De ontmoetingsplek

Huwelijk, begrafenis of lunch: de Acholi’s in Oeganda doen het onder de mangoboom

Zodra de coronamaatregelen het toelaten zoeken mensen elkaar weer op. Deze zomer portretteren we zes bijzondere ontmoetingsplekken, verspreid over de continenten. In deze laatste aflevering: mangobomen in Oeganda.

Lunch onder de mangoboom. Beeld Katumba Badru Sultan
Lunch onder de mangoboom.Beeld Katumba Badru Sultan

Stel je eens voor dat hij kon praten, wat zou hij dan ontzettend veel kunnen vertellen. Over de Britse kolonialen die het hier ooit voor het zeggen hadden, bijvoorbeeld, of juist over de onafhankelijkheidsviering in de jaren zestig. Of over de manier waarop het Verzetsleger van de Heer, van de gevreesde militieleider Joseph Kony, vanaf de late jaren tachtig tot aan het begin van deze eeuw de regio terroriseerde. Óf over de coronapandemie, die zelfs hier, op dit zanderige erf met hutten van leem en stro, haar sporen nalaat.

Maar de stokoude, zeker 15 meter hoge mangoboom doet er het zwijgen toe. Hij staat hier maar te staan. En toch zorgt hij ervoor dat er wel degelijk verhalen worden verteld: met zijn dikke gebladerte verschaft de boom een verkoelende schaduw aan Vicky Acen (27) en aan haar vader, moeder, broers, zussen, neven en nichten. ‘Hier onder de mangoboom geven we van generatie op generatie verhalen aan elkaar door’, zegt Vicky, zittend op een zeildoek samen met haar 4 jaar oude dochtertje Paska.

Nergens in Oeganda hechten mensen meer waarde aan mangobomen dan ten noorden van de Nijl, bij de bevolkingsgroep van de Acholi’s. Bananenbomen? Die zijn meer iets van de Bantoe-gemeenschappen in het zuiden.

Middelpunt en symbool

Mango’s werden vermoedelijk duizend jaar geleden in oostelijk Afrika geïntroduceerd, door Perzen en Arabieren die op zoek waren naar goud, ivoor en slaven. Nu is de mangoboom, gekweekt uit mangopitten, bij nagenoeg alle Acholi’s het middelpunt van hun rurale erf: de boom is een symbool van gemeenschapszin en continuïteit. Onder de mangoboom voltrekken zich huwelijksceremonies, begrafenisplechtigheden, vergaderingen van clanleiders en rituelen voor de beslechting van ruzies en conflicten. En, niet te vergeten: de boom voorziet zijn omwonenden van sappig, vers fruit. ‘Alleen nu eventjes niet, we zitten niet in het mangoseizoen’, zo verklaart Vicky.

Vicky en haar familie leven op zo’n 35 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stadje, Gulu. Wie daarnaartoe wil, loopt eerst een paar honderd meter door het manshoge gras richting een verlaten aardeweg. Die eindigt na een kilometer of drie bij een asfaltweg, waar zo af en toe een taxibrommertje of personenbusje met bestemming Gulu voorbijkomt.

Op het familie-erf vertelt de vader van Vicky, de kwieke zeventiger Mathias, dat de mangoboom hier er al stond toen zíjn vader, Anthony, nog leefde. ‘Ik denk dat de boom ongeveer honderd jaar oud is’, aldus Mathias, die onder de boom op een plastic stoel mag zitten – hij is per slot van rekening de pater familias. Mangobomen kunnen een paar honderd jaar oud worden. Mathias plantte er zelf nog een stuk of tien bij.

De wortels van de bomen symboliseren in Mathias’ optiek de ‘saamhorigheid’ van zijn uitgebreide gezin. Meer dan twintig bloedverwanten leven op een steenworp afstand van elkaar, in hutten waarvan de toppen boven het gras uitsteken. Water halen de familieleden uit een riviertje even verderop en het hout om de cassave, bonen en mais van hun akker op te koken, sprokkelen ze bijeen in de bosjes rondom hun erf.

Mangobomen hebben trouwens nog een prettige eigenschap, zegt Mathias: ze worden niet bewoond door geesten. ‘Daarin verschillen mangobomen van bijvoorbeeld mahoniebomen.’ Weer een andere boomsoort, bekend als okango, wordt gebruikt voor het bouwen van houten altaren.

Pijnlijke episode

Uit de grond onder de mangoboom van Vicky en Mathias steekt een stuk steen dat herinneringen oproept aan een pijnlijke episode uit de familiegeschiedenis. De steen diende lange tijd als onderstel van een houten plank waarop gezinsleden konden zitten tijdens hun anglicaanse gebedsdiensten, maar de plank ging stuk toen de moorddadige rebellen van Joseph Kony’s militie hier voor de eeuwwisseling opdoken.

Mathias, Vicky en de andere familieleden vluchtten destijds in allerijl weg. In het overvolle opvangkamp waar ze tijdens de oorlog zaten, ontbrak het aan voldoende voedsel, drinkwater en medicijnen. Gelukkig konden ze in 2005, toen de rebellen door het Oegandese leger waren verdreven, weer naar huis gaan.

De innige wens van honderdduizenden Acholi’s om terug te kunnen keren naar hun erven werd gloedvol vertolkt door oorlogsverslaggever Caroline Lamwaka. Zij bracht haar persoonlijke gevoelens tot uitdrukking in poëzie en maakte in het gedicht The Old Homestead duidelijk dat ze verlangde naar een weerzien met de bloeiende mangobomen. Lamwaka dichtte in de epische stijl van een van Afrika’s beroemdste poëten, de eveneens tot de Acholi’s behorende Okot p’Bitek. In zijn in 1966 gepubliceerde Song of Lawino laat hij een plattelandsvrouw vol trots vertellen over het traditionele dorpsleven. Ook daarbij was een rol weggelegd voor de mangoboom.

Baan kwijt

Maar in de veelbezongen en vertrouwde omgeving knaagt er nu iets aan Vicky. Liever zit ze 35 kilometer verderop, in het stadje Gulu. Daar werkte ze tot vorig jaar als leraar op een lagere school. Omgerekend 60 euro verdiende ze per maand. ‘Maar door corona en de sluiting van alle scholen in Oeganda verloor ik mijn plek’, zegt Vicky. Bij haar man, Edward, hoefde ze ook niet langer aan te kloppen: hij was er na Vicky’s baanverlies vandoor gegaan met een andere vrouw. Huwelijksbemiddeling onder de mangoboom bij de familie van Edward leverde helaas niks op.

En dus brengt Vicky, de eerste uit haar eigen familie die Engels leerde, haar dagen tegenwoordig door met het bewerken van de akker naast het erf. Gewapend met een hak met een lange houten steel en met haar voeten in een paar stevige zwarte rubberlaarzen zet ze koers door het gras om de landbouwgrond erachter te gaan omspitten, zoals haar vader Mathias en haar moeder Rose hun hele leven lang al doen. Al snel verschijnen de eerste zweetdruppels op Vicky’s gezicht.

Ze krijgt gezelschap van haar neef Dannie (17). Hij kan door corona niet langer naar school en plukt nu aardnoten die hij in een blauwe plastic teil verzamelt. ‘Op de akker is het hard werken’, verzucht Dannie. Hij zou zijn tijd liever doorbrengen met zijn schoolmakkers.

Wanneer de zon ’s middags zijn hoogste punt nadert, is het tijd om in de schaduw van de mangoboom te gaan zitten voor de ene maaltijd van de dag. De hele familie vlijt alvast neer. Vicky is aan de beurt om te koken: met een bijl hakt ze een stapeltje brandhout in stukken, waarna ze de aardnoten die bedoeld zijn als saus voor bij de cassave fijnstampt in een houten vijzel. In een hut die speciaal als keukentje fungeert, bereidt ze vervolgens het eten. De kookpot veroorzaakt een smorende hitte.

De maaltijd verloopt in een uitgelaten sfeer: het harde werk op de akker kan voor eventjes worden vergeten en Vicky en Mathias prijzen zich bovendien gelukkig met de ‘recordoogst’ aan aardnoten van hun stukje grond. Een deel van de opbrengst kunnen ze mooi verkopen op de markt. Neef Dannie vergroot de stemming door een liedje te spelen op de adungu, een met koeienhuid bedekt, houten snaarinstrument dat wat wegheeft van een kleine harp. De ene koe van de familie raakt ervan op een drafje.

Vicky richt haar blik omhoog, denkt aan hoe ze terug op het erf is beland en spreekt haar verwondering uit. ‘Als kind haalde ik mango’s uit deze boom door een stok naar de vruchten te gooien. Eens zal mijn dochter kinderen krijgen die op hun beurt ook van deze boom zullen eten.’

Meer over