Hup Holland hup

Stedelijk Museum Schiedam geeft met de tentoonstelling Ik Hou Van Holland een mooi overzicht van de Nederlandse kunst na 1945. Maar de afstand tussen kunst en geschiedenis wringt.

DOOR SACHA BRONWASSER

Houden wij van Holland? Welnee, denk je in dit land van motregen, mopperaars en kabinetten met zijwieltjes. Maar zet de televisie aan en de kans is groot dat er Hollandliefde uitrolt. In Holland staat een Huis, Heel Holland bakt, Holland Doc, Boer Zoekt Vrouw, Holland's Next Top Model, Ik Hou Van Holland - de afgelopen tien jaar regende het rood-wit-blauw in de media.

Toegenomen nationale kneuterigheid wellicht, die hand in hand gaat met de angst steeds minder in de wereld voor te stellen. Waar het correctere Nederland te afstandelijk en bestuurlijk klinkt, ligt Holland makkelijk in de hand en in de mond. In Holland is het vertrouwd en oergezellig.

Het Stedelijk Museum Schiedam plakte de titel, provocatief, op een groots project dat de komende twee jaar loopt. Geleend van Linda de Mols dijenkletserige zaterdagavondshow. Ik Hou Van Holland - Nederlandse kunst na 1945 geeft het beloofde overzicht van die kunst en plaatst haar in de vaderlandse geschiedenis. Breed publiek: kom alsjeblieft, is de boodschap. De geschiedenis is immers van ons allemaal, net als de kunst dat zou moeten zijn. En 'artistieke en maatschappelijke vernieuwingen gaan gelijk op', zegt het museum.

De ambitie om dat ook zo aan te tonen is vrij uniek. Vrijwel nergens in Nederland wordt recente kunst ingebed in de geschiedenis getoond. Alleen op de verdieping 20ste eeuw van het vernieuwde Rijksmuseum, maar daar zijn de sprongen door de geschiedenis zo groot dat er van een samenhangend verhaal (de heilige graal onder tentoonstellingsmakers) geen sprake meer is. In Schiedam wel? Ja. Maar ook niet genoeg.

Om met dat ja te beginnen: de keuze van honderd kunstwerken die het museum presenteert is uitstekend. Vloeiend, to the point, bekende hoogtepunten afgewisseld met ontdekkingen.

Honderd kunstwerken, dat zijn minder dan twee kunstwerken per jaar. Natuurlijk zijn er dan lacunes. Maar de vaardigheid waarmee de keuzes zijn gemaakt, laat zich al aan het begin van de tentoonstelling aflezen. Daar staat, natuurlijk, de Cobra-beweging. Die is uiterst beknopt. Heel fijn, want het soms oeverloze Cobra, waarin veel kunstenaars in hetzelfde idioom bleven steken, kan de rem zetten op een vliegende start. Dat gebeurt hier niet.

Er zijn voorbeelden van Karel Appel (de collectie werken die Pierre Janssen kocht en die de basis werd van het Schiedamse museum), een prachtig werk van Eugène Brands, Constant en Corneille natuurlijk, maar niet te veel. De oorlog werd betreurd maar ook krachtig afgeschud.

Zo gaat dat door de jaren vijftig (wederopbouw), via de maatschappelijke onrust en de Koude Oorlog (jaren zestig, zeventig en tachtig) door naar de huidige tijd. Natuurlijk de bekende strandfoto van Rineke Dijkstra, maar ook een herontdekte en gerestaureerde vroege Daan van Golden.

Wim T. Schippers als de eerste mediabewuste kunstenaar van het land, maar uit dezelfde tijd ook de nagenoeg vergeten Maria van Elk. Haar gerestaureerde Soft Living Room (uit 1968, een kunstbonten hangplek) evoqueert de sixties.

Het Schiedamse museum heeft het afgelopen decennium geïnvesteerd in grotere historische tentoonstellingen (bijvoorbeeld over de Nul-beweging) en in de hedendaagse kunst, en dat betaalt zich terug.

Naarmate je per verdieping afzakt naar de huidige tijd wordt het levendiger in de zalen - al was het alleen al omdat de variatie in materialen en presentatiewijzen (video, ruimtelijk textiel, installaties, grote tekeningen, epoxy sculpturen) enorm verbreed is. In de komende twee jaar gaan er stukken gewisseld en aangevuld worden, en dat maakt nu al nieuwsgierig.

Wat wringt er dan? Dat is juist de geschiedenis. Die had veel prominenter door de kunst heen gevlochten mogen worden. De situering in de tijd is nu erg beknopt en voornamelijk weggestopt op de overlopen en in het trappenhuis, waar opgeblazen documentaire foto's door de vormgevers tot een kleurbehang zijn verwerkt.

Fragmenten van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid geven prachtige tijdsbeelden, maar het is niet handig om ze doorlopend achter elkaar te vertonen. Liever had je ze tussen de kunstwerken gehad, zodat de hippiesfeer van het Kralingse Bos (1970) direct naast de video uit dezelfde tijd van Ger van Elk in zijn blote bast (afwisselend zwetend en dan weer met kippenvel) had kunnen staan. Nu krijgt de kunst alle ruimte maar wordt de geschiedenis een versnipperde voetnoot.

De heftige vormgeving van de tentoonstelling (door Gerard Hadders en ProArtsDesign) werkt dat in de hand. De informatie over kunstenaars en kunstwerken staat op witte monolitische rechthoeken, die de ruimtes beheersen. Als je op een knop drukt, lichten ze blauw op en kun je de tekst (in kapitalen, au) lezen. Maar als ze uit zijn, staat de ruimte vol met witte varianten van de zwarte steen uit 2001: A Space Odyssey.

De afstand tussen kunst en geschiedenis is jammer, want het verband is juist zo wonderbaarlijk, bij vlagen briljant. De video-installatie Economisch Primaat (van Julika Rudelius uit 2005), waarbij slimme beleggers en juristen dagdromen over geld verdienen en macht hebben, had baat gehad bij informatie over de huidige economische crisis waar deze types debet aan zijn.

Hoezo kunstenaars op een eiland, in een ivoren toren? Met hun voeten in het bluswater zul je bedoelen, niet zelden eerder dan de rest. Daar kan Ik Hou Van Holland nog best wat harder over roepen.

Stedelijk Museum Schiedam, t/m 6 september 2015, stedelijkmuseumschiedam.nl

undefined

Meer over