Iedereen directeur

In Nederlandse musea voltrekt zich een stoelendans. Voor directeursfuncties worden conservatoren die zich al jaren warm lopen, gepasseerd voor relatieve buitenstaanders....

Hè, wie? De verbazing is de laatste tijd haast structureel. Want inderdaad, wie zijn toch al die nieuwe, relatief onbekende figuren die tegenwoordig hun intrek nemen in de directiekamers van de Nederlandse museumwereld? Benno Tempel als opvolger van Wim van Krimpen in Gemeentemuseum Den Haag, bijvoorbeeld. Emilie Gordenker in het Haagse Mauritshuis. Valentijn Byvanck en Erik Schilp in het nieuwe Nationaal Historisch Museum (NHM) in Arnhem.

Niemand uit het old boys netwerk; geen usual suspects die zich al jaren in het circuit warmlopen. En toch: aangenomen door de verschillende raden van toezicht die de meeste musea na hun verzelfstandiging besturen. Verrassende keuzes uit kandidaten die, zoals in de vacature voor het Gemeentemuseum stond, beschikken over een adequaat internationaal netwerk, een goed gevoel voor de potentiële markt, managementervaring in grote, complexe organisaties en bekendheid met actuele communicatie- en presentatietechnieken. En, o ja, die bij voorkeur kunsthistoricus zijn.

Goed opletten dus wie nu wat is of gaat worden op het congres van de Nederlandse Museumvereniging, vandaag en morgen in Groningen. Er voltrekt zich een ware stoelendans in de branche, zo’n vijf jaar na de laatste grote carrousel, toen de directeursfuncties van het Stedelijk Museum in Amsterdam, Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, het Van Abbemuseum in Eindhoven en het Centraal Museum in Utrecht vacant waren. Nu vormt een veel breder spectrum het toneel: de grootte van de instellingen varieert, het zijn niet alleen maar kunsttempels.

Een tussenbalans kan al worden opgemaakt: er komt een gemêleerd gezelschap aan nieuwelingen op af, met uiteenlopende achtergronden en kwalificaties. De sluizen staan open. Ruwweg: iedereen denkt potentieel museumdirecteur te zijn.

Neem Erik Schilp (1967). Was jarenlang in het buitenland consultant voor de theater- en filmwereld, zette in Barcelona enkele restaurants en kunstruimtes op, was model voor Levi’s en directeur van het Diaghilev Festival in Groningen. Schilp werkte voor het Muziektheater in Amsterdam, de Gasunie en werd na zelf gesolliciteerd te hebben in 2006 directeur van het wat verstofte Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Daar haalde hij 5 miljoen euro aan extra financiën binnen en wist het bezoekersaantal van 185 naar 265 duizend per jaar op te krikken met een voor het museum onorthodox aankoop- en tentoonstellingsprogramma.

Wim Weijland (1966) is er ook zo een. Afgestudeerd kunsthistoricus. Begon zijn carrière bij Galerie Mia Joosten in Amsterdam, maar maakte daarna de overstap naar tv-producent IDTV, werd directeur Toonder Studio’s en hoofd Kunst en Cultuur bij de AVRO, en is sinds twee jaar, als eerste niet-archeoloog, directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden.

De carrièreopbouw naar een museale directeurspost lijkt tegenwoordig een hink-stap-sprong door verschillende instituten, binnen, maar zeker ook buiten de kunstwereld. Kunsthistorica Gordenker (Mauritshuis) was inkoper bij het New Yorkse warenhuis Bloomingdales en produceerde multimediale projecten voor de Tate Modern in Londen. Wim Pijbes, sinds enkele maanden directeur van het Rijksmuseum, begon als lichtontwerper en theatertechnicus en was na zijn doctoraal kunstgeschiedenis werkzaam in Theater Lantaren/Venster in Rotterdam.

De post van museumdirecteur trekt heel wat gelukzoekers, zegt Antony Burgmans, oud-topman van Unilever en als voorzitter van de raad van toezicht in het Mauritshuis verantwoordelijk voor het aantrekken van Gordenker. Een personeelsadvertentie leverde ruim honderd reacties op. ‘Een groot deel was gewoon niet geloofwaardig. Zonder denigrerend te willen zijn, het niveau van de postbode ontsteeg het niet veel. Eerlijk gezegd vond ik de spoeling na de eerste schifting vrij dun. We hebben ook zelf mensen benaderd. We hielden al snel vijf of zes namen over, van wie een aantal niet beschikbaar was.’

De vijver waaruit wordt gevist bestaat volgens hem naast museummedewerkers, kunsthistorici en -handelaren ook uit managers uit het bedrijfsleven die de ratrace beu zijn. Dat Gordenker ook in die sector ervaring had, ‘strekte zeer tot aanbeveling’, zegt Burgmans. ‘Je moet echt klussen kunnen klaren, efficiënt zijn, daadkracht tonen, netwerken opbouwen en onderhouden. Zakelijk denken hoort erbij. Affiniteit met kunst is belangrijk, zeker, maar je hoeft echt niet alles te weten van zeegezichten uit de Gouden Eeuw.’

Variatie van banen en betrekkingen – financieel, organisatorisch, inhoudelijk – geldt tegenwoordig als wervende paragraaf op het curriculum vitae van de kandiderende museumdirecteur. Zozeer zelfs dat die jobhoppers een generatie conservatoren dwarszitten, van wie altijd werd gedacht dat juist zíj de musea het nieuwe millennium in zouden leiden, de veelbelovende opvolgers van de nu afscheid nemende oudere generatie museumbazen – voor het gemak even daargelaten of ze allemaal het directeursschap ook zelf ambieerden. Namen: Marja Bosma (Centraal Museum), Jaap Guldemond (Boijmans), Jan van Adrichem, Martijn van Nieuwenhuyzen en Leontine Coelewij (Stedelijk Museum), Mirjam Westen (Arnhems Museum van Moderne Kunst), Franz Kaiser (Gemeentemuseum Den Haag), Paula van den Bosch (Bonnefantenmuseum) en Mark Wilson (Groninger Museum).

Zij verbonden tien, vijftien jaar hun naam aan een prestigieus instituut. Ze hebben tentoonstellingen georganiseerd, nieuwe trends en kunstenaars gespot, een eigen museumafdeling gerund, boeken en catalogi gepubliceerd. Kunsthistorische bagage genoeg – zelfs te veel, aldus een veel gehoord bezwaar. Ze zijn gaandeweg in de institutie verkokerd geraakt.

Bosma c.s. worden nadrukkelijk gelieerd aan een museummodel dat als overjarig geldt, met een sterk naar binnen gekeerd kunstjargon en een puristische visie op hoe kunst gepresenteerd moet worden. Ze zijn groot geworden met kunsttheorieën van Lacan en Baudrillard en Benjamin, in een tijd dat het museum nog zwaar en als vanzelfsprekend werd gesubsidieerd.

Acht jaar geleden ageerden enkelen onder hen nog tegen de krachtpatserij van de bazen onder wie ze moesten werken. Martijn van Nieuwenhuyzen liet destijds in NRC Handelsblad weten, doelend op de toen nog onaantastbare posities van Rudi Fuchs (Stedelijk), Wim van Krimpen (Gemeentemuseum), Chris Dercon (Boijmans) en Sjarel Ex (Centraal Museum): ‘Weg met de verzengende ego’s in de Nederlandse musea, er zijn andere modellen denkbaar dan één genie aan de top.’ Samenwerking was geboden, en mocht er dan toch een nieuwe directeur worden aangesteld, dan ‘liever een kunsthistoricus als artistiek directeur dan een pure manager’, zoals Leontine Coelewij voorspelde.

Die opvatting heeft geen stand gehouden. De vraag naar managerskwaliteiten en directeurservaring – al is het maar enkele jaren – heeft ook te maken met andere verantwoordelijkheden. Degenen die nu aan zet zijn worden minder in de nek gehijgd door naar profilering hunkerende politici, maar weten zich vooral in het vizier van de raden van toezicht die, gewaarschuwd door de debacles van talrijke budgetoverschrijdingen in het verleden, op de eerste plaats een sluitende boekhouding wensen. Inventiviteit, er niet vies van zijn met de collectebus langs de sponsorwereld te gaan en het ‘publiek een goed gevoel geven’ (Benno Tempel) vormen de rode draad in het nieuwe museumbeleid. Het valt allemaal samen te vatten onder het breed omarmde begrip cultureel ondernemerschap.

Hoe kijkt de scheidende garde naar de new kids on the block? Vertrekkend museumdirecteur Van Krimpen ziet wel een patroon in de recente benoemingen, ‘het Kunsthalpatroon, een verheugende ontwikkeling’. Hij zei dit overigens een dag voordat het Gemeentemuseum zijn opvolger Tempel presenteerde; net als Van Krimpen zelf met een arbeidsverleden in het Rotterdamse kunstcentrum. ‘Nu musea steeds meer op eigen benen moeten staan is een legitieme vraag aan de orde: waar zijn de bezoekers? Pur sang kunsthistorici zijn doorgaans nu eenmaal niet geschoold in het trekken van publiek.’

Pauline Kruseman, die na 17 jaar vertrekt bij het Amsterdams Historisch Museum, gelooft niet dat de opvolgers voor wezenlijk andere uitdagingen staan. ‘Toen ik hier begon, moest je ook gewoon een tent zien te runnen. Mensen motiveren. Onderhandelen over een nieuw depot. Contracten afsluiten. Het draaide ook toen niet louter om kennis.’ Bovendien is volgens haar de speelruimte beperkt. ‘Je bouwt altijd verder op de fundamenten die de voorgangers hebben gelegd.’

Toch staan de nieuwlichters er op voor dat ze op z’n minst andere accenten leggen. Er klinkt een nieuw adagium: musea moeten hun relevantie in de samenleving bewijzen – artistiek en bedrijfsmatig. In de praktijk: minder blockbusters, minder spectaculaire en peperdure aankopen, minder oriëntatie op topstukken, meer verbintenis met het publiek uit de stad of regio. Liever in de eigen kelder op zoek naar een nog onbekend beeld, schilderij of gebarsten tegel, dan weer een moeilijk te financieren aankoop. Liever een tentoonstelling van een regionaal onderwerp of een plaatselijke held, dan een onbetaalbare expositie van een overbekende buitenlander. Treed je publiek openlijker tegemoet, betrek het nadrukkelijk bij het museum, stof je collectie af en mix je eigen bezit aan oude en nieuwe spullen tot een nieuwe presentatie. Valentijn Byvanck, een van de twee nieuwe bazen van het Nationaal Historisch Museum, verwoordde de strategie onlangs: ‘Je moet altijd uitgaan van de eigen kracht: wat mooi is, moet je vergroten en exporteren, wat nog niet mooi is, moet je mooi maken’. Byvanck, cultuurhistoricus en eerder werkzaam bij het centrum voor hedendaagse beeldende kunst Witte de With in Rotterdam, zette moderne presentatievormen in voor het traditionele erfgoed in het Zeeuws Museum en verstrekte opdrachten aan kunstenaars.

Erik Schilp, Byvancks collega in Arnhem, was geestverwant in Enkhuizen. Het Zuiderzeemuseum haalde kunst in huis om het wereldje oude ambachten aan de oever van het IJsselmeer op te schudden. Zo liet hij Atelier van Lieshout het informatiecentrum ontwerpen en kocht hij werk aan van Viktor & Rolf. ‘Je kunt wel zeggen: klederdracht uit de streek is cool, maar dan gelooft niemand je. Als je kunt laten zien waar de ontwerpers van nu het vandaan hebben, vertel je het hele verhaal zonder dat je woorden nodig hebt. Ik verzet me tegen de verzuiling in deze sector. Ik wil de grenzen tussen oudheidkunde, folklore, kunst en design laten vervagen.’

De grotere aandacht voor het eigen bezit betekent niet dat onder het nieuwe bewind de collectie heilig blijft; ook al een breuk met het verleden. In Enkhuizen gaan bijvoorbeeld 20 duizend van de 60 duizend tegeltjes Delfts Blauw de deur uit. ‘Doublures. Ze mogen weg onder voorwaarde dat ze elders in openbare ruimtes worden benut.’ Nog een onorthodoxe stap: Schilp huurt voortaan kennis in bij conservatoren uit andere musea. Hij heeft daartoe uit verschillende disciplines een team samengesteld. ‘Die hebben overzicht, weten waar lacunes zitten, waar een overschot is. Dat kan onmogelijk allemaal vanuit één museum.’

Die aanpak is niet onopgemerkt gebleven, getuige de aanstelling van Byvanck en Schilp in Arnhem. Een hoog profiel loont kennelijk. Niet dat een surplus aan ambitie tot onmiddellijk succes binnen het museumcircuit leidt. Er zijn, ruim geïnterpreteerd, ook fiks aan de weg timmerende generatiegenoten, die nog geen prestigieuze post hebben bereikt. Wat niet betekent dat hun rol is uitgespeeld.

Zo is Rutger Wolfson, die vanuit De Vleeshal in Middelburg de aanval opende op de kunstwereld die de culturele fenomenen buiten musea en atelier miste, nu directeur van het Internationaal Film Festival in Rotterdam. Voor Edwin Jacobs, die naam maakte met hedendaagse kunst in het streekmuseum Jan Cunen in Oss, is zijn aanstelling in De Lakenhal in Leiden zeker geen eindstation. Stijn Huijts, erkend criticaster van de gevestigde orde, verruilde Het Domein in Sittard voor het Glaspaleis in Heerlen, maar heeft mogelijk het Bonnefanten in Maastricht in het achterhoofd, dat over enkele jaren vrij komt.

Maar in het besef dat aan cultureel ondernemerschap niet te ontkomen valt en een gezonde bedrijfsvoering een voorwaarde is, vertoont het type directeur dat zich nu in de musea nestelt door de bank genomen intussen meer overeenkomsten met de profielen van Van Krimpen, Ernst Veen (De Nieuwe Kerk) en Kees van Twist (Groninger Museum, voorlopig) dan die van de Rudi Fuchsen en Jan Debbauts uit de hardcore kunstdiscipline. Ondanks de kritiek op hun fixatie op bezoekersaantallen, commercie en sponsors, hebben zij de toon gezet voor het runnen van een museum. Zelfs hun bravoure blijkt besmettelijk. De 36-jarige Benno Tempel lichtte zijn recente benoeming in het Haagse Gemeentemuseum als volgt toe: ‘Het is een stap waar ik aan toe ben’.

Meer over