Hulporganisaties letten te veel op eigen belang

Hulporganisaties zijn geneigd te concurreren om een zo groot mogelijke punt van de taart.

FEMKE HALSEMA

'Waarom ga je hier niet weg?', was onze vraag aan de hulpverlener in kamp Al-Zaatari In Jordanië, 15 kilometer van de Syrische grens. Het was de eerste stop op een rondreis die Tineke Ceelen en ik ondernamen langs de vluchtelingenkampen in Syrië en zijn buurlanden. Vanaf het moment dat Al-Zaatari openging in juli 2012, is het aantal vluchtelingen gegroeid tot minstens het dubbele van de 60.000 mensen waarvoor het nog geen jaar geleden gebouwd is. In het kamp werken zo'n 25 hulporganisaties. Dat aantal zorgt voor grote problemen in de coördinatie van de hulpverlening.

De hulpverlener die wij vroegen waarom hij niet wegging, was niet zo tevreden met de bijdrage van zijn organisatie aan het leven in het kamp. Waarom liet hij het werk dan niet aan anderen over, hielden wij aan. Zijn antwoord was even duidelijk als ontluisterend: 'We all want a piece of the pie.' In dit antwoord ligt de kwetsbaarheid van de noodhulp besloten.

Zoals altijd in humanitaire crises zijn er de verhalen van bovenmenselijke opoffering van hulpverleners. Er zijn ook veel voorbeelden van uitstekend functionerende organisaties. Dit brengt een noodzakelijke relativering aan bij de verontwaardiging van een aantal oorlogsjournalisten dat er in Syrië geen hulpverlener te bekennen is. Maar de verontwaardiging heeft ook grond. De hulp schiet dramatisch tekort.

De hulp in Syrië is vanaf het begin gehinderd geweest door politieke tegenstellingen. Het grootste obstakel is dat de UNHCR, Unicef en het Rode Kruis gehouden zijn aan het soevereiniteitsbeginsel van staten. Zij trekken slechts de grens over om hulp te bieden als de overheid toestemming geeft. Andere organisaties trekken wel illegaal de grens over maar hebben alleen toegang via een klein aantal grensovergangen. Dit obstakel is uit de weg te ruimen als de Veiligheidsraad een bindende resolutie zou aannemen waarmee 'crossborderhulp' wordt geaccepteerd.

Kritiek op humanitaire organisaties is gemakkelijk gegeven. Zeker als de noden groot zijn, wijst de beschuldigende vinger snel naar de noodhulp. Hulpverleners wijzen op hun beurt naar de ingewikkelde politieke omgeving waarin zij hun werk moeten doen, de onveilige omstandigheden en de afwezigheid van publieke betrokkenheid en geld. Dat is allemaal waar.

Toch mag er ook kritisch worden gekeken naar het functioneren van humanitaire organisaties. Noodhulp wordt vooral gegeven door (semi-) private organisaties en VN-instellingen op een moeilijke markt met schaarse middelen. Zeker in oorlogssituaties zoals in Syrië, als de bereidheid van staten en publiek om geld te geven klein is, zijn organisaties geneigd met elkaar te concurreren om een zo groot mogelijke taartpunt.

De particuliere donateurs en de donorlanden kunnen niet nagaan of de hulp terechtkomt waar zij hopen, en of deze effectief is. Door publicaties als De Crisiskaravaan van Linda Polman en kritische evaluaties van grote noodhulpacties is de achterdocht over hulp toegenomen. Dat maakt de noodzaak voor hulporganisaties om zich te verantwoorden groot. Dit leidt vooral tot grote bureaucratische verantwoordingsprocedures die tijdrovend en kostbaar zijn, en tot een afnemende bereidheid financiële risico's te lopen. Dat is discutabel want hulp in een gewelddadig conflict als in Syrië kan onmogelijk voor de volle honderd procent worden verantwoord en er is samenwerking nodig met Syrische organisaties die niet bekend zijn met onze bureaucratie.

Achterdocht leidt er ook toe dat humanitaire organisaties zich toeleggen op zichtbare hulp: makkelijk uit te leggen en te fotograferen distributie van goederen, medische hulp of onderwijs. Hiermee is op zichzelf weinig mis. Erg is wel als andere, even nodige maar voor donateurs minder verleidelijke hulp niet meer wordt gegeven. De stadvluchtelingen die opvang vinden bij bekenden, of met veel gezinnen in half afgebouwde huizen of garageboxen wonen, maken 70 procent uit van alle Syrische vluchtelingen. Slechts enkele organisaties houden zich met hen bezig.

In Nederland zijn de hulporganisaties verenigd in de Samenwerkende Hulporganisaties (SHO). De laatste jaren is de SHO onderwerp van kritiek, niet geheel onterecht. Bij een grote crisis wordt het geld weliswaar gezamenlijk ingezameld, maar nadat het is verdeeld, is er nauwelijks overleg over de wijze waarop het geld het best kan worden aangewend en dit overleg wordt ook niet op prijs gesteld.

Ik ben er voor dat de SHO een onafhankelijk instituut wordt, een internationaal rampenfonds, dat fondsen werft en bij de verdeling van geld toetst welke organisaties de effectiviteit en capaciteit bezitten die nodig zijn in een humanitaire crisis. Dit is de enige manier om de behartiging van het eigen belang door humanitaire organisaties tijdens nationale acties tegen te gaan en een open discussie te voeren over de effectiviteit van de hulp.

Dit is een sterk ingekorte versie van de Van Heuven Goedhartlezing die Femke Halsema vandaag geeft. De volledige tekst is te lezen op www.volkskrant.nl/opinie.

undefined

Meer over