Huttenwijk

'De deur van de nooduitgang op de eerste verdieping is gebarricadeerd. Ik moet u erop wijzen dat dit een onaanvaardbare gevaarlijke situatie is voor de bezoekers....

WILLEM BEUSEKAMP

Een andere dame, uit Leipzig, noteerde eveneens begin mei in het gastenboek mismoedig dat de Duitsers 'toch eigenlijk derderangs zijn in vergelijking met dit uitverkoren volk'. Wat de bezoekster van de Berlijnse tentoonstelling precies bedoelt, is niet helemaal duidelijk; vermoedelijk heeft zij zich erover verbaasd dat Oosteuropese joden het weer aandurven zich massaal in de Duitse hoofdstad te vestigen, precies in de wijk van waaruit hun voorouders naar de gaskamers zijn getransporteerd.

Naast het Gropius-museum staat het kantine-achtig noodgebouw met de permanente 'tentoonstelling' Topographie des Terrors, hoe de Duitsers vanuit de Wilhelmstrasse de jodenmoord organiseerden. Wie dan ook nog zojuist het roemruchte boek van de Amerikaan Goldhagen heeft gelezen, zal zich met de dame uit Leipzig afvragen wat een joodse Rus ertoe beweegt zich niet in Amerika of Israël, maar uitgerekend in Berlijn te vestigen.

Deze overpeinzing kreeg een extra dimensie toen ik enkele weken geleden in Bonn een brief van een andere Duitse dame ontving. Mevrouw S., 'extreem-links' en woonachtig in Leeuwarden, waarschuwt de correspondent vier dicht betikte velletjes lang tegen de filosemieten in haar Heimat en trekt merkwaardig fanatiek van leer tegen het 'Israëlische bewind', dat zij min of meer vergelijkt met de nazi-terreur. Haar betoog kan zo worden opgenomen in Der ewige Antisemit van Henryk Broder, de Duits-Israëlische publicist die beschrijft hoezeer veel zich extreem-links noemende Duitsers last hebben van jodenhaat.

De 'nieuwe' Berlijnse jodenwijk heet Scheunenviertel, 'huttenwijk', genoemd naar de karige woonverblijven die op last van de grote keurvorst Friedrich Wilhelm in 1672 uit brandveiligheidsoverwegingen buiten de overvolle stad werden gebouwd. In 1933 woonden er circa veertigduizend Ostjuden, een kwart van het totale aantal Berlijnse joden. Zij waren afkomstig uit Oekraïne, Rusland, Polen, Roemenië. In 1945 telde Berlijn nog achtduizend joodse overlevenden.

In 1996 leven in het 'Scheunenviertel' weer 45 duizend Ostjuden, hoofdzakelijk uit de voormalige Sovjet-Unie. De voltallige, na-oorlogse joodse gemeenschap in Duitsland is daarmee binnen enkele jaren plotseling verdrievoudigd. Het Moses-Mendelsohn-Instituut in Potsdam schat dat meer dan 70 procent van de Ostjuden een opleiding heeft genoten op Hoge School-niveau.

Velen zijn niettemin werkloos, evenals honderdduizenden Spätaussiedler, die jaarlijks vanuit het oosten naar Duitsland emigreren. Ook deze 'Volksduitsers' hebben ongeacht hun opleiding aanpassingsproblemen in de koele en afstandelijke Duitse consumptiemaatschappij.

Middelpunt van het 'Scheunenviertel' is de Nieuwe Synagoge, het 'Centrum Judaicum', aan de Oranienburgerstraat. De enorme goudkleurige koepel van de uit 1866 stammende synagoge komt het beste tot zijn recht bij wisselvallig weer. Zodra de zon schijnt, worden de ogen verblind door het weerkaatsende zonlicht; even later, als de zon verdwijnt achter de wolken, verandert de schittering en lijkt de koepel ineens nog meer licht te geven.

De synagoge wordt permanent bewaakt door twee geüniformeerde agenten plus een onbekend aantal politiemensen-in-burger. De bezoekers worden gecontroleerd op wapenbezit.

Een absolute noodzaak, zegt Hermann Simon, beheerder van het complex. Een godshuis, in traditionele zin, is het gebouw niet. In werkelijkheid is het al door de DDR gerestaureerde en vorig jaar mei heropende gebouw een omhulsel van een met veel glas omgeven 'bezinningsruimte' annex studiecentrum, waar Ezer Weizmann eerder dit jaar, in gesprek met jonge Duitse joden, zijn fameuze uitspraak herhaalde dat hij zich niet kan voorstellen hoe joden in Duitsland, het land van hun moordenaars, kunnen wonen.

Vlak bij de synagoge, aan het Monbijouplein, bevindt zich de Joodse Cultuurvereniging, opgericht in de nadagen van de DDR. Het gebouw is dè plek waar de immigranten terecht kunnen voor informatie en hulp. Igor Chalmiev en Irene Runge hebben de leiding. Integreren is moeilijk, vertelt Chalmiev, wiens echtgenote en dochter ongelukkig werden in Berlijn en daarom uitweken naar Sint Petersburg. Chalmiev erkent de problemen die Berlijn heeft met zijn nieuwe joodse inwoners: 'Het zijn natuurlijk niet allemaal Einsteins en geniale musici.'

Berlijn heeft na ruim vijftig jaar inmiddels weer een joods gymnasium en vijf synagoges. In het 'Scheunenviertel' zijn de eerste koosjere winkels en restaurants verrezen en op de binnenhofjes van de vervallen huizen heerst een sfeer zoals het begin deze eeuw moet zijn geweest: winkeltjes met tweedehands kleding, sobere maar levendige terrassen, alternatieve theaters en een publiek uit verschillende nationaliteiten. Politiek staat de wijk met haar sociaal-zwakkere bevolking weer ter linker zijde, althans contra het stadsbestuur en de federale regering.

Opmerkelijk in het straatbeeld is het bijna ontbreken van orthodoxe joden. Dat heeft te maken met het volgende fenomeen: de meeste immigranten beschouwen zich religieus helemaal niet joods en zijn het volgens de joodse wetten ook niet. Zoals Igor Chalmiev, wiens vader wel, maar moeder niet joods was. Het Russische jodendom, aldus Chalmiev, was in de Sovjet-Unie eerder een nationaliteit dan geloofsgemeenschap. Volgens Ignatz Bubis, voorzitter van de joodse gemeenschap in Duitsland, is de helft van de joodse immigranten niet-joods.

Heel omzichtig wordt op hoog niveau gesproken over een zekere reglementering van de immigratie. Niet alleen is men bevreesd voor antisemitische uitbarstingen, ook Israël is nog steeds officieel van mening dat de Oosteuropese joden naar Israël en niet Duitsland dienen te komen. Volgens Bubis hebben in totaal 118 duizend van hen een visum voor Duitsland aangevraagd.

De reiscolumns van Willem Beusekamp verschijnen om de veertien dagen.

Meer over