Hulpsector moet toezicht regelen

Linda Polman heeft in haar kritische boek een punt: hulporganisaties hebben niet een gezamenlijk antwoord op misbruik van de hulp, vindt..

Thea Hilhorst

Linda Polman stelt in De crisiskaravaan dat noodhulp zich verschuilt achter het principe dat iedere mens in levensnood geholpen moet worden. Humanitaire organisaties omzeilen zo de fundamentele vraag of hun werk meer kwaad doet dan goed en of ze niet beter kunnen vertrekken. Hulpverleners gaan volgens Polman voorbij aan de politieke realiteit die ze zelf helpen creëren. Partijen in een conflict proberen hulp uit te buiten voor eigen gewin.

Daardoor kunnen hulpinspanningen indirect meer nood veroorzaken dan oplossen. Een van haar voorbeelden is de hulpoperatie na de genocide in Rwanda in 1994. Goed doorvoed en bevoorraad dankzij de noodhulp konden 150 duizend Hutumilitanten – medeplichtig aan de genocide – zich vanuit de vluchtelingenkampen hergroeperen. Dit leidde mede tot de verschrikkelijke oorlogen in Congo. Artsen zonder Grenzen is verbolgen over Polmans ongenuanceerde stellingname. Maar zij heeft wel een punt: de organisaties slagen er niet in gezamenlijk op te treden tegen hulpmisbruik.

De vraag ‘wat doen we hier eigenlijk’ ligt op de lippen van veel hulpverleners, die ondanks de hectiek tijd nemen voor reflectie, onder de moeilijkste en gevaarlijkste omstandigheden. Ze vinden het de moeite waard door te gaan, voor de mensen die voor hun onmiddellijke overleven afhankelijk zijn van hun hulp.

Ook organisaties wegen nut en noodzaak van hun handelen. Veel organisaties trekken zich terug als de humanitaire ruimte om met slachtoffers te werken niet gewaarborgd is. Meestal gaat het daarbij om veiligheid van de hulpverleners. Weinig organisaties maken de politieke afweging of het misbruik van de hulp de goede daden niet in de schaduw stelt.

De vraag is ook: hoe beperk je misbruik van hulp? Vorige week constateerde een rapport van onder meer Transparency International, over corruptie in de noodhulp, dat weinig organisaties hier goed beleid op hebben. ‘Zij denken dat corruptie erbij hoort en realiseren zich niet welk machtsmisbruik erachter schuilgaat.’

Het wordt nog erger op sectorniveau. Hulporganisaties vinden zelden een gezamenlijk antwoord op de politieke spelletjes of de graaicultuur waarmee ze te maken krijgen. Systematisch doordenken van het gezamenlijke effect van hulpinspanningen wordt niet gedaan, of blijft zonder consequenties. Daar zit voor mij de angel van Polmans betoog. Terecht stelt zij dat hulpverlenende organisaties behalve door humanitaire motieven gedreven worden door organisatiepolitiek. Ze concurreren met elkaar, met het risico dat zij tegen elkaar in werken.

Daarbij zijn er steeds meer organisaties, honderden per crisis, en allerlei coördinatiestructuren. Die zijn enorm verbeterd de laatste tien jaar, maar tegen zo’n groei valt niet op te coördineren. Complexe en precaire humanitaire crises worden dus bestreden met een grotendeels ongeregeld leger van organisaties. Hoe kunnen we verwachten dat die effectief omgaan met de politieke crises waarin ze opereren? Dat is de vraag die De crisiskaravaan uitschreeuwt.

Schreeuwen doe je niet zacht of met nuance. De redenering is soms kort door de bocht. Neem Rwanda 1994. Ik ben het niet eens met Polman dat de hulpverleners daar niets te zoeken hadden. De meeste vluchtelingen namen geen deel aan de genocide. En wie kent het verschil? Door onthouden van hulp zou de humanitaire gemeenschap voor aanklager, rechter én beul hebben gespeeld. Wel ben ik het ermee eens dat dit veel te lang duurde. De militaire politie van de Verenigde Naties trad niet op tegen de milities en de hulporganisaties wisten dit niet af te dwingen. Ieder voor zich werkend, konden ze samen geen vuist maken.

Nog steeds hebben de hulporganisaties het toezicht op hun sector niet geregeld. Er is alleen een vrijblijvende gedragscode. Het wordt tijd dat de organisaties de uitdaging aangaan. Dat is de schreeuw die het waard is om gehoord te worden.

Meer over