Identiteit blijft een puzzel

EEN DING hebben ze gemeen: ze kunnen allebei bulderen van het lachen. Maar voor de rest zijn Eddy Harris, de schrijver, en Stanley Crouch, de columnist en jazzcriticus, welhaast elkaars tegenpolen....

PAUL BRILL

Ik heb met Harris afgesproken in een upscale hotel aan Times Square in New York. Een grote lenige man, wiens gezicht zowel een donderwolk als een ontwapenende glimlach kan produceren. Binnen vijf minuten betrekt hij het kleurgehalte van de directe omgeving in het gesprek. 'Kijk eens rond hier. Ik geloof dat ik de enige zwarte persoon ben die geen uniform draagt. Alle andere zwarten behoren tot het personeel. Het is ongewoon voor een zwarte om hier te zitten en een glaasje te drinken.'

Toevallig hadden 's ochtends bij het ontbijt twee zwarte dames aan het tafeltje naast het mijne gezeten, en ze hadden zich bepaald niet als buitenbeentjes gedragen. Maar het leek me dat Harris hiervan niet erg onder de indruk zou zijn, dus zweeg ik erover. Ik had trouwens kunnen weten dat het gesprek al snel deze wending zou nemen. Harris' laatste boek, South of Haunted Dreams (Nederlandse titel: Nachtmerries in het Zuiden, uitgeverij Contact), staat bol van dit soort verbeten ontboezemingen.

Hij rijdt op z'n motorfiets door de staat Virginia. De zon staat glanzend aan de hemel, het glooiende landschap is een lust voor het oog. De zachte bries streelt zijn gezicht. Een gevoel van geluk maakt zich van hem meester. Maar dan denkt hij aan de lynchpartijen die in vroeger tijden in deze zuidelijke staat hebben plaatsgevonden. En aan de monumenten die er nu nog staan voor de mannen die vochten voor het behoud van de slavernij. Dan is het snel gedaan met de innerlijke vrede.

- Het lijkt wel of u wordt verteerd door woede. En het is een woede die je eerder in verband zou brengen met de jaren zestig en zeventig dan met de jaren negentig.

'Die episode in Virginia is een metafoor voor wat het betekent om een zwarte te zijn in Amerika. Je kunt slechts in beperkte mate genieten van de dingen. Want waar je ook bent, je weet dat je elk moment weer kan worden geconfronteerd met het feit dat je zwart bent, elk moment kan je worden aangesproken als een zwarte.'

Als blanke ben je bij dit soort gesprekken bij voorbaat in het nadeel. Maar ik sputter toch nog een keer tegen. Afrikaanse Amerikanen hebben zich op tal van terreinen weten op te werken tot leidende posities. Er zijn prominente zwarte politici, legerleiders, zakenmensen, sportlieden. Je kunt geen politieserie op de televisie aanzetten of de rol van commissaris wordt gespeeld door een zwarte acteur. Telt dat dan allemaal niet?

'Niet op mijn scorekaart. Ik woon sinds enige tijd in Harlem. De kinderen van mijn woonblok hebben geen enkele zwarte buurtgenoot die succesvol is, geen politicus, geen televisiester. Wie ze wel steeds tegenkomen zijn drugsdealers en alleenstaande moeders in de bijstand. Voor hen zijn geslaagde zwarte personen geen zwarten, maar beroemdheden.'

Harris gooit er nog een schepje bovenop. 'Neem iemand als O.J. Simpson. Het is alsof hij weer een zwarte is geworden sinds hij terechtstaat. Daarvoor was hij als gevierde beroemdheid als het ware ontstegen aan zijn zwarte identiteit.'

Het lijkt een schoolvoorbeeld van Catch-22: zwarten hebben een achterstand omdat ze nog steeds worden aangekeken op hun huidskleur; hebben ze wel succes, dan gelden ze niet meer als echte zwarten. Zo kan het dus nooit goed komen met de rassenbetrekkingen.

Toch wel, tapt Harris plotseling blijmoedig uit een ander vaatje. In zijn hart is hij namelijk een onverbeterlijke optimist, wil hij wel bekennen. En de realiteit is ook niet altijd - de beeldspraak dringt zich op - zo zwart-wit. Toen hij zijn reis maakte door het Zuiden, kwam hij in feite veel minder blanke vijandigheid tegen dan hij had gedacht.

- Spike Lee heeft gezegd: racisme is een white thing; de blanken moeten veranderen. Vindt u dat ook?

Eddy Harris zwijgt nu geruime tijd. Dan: 'Nee. Iedereen moet veranderen. Zwarten moeten zich ook een andere houding aanmeten. Zwarte drugsdealers die hun spullen aan zwarte kinderen verkopen en hun leven ruïneren, dat is in mijn ogen ook een vorm van racisme.'

Die uitspraak geeft aan dat Harris, die niet bepaald overstroomt van bewondering voor de generatie zwarte leiders die afkomstig zijn uit de burgerrechtenbeweging, feitelijk meer in hun voetspoor treedt dan hij wil toegeven. Hij moge voortdurend op zijn hoede zijn voor (latent) racisme, maar harmonie en integratie vormen toch zijn credo. En hij moet weinig hebben van het Afrocentrisme dat onder sommige zwarte intellectuelen opgang doet.

Voor zijn reis door het Zuiden zocht Harris naar zijn roots in Afrika. Tevergeefs, zo blijkt uit zijn boek Native Stranger (Het hart van Afrika). Sindsdien is hij ervan overtuigd dat de wieg van de zwarte Amerikaanse gemeenschap in het Zuiden staat. En dat de zwarte cultuur door en door Amerikaans is. 'De grond waar ik mijn kracht, mijn trots en mijn geluk uit haal, is Amerikaanse grond', schrijft hij.

Voor Afrikaanse Amerikanen geldt niet minder - eerder meer - dan wat voor Amerikanen van Europese of Aziatische afkomst geldt: de eerste generatie immigranten leeft nog in twee werelden, de tweede is al volop Amerikaans. 'Ik heb een heel eenvoudig criterium om te bepalen waar je bij hoort. Dat is namelijk waar je een kruiswoordpuzzel kunt oplossen. Er is geen enkel Afrikaans land waar een zwarte Amerikaan daartoe in staat is. Want hij mist de affiniteit met de cultuur. Hetzelfde geldt voor een Amerikaan met Ierse voorouders die naar Dublin gaat: kan daar ook geen kruiswoordpuzzel oplossen.'

Mag ik aannemen dat hij vanwege deze opvatting nogal eens de wind van voren krijgt in de zwarte gemeenschap? Daar is die bulderlach. 'Oh boy!'

Wie kennis neemt van de ideeënstrijd die met name onder zwarte academici woedt, zal inderdaad niet snel de indruk krijgen dat iemand als Harris erg populair is in Afrikaans-Amerikaanse intellectuele kringen. 'Who's Winning the Black Studies War?', kopte The Village Voice vorige maand in vette letters op de voorpagina. Daaronder maakte een man in een geborduurd Afrikaans hemd een triomfantelijk gebaar. Zijn naam is Molefi Kete Asante.

Asante (die ooit Arthur Smith heette) staat aan het hoofd van de de subfaculteit African American Studies aan de Temple University in Philadelphia. Temple is de eerste universiteit in Amerika waar men in een dergelijke studierichting het doctoraal examen kan afleggen. En door toedoen van Asante vormt het Afrocentrisme de filosofische grondslag van het vak. Niet alleen wordt de nadruk gelegd op de Afrikaanse herkomst van de zwarte Amerikanen, maar ook wordt ruim baan gegeven aan theorieën die tal van universele verworvenheden herleiden tot een oude Afrikaanse beschaving die superieur was aan die van andere rassen en volkeren.

Asante's voornaamste tegenstrever is Henry Louis Gates jr., hoogleraar-directeur van het instituut voor Afro-American Studies aan de Harvard University in Cambridge, Massachusetts. Gates beschouwt zichzelf als een multiculturalist. Hij probeert een middenweg aan te houden tussen het Afrocentrisme en het traditionele integratie-denken. Maar hij heeft toch de meeste aanvaringen met het Afrocentrisme, vanwaar het maar een kleine stap is naar het neo-racisme van een separatistische groepering als de Nation of Islam van Louis Farrakhan.

Zijn de 'integrationisten' dan helemaal op de achtergrond geraakt? Waarom laat de toch aanzienlijk gegroeide zwarte middenklasse zo weinig van zich horen in het intellectuele debat? Waar zijn gematigde denkers en schrijvers als Shelby Steele, Charles Johnson, Albert Murray en Stanley Crouch, allemaal zwarte intellectuelen die in sterke mate werden geïnspireerd door Invisible Man, de monumentale roman van Ralph Ellison uit 1952?

Stanley Crouch, die naam maakte als jazzcriticus voor The Village Voice en tegenwoordig columnist is van de Daily News, is in elk geval alive and kicking. In zijn woning in de Newyorkse wijk Greenwich Village is het een gezellige bende. De columnist is gehuld in kamerjas en overlegt per draadloze telefoon met zijn krant over het stukje dat hij voornemens is te schrijven.

Het Afrocentrisme, ach ja. Het is wat hem betreft veel geschreeuw en weinig wol. 'De relevantie is zeer gering. Afrocentristen zijn bezeten van het vestigen van een aristocratische bloedlijn, waardoor ze zich de afstammeling kunnen noemen van een grote Afrikaanse beschaving. Daarvoor moeten ze de geschiedenis geweld aandoen. Maar bovendien is het een onzinnige bezigheid in Amerika. Dit is een land waar het er zeer weinig toe doet wat je achtergrond is. Je wordt beoordeeld op wat je presteert. Denk je dat mensen met een Noorse achtergrond gaan zitten piekeren hoe ze zich kunnen opwerpen als mede-erfgenamen van de Griekse beschaving? Ha-ha-ha, ze hebben wel wat beters te doen.'

Met hetzelfde gemak waarmee hij in een recent essay Spike Lee een 'fascistische esthetiek' toeschreef, verwijt Crouch de Afrocentristen en hun fellow-travelers dat ze willens en wetens handel drijven met lucht. Ja, het is ordinaire handelswaar. 'Als ze jou komen vertellen dat ze een culturele notie vertegenwoordigen waar jij als blanke man geen weet van hebt, komen ze in feite aanzetten met een sollicitatiebrief. De achterliggende gedachte is dat je hen in dienst moet nemen om jou en anderen op te voeden in hun denkwijze.'

En die denkwijze is helemaal niet zo origineel, beklemtoont Crouch. 'Laten we niet vergeten dat de kritiek op het Europese kolonialisme is ontstaan in datzelfde Europa. In Afrika was er geen heftig debat over de slavernij. De immoraliteit ervan werd in Europa en Amerika steeds meer onder ogen gezien. Net zoals de ondergeschikte positie van de vrouw in de wereld van de islam pas een kwestie is geworden onder invloed van de contacten met het Westen.'

Stanley Crouch maakt nog eens een wegwerpgebaar. Natuurlijk is het niet zinloos je te bezinnen op je identiteit. Maar aan de gewone zwarte burger heeft het Afrocentrisme niets te bieden. Noch aan iemand als Michael Jordan of aan een zwarte NASA-ingenieur. Er bestaat namelijk geen Afrocentristische oplossing voor het probleem van de zwaartekracht. 'You know what I mean? We ontlenen onze identiteit in hoge mate aan de interactie met andere mensen. Ook in de jazz lopen er lijnen terug naar Bach. Als je je afsluit om een identiteit te ontwikkelen, sla je een irrationele weg in die onherroepelijk doodloopt.'

Maar wijst de uitslag van de laatste Congresverkiezingen ook niet een beetje in de richting van een afweerreactie bij met name blanke mannen, die genoeg hebben van allerlei voorkeursregelingen voor minderheden? Crouch haalt de schouders op. 'Afweerreactie? Weet je welke vrouw Amerikaanse kinderen het meest bewonderen na hun moeder? Oprah Winfrey. En de meest bewonderde man is Denzel Washington. Dat kan ik moeilijk rijmen met de stelling dat de raciale animositeit onder blanken toeneemt. De verkiezingsuitslag is bovenal het resultaat van diepe teleurstelling over de Democraten en over Clinton.'

En voor zover de term contrarevolutie van toepassing is, heeft Crouch daarvoor wel een andere uitleg. 'Iedereen is tegenwoordig slachtoffer in Amerika. We hebben waarlijk een klaagcultuur. De vrouwen zijn het slachtoffer van de mannen. De minderheden zijn het slachtoffer van de blanken. De indianen van alle andere Amerikanen. De zwarte vrouw van de blanke man èn de zwarte man. En nu waant de blanke man zich dus ook slachtoffer: van positieve discriminatie en de vrouwenbeweging.'

Het wordt met sardonisch genoegen vastgesteld. Het is duidelijk dat Stanley Crouch zelf niet snel het slachtofferschap zal omhelzen.

Meer over