Imazighen, omdat er een dichter optrad die alle Berbers in Europa wilden horen spreken.’

De missie volgens Den Boer: ‘Laten zien dat de samenleving veranderde, en dat die verandering soms om de hoek lag.’

Samen met het Amsterdamse Tropentheater duwde RASA langzaamaan iets als ‘wereldmuziek’ het podium op, een term die in de jaren negentig opkwam als handig containerbegrip voor muziek die we niet kennen, niet-Westerse geluiden waarin we best geïnteresseerd bleken. RASA stond vaak aan het begin van de carrière van een ‘wereldartiest’, die soms met zijn ogen stond te knipperen in enthousiast onthaal en fel podiumlicht.

De Pakistaanse soefizanger Nusrat Fateh Ali Khan speelde in RASA, de eerste keer voor een man of 35, werd later een wereldster.

De Malinese blueslegende Ali Farka Touré trad herhaaldelijk op, kreeg in RASA verkering met een dame uit het publiek, zijn latere echtgenote.

Femi Kuti, zoon van Fela, speelde de Pauwstraat plat met stomende Nigeriaanse Afrobeat.

De Afro Cuban All Stars togen naar RASA, voordat ze als Buena Vista Social Club met Ry Cooder de hele wereld werden rond gesleept.

De Malinese gitarist en zanger Habib Koité speelde eerst in RASA, alvorens de grote popzalen uit te verkopen.

RASA richtte de blik steeds indringender op de muziek – dans en afgeleiden als ‘urban’ jongerentheater schoven naar de rand van de programmering. De subsidiestroom kwam niet langer uit de pot ‘welzijn’, maar uit ‘cultuur’. En RASA vond uniciteit in de benadering van ‘wereldmuziek’. Want anders dan bijvoorbeeld het Tropentheater in Amsterdam kon RASA ook eens aankloppen in de nabije Europese landen: Roemenië, Albanië.

Volgens de huidige hoofdprogrammeur Maarten Rovers worstelde RASA vanaf het begin met de term ‘wereld’, en rolde het podium ook weleens over de vloer met het publiek. ‘Wij vonden tot voor kort wel dat we Europese muziek onder ‘wereld’ konden scharen, maar dan alleen de muziek van bevolkingsgroepen die we dan zogenaamd zielig vonden. De Albanese polyfonische zangers, zigeuners natuurlijk, flamenco.’

RASA moest volgens Rovers vooral niet proberen bijvoorbeeld Duitse volksmuziek neer te zetten, laat staan Nederlandse. ‘Ons publiek was daar totaal niet aan toe. Ze zouden ons lynchen.’ Het werd een kwestie van langzaam doseren en begrip kweken.

Want de relatie van RASA met haar publiek was – vanaf het prille begin – gepassioneerd, vol liefde, soms bonje. Het RASA-bezoek is op te delen in bloedgroepen. Flamenco-volk, publiek voor Oosterse kamermuziek, en natuurlijk Afrika. Er geldt volgens Rovers een vreemde paradox voor het RASA-publiek. ‘Een heel wijde horizon, en toch een soort tunnelvisie. Publiek dat voor flamenco komt, vind je niet bij soefizang. Er zijn maar een paar echte RASA-volgers die overal op af komen, maar voor het overgrote deel is het publiek best conservatief.’

Directeur Wieland Eggermont: ‘En soms voorspelbaar. Je kunt bij een Iraanse avond bij de deur staan, en naar achteren roepen: jongens, nog even wachten, mijnheer Verbeek is nog niet gearriveerd.’ Zelfs de bargewoonten zijn ingesleten. Eggermont: ‘Zorg bij een avond Indiaas klassiek dat de thee staat te pruttelen. Bij een programma uit Iran dat er voldoende cognac is.’

RASA spreekt liefdevol over een slijtvast deel van het Afrikapubliek, dat bij West-Afrikaanse popavonden steevast vooraan staat in Afrikablouse, al dansend voor de muziek is begonnen. Hondstrouw publiek, maar RASA wil ook een nieuw publiek winnen, niet blijven leven op uitsluitend die oude bloedstromen.

RASA heeft haar opvoedkundige taak altijd serieus genomen. Op kousevoeten is de laatste jaren een nieuw wereldgenre de zaal binnengeslopen: de ‘nordic music’, traditionele muziek uit de Scandinavische landen, waarvoor na een uitgekiende programmering toch weer een eigen publiek is ontstaan. En programmeur Rovers morrelt aan de deur, om meer muziek uit de ‘tweede wereld’ binnen te krijgen. Amerikaanse Deltablues, Americana, en hopelijk ooit dan ook eens een sterk Nederlands folkprogramma, voor een deel van de RASA-aanhang nu nog een ‘heel vreemde gedachtenkronkel’.

Rovers: ‘Als je alleen bent geïnteresseerd in de andere culturen, begint het toch een beetje te lijken op escapisme. Waarom zou Nederland niet een wat gezondere houding kunnen aannemen ten aanzien van de eigen traditie?’ Eggermont: ‘We brengen musici vanuit de hele wereld die trots zijn op wat ze doen. Maar waar zijn wij zelf eigenlijk trots op?’

Het zijn prangende kwesties die de toekomst van RASA zullen bepalen. Bezuinigingen op de subsidies hangen het centrum boven het hoofd, en daarbij is RASA onlangs overgeheveld van het rijk naar gemeentelijke bijdragen, en wordt RASA louter nog gezien als podium en niet als ook het agentschap dat zij is, dat Europese tournees organiseert voor wereldartiesten, festivals opzet in samenwerking met andere podia. RASA vraagt zich al af: hoe gaan wij dit oplossen? Eggermont: ‘Ineens houden we op bij de gemeentegrens, terwijl we een belangrijke landelijke taak hebben.’

Rovers: ‘Misschien is een podium dat ‘muziek van de planeet’ brengt, dwars door alle genres heen dus van klassiek Japans tot Colombiaanse hiphop, wel niet meer van deze tijd? Maar volgens mij kun je dat pas zeggen als deze muziek, en nog duizend genres die we kunnen ontdekken, een vaste plek heeft in reguliere concertzalen en poppodia. Die doen wel wat aan wereldmuziek, ze hebben er een potje voor en daarom shoppen ze af en toe wat in het aanbod. Maar erg hard denken ze er niet bij na.’

Eggermont: ‘RASA kan pas ophouden te bestaan als de missie is volbracht, dus als andere podia onze taak hebben overgenomen. Dat duurt nog minstens tien jaar.’

De wereld in Rasa
1987 Toumani Diabaté (Mali)

1988 Nusrat Fateh Ali Khan(Pakistan)

1989 Ivo Papasov (Bulgarije)

1991 Taraf de Haïdouks (Roemenië)

1991 Ali Farka Touré (Mali)

1991 Thomas Mapfumo (Zimbabwe)

1992 Oumou Sangaré (Mali)

1992 Cesaria Evora (Kaapverdië)

1993 Kudsi Erguner (Turkije)

1994 Mahmoud Ahmed (Ethiopië)

1994 Ahn Sook Sun (Korea)

1994 Baaba Maal (Senegal)

1995 The Klezmatics (USA)

1996 Habib Koité (Mali)

1996 Compay Segundo (Cuba)

1997 Femi Kuti (Nigeria)

1998 Mohammed Reza Shajarian

(Iran)

1998 Miguel Poveda (Spanje)

1998 Boubacar Traoré (Mali)

1999 Fanfare Ciocarlia (Roemenië)

2000 Amadou & Mariam (Mali)

2002 Orchestre Baobab (Senegal)

2003 Boban Markovic (Servië)

2003 Ljiljana Buttler (Servië/Bosnië)

2004 Tinariwen (Mali)

2009 Staff Benda Bilili (Congo-

Kinshasa)

2010 Vieux Farka Touré (Mali)

Meer over