Humor die niet lacht

IN 1991 verscheen in Nederland een bijzonder boek. De verminkten heette het. Het was geschreven door Hermann Ungar en vertaald door Carlien Brouwer....

De verminkten bleek een enerverend verhaal te zijn over de stipte bankbediende Franz Polzer, wiens leven geleidelijk aan een steeds grotere chaos dreigt te worden. Zijn doodzieke, van de abcessen wegrottende vriend Karl Fanta - die door telkens nieuwe operaties op den duur niet meer dan een romp is, een zeer cynische romp die erin slaagt het leven van zijn vrouw tot een hel te maken - en de vriendin van Polzer, de mollige Klara, die mannen aanzuigt alsof ze zich voortdurend in haar blote kont vertoont, spelen daarbij een belangrijke rol.

Maar het verhaal dat Ungar wilde vertellen - en dat maakt zijn boek van een orde die zich ver verheft boven het doorsneegebabbel dat ons door de commercie als literatuur in de maag wordt gesplitst - is het verhaal van een leven dat niet geleefd kan worden. Het is het verhaal van een man die zich er maar al te zeer van bewust is dat elke aanpassing aan 'de anderen', aan de maatschappij, aan wat er sociaal van je verwacht wordt, ten koste gaat van jezelf. Voor hem is alle sociale verkeer angstaanjagend, vooral de omgang met vrouwen, omdat de eigen (wel)lust hen nu eenmaal noodzakelijk maakt.

De verminkten verscheen in 1923 onder de titel Die Verstümmelten. De kritiek raakte door het boek in grote verwarring. Aan de ene kant was men niet blind voor Ungars talent, aan de andere kant betoonde men zich geschokt, even geschokt als de naoorlogse kritiek in Nederland, toen men met het werk van Van het Reve, Hermans en Wolkers te beoordelen kreeg. Stefan Zweig repte volgens Jürgen Serke zelfs van een 'antisemitische aanpak'.

Het heeft de reputatie van Ungar niet geschaad, integendeel, maar dat hij, anders dan Franz Kafka, met wie Kurt Pinthus hem vergeleek, uit ons bewustzijn is verdwenen is moeilijk te loochenen - en pijnlijk. Waarom hij verdween, laat zich niet zo makkelijk verklaren. Het heeft zeker te maken met de nazi's, die zoveel schrijvers in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog hebben 'kaltgestellt' dat het tot diep in de twintigste eeuw heeft geduurd voordat we ze weer allemaal hadden teruggevonden.

Er was een nooit meer gedicht gat geslagen.

Ungar deelde met Franz Kafka zijn joodse achtergrond. Net als hij was hij een Duitstalige Tsjech, geboren in het Moravische Boskovice (bij Brünn, het huidige Brno). Hij overleed in 1929 aan een verwaarloosde blindedarmontsteking. Twee jaar daarvoor had hij een nieuwe, indrukwekkende roman gepubliceerd, Die Klasse. Die is nu ook in het Nederlands vertaald, helaas niet door wijlen Carlien Brouwer, maar door Angela Adriaansz.

Wie aan De klas begint, zal al gauw het gevoel krijgen dat hij in een Duitse Bint (de beroemde roman van F. Bordewijk uit 1934) terecht is gekomen. Het openingsbeeld is dat van een leraar die zich afvraagt hoe hij het aan hem overgeleverde tuig (zijn klas) onder de duim kan houden. Daar is hem alles aan gelegen. Hij weet dat het collectief hem kan maken en breken. Hij weet dat hem, als hij even de teugels laat vieren, de ondergang wacht.

Het staat er met zoveel woorden. En net zo zwaar. Kennelijk was alles wat naar massa zweemde in die jaren voor individuen bedreigender dan in onze tijd, nu de massa alomtegenwoordig is en de boel regeert. Opnieuw is Ungars hoofdpersoon, ditmaal Josef Blau geheten, in een strijd op leven en dood verwikkeld. Hij betwijfelt of hij kan winnen, maar hoewel hij zich diep in zijn hart al bij zijn nederlaag heeft neergelegd - hij is iemand die we tegenwoordig op z'n Amerikaans een loser zouden noemen - doet hij er alles aan om overeind te blijven. Tucht is daarvoor nodig, alleen tucht kan hem, misschien, redden. Alleen als hij zijn dagelijkse omstandigheden en ook zichzelf volledig in de hand kan houden, heeft hij een kans het te redden.

Ungar speelt het spel met verve (en, kunnen we rustig aannemen, allerminst vrijblijvend), maar hij weet ook dat iemand met het karakter en de aanleg van Josef Blau het eenvoudigweg niet kán redden.

Dat besef verleent deze roman zijn diabolisch paradoxale toon, waarmee bedoeld wordt dat Ungar van Josef Blau, juist doordat hij hem zo opzadelt met die obsessie alles te willen beheersen, een uiterst gevoelig man maakt, een overgevoelig man. Voor de lezer betekent dit dat hem een overstelpende hoeveelheid getob wordt geboden, vaak op het krankzinnige af, maar tegelijkertijd ook een soort humor - lezers van Willem Brakman zullen het begrijpen - die door Thomas Mann, een bewonderaar van Ungar, ooit is omschreven als 'humor die niet lacht'.

Het mooist komen de dwanggedachten van Josef Blau aan het licht, als zijn blik op iets lichamelijks valt. Een jongen in zijn klas, Karpel, die later een sleutelrol blijkt te vervullen, ziet hij in het begin zo: 'Zijn baardgroei van pluizige, zwarte haartjes gaf de wangen iets onreins. De gedachte dat ook zijn lichaam reeds behaard was als dat van een man, was verontrustend - vooral omdat Karpel, evenals zijn medeleerlingen, een blouse met lage halsuitsnijding droeg - zoals de aanblik van een als vrouw verklede man verontrustend is voor een kuis persoon, die bang is dat er onverwachts een mannelijk behaarde plek van het lichaam zal worden ontbloot.'

Maar niet alleen het kuise jongensschoon verontrust (en prikkelt!) onze leraar. Ook zijn bloedmooie vrouw is een bron van zorg. Terecht, zou je denken, want ze wordt door andere mannen begeerd als een sappige vrucht. Of dat werkelijk zo is, of slechts zo wordt gezien door de abnormaal jaloerse Josef Blau, blijft voor de lezer in het midden. Die moet het doen met het bevel van Blau aan zijn vrouw om voortaan lange rokken te dragen, en later met het nog krankzinniger bevel haar blonde haar af te knippen. Kaalgeschoren zal ze de mannen het hoofd wel niet meer op hol brengen, meent Blau, en de vrouw doet het. Voortaan draagt ze een hoofddoek.

Blau bestrijdt elk gevaar dat hem bedreigt zo goed en zo kwaad als hij kan, maar tegen zijn dwanggedachten, zijn jaloezie, zijn overbezorgdheid en angsten is geen kruid gewassen. Er gebeurt ook te veel: een financiële transactie, waardoor hij chantabel denkt te worden, zelfmoord van een van zijn leerlingen die na een bezoek aan een bordeel door Blau wordt betrapt, de geboorte van een zoon. Ungar vertelt er weergaloos over, maar het zijn niet de gebeurtenissen op zichzelf die je tot het laatst toe boeien.

Het is ook de atmosfeer, thuis bij Blau, waar de dikke Bobek maar vrolijk zuipt en vreet en op die manier de orde verstoort, het zijn ook de personages, van wie de morbide Modlizki misschien het meest geslaagd mag heten. Hij is een jeugdvriend van Blau, die als een soort dood-van-pierlala door het verhaal waart. Hij symboliseert de klassentegenstelling in die tijd. Hij haat de welgestelden, voor wie hij als bediende werkt, en hij weet zijn rabiate afkeer even logisch als ongerijmd te 'onderbouwen'. Modlizki is de eeuwige radikalinski die, zoals Erasmus al schreef, altijd de indruk wekt 'als door een boze geest te zijn aangeblazen'.

Het zijn maar indrukken die hier worden weergegeven. De klas is een boek waarin, overeenkomstig het wereldbeeld van de hoofdpersoon, 'alles met alles samenhangt', en je kunt het dus alleen recht doen door het helemaal, woord voor woord, regel voor regel te lezen, wat bij literatuur in het algemeen een aan te bevelen methode is.

Daarbij zal het opvallen dat de vertaalster niet altijd dezelfde vaste hand heeft als Carlien Brouwer had, maar dat geeft niet. Ungar is sterk genoeg om na 75 jaar ook mindere Nederlandse zinnen te kunnen verduren.

Meer over