Huis zonder stijl

Finnen bouwen in Afrika, Japanners in Spanje, Duitsers in China, een 'Dutch Village' nog wel. De ontwerptaal is losgezongen van land en cultuur toont de Biënnale in Venetië....

Het is bij de beesten af, klaagt (Sir) Paul Smith, zelf een hip kledingontwerper, bij gelegenheid van de achtste architectuurbiënnale in Venetië. Louis Vuitton, Ralph Lauren, Prada: alle grote modemerken vermalen met hun global marketingstrategie de wereld tot een eenheidsworst. De Via del Spiga in Milaan, de Rue Faubourg St Honoré in Parijs en de P.C. Hooftstraat in Amsterdam, ze zijn allemaal in bezit genomen door dezelfde minimalistisch vormgegeven modewinkels. 'Wat me verontrust is de indoctrinatie die ervan uitgaat', zegt Smith en dat alle lokale eigenaardigheden uit zo'n straat zijn weggesaneerd. 'Een paar machtige mensen veranderen de dingen zoals ze zijn, voor ons allemaal.'

Smiths klaagzang is opgetekend door Deyan Sudjic, een Britse architectuurcriticus en samensteller van 's werelds grootste overzicht van hedendaags bouwen: de Biënnale van Venetië. Sudjic heeft negentig architecten en 140 projecten uitgestald in het Arsenaal, een voormalige scheepsloods van bijna een kilometer lang. Jonge architecten, oude architecten, futuristische plannen en degelijke projecten, low-budget-ontwerpen en poepduur prestige-design. Het is allemaal samengebracht in een heel fatsoenlijk overzicht, waar geen grote naam ontbreekt (uitgezonderd Rem Koolhaas). En toch is er iets aan Sudjics selectie dat de verontrusting van sir Paul Smith, onbedoeld, lijkt te ondersteunen.

De expositie heeft de titel Next meegekregen, next als verwijzing naar de volgende generatie (de volgende generatie gebouwen, de volgende generatie architecten), maar Sudjic haast zich eraan toe te voegen dat dit eigenlijk een paradoxale ambitie is. Een gebouw is immers al oud zodra het gereed is. Tussen idee en resultaat in de architectuur zit steevast een gat van minimaal drie jaar. Dus zijn de gebouwen die je op een architectuurtentoonstelling krijgt geserveerd per definitie oude koek. Next is niet een overzicht van de architectuur van een nieuwe eeuw, maar de weerslag van die hoogconjuncturele jaren negentig uit de vorige eeuw.

En daarom wellicht stralen al die 140 maquettes, videopresentaties, foto's en bouwtekeningen het optimisme uit dat hoort bij de aandelenkoersen van enkele jaren terug. Het zijn gebouwen met de spierballengrammatica van Frank O. Gehry's Guggenheim Museum in Bilbao. Grote sculpturale gebaren à la Daniel Libeskind, die overal ter wereld musea rondstrooit in de vorm van een hand scherven. Alles mag, zo lang het maar niet te veel op een gebouw lijkt.

Van de Amerikaanse architect Gehry zelf is een ontwerp voor het MIT Computer Science Building in Massachusetts, dat eruit ziet als een ruïne. Er is een 'ruimteschip op het water', gemaakt van glas op een eiland in de vorm van het eiland (Tandoa Ando voor Museum Francois Pinault in Parijs) en uit Nederland komt een ontwerp voor een Babylonische toren waarin een voetpad van 17 kilometer lengte omhoog cirkelt en waarin alle bibliotheekboeken van Noord-Brabant zijn opgeborgen (Bibliotheek voor Noord-Brabant, MVRDV).

De architecten lijken elkaar te willen overtreffen in vorm, materiaalkeuze en constructie. Opgezweept door hun opdrachtgevers. Want voor die groep is een architectonisch ontwerp niet in eerste plaats de huisvesting voor een collectie, kantoorpersoneel of een persoon. Een nieuw museum moet ook het logo van een stad zijn, een bedrijfsgebouw is het imago van de firma en het woonhuis de identiteit van zijn bewoner.

Op deze achtste architectuurbiënnale, legt Sudjic uit, zul je vergeefs zoeken naar een opvolger van het postmodernisme, deconstructivisme of een andere stijlopvatting. Dit is niet de tijd van een overheersende beweging. Dat is waar: architecten laten zich niet plaatsen in stijlgroepen. Maar wat ingewikkelder is: ook het verband tussen locatie van het gebouw en herkomst van het ontwerp is diffuus geworden. De gebouwen zijn mooi, of lelijk, maar ze kunnen overal ter wereld staan. De architecten zijn talentvol of middelmatig, maar ze kunnen uit elk land afkomstig zijn en de hele wereld is hun bouwterrein. Zo bouwt een groep Finse architecten een Afrikaans dorp in Senegal. Een Japanner ontwerpt drie schelpachtige vormen langs de Spaanse kust (Toyo Ito, toeristencentrum voor Torrevieja). Duitsers bouwen aan een 'Dutch Village' in China en een Spanjaard bouwt een woonhuis langs de Chinese Muur (Antonio Ochoa, woning voor de Great Wall Commune).

De ontwerptaal van deze architecten is zo losgezongen van een land of cultuur, dat net als de bij de door Paul Smith verfoeide globale modeconcepten, zich een onbehagen opdringt. Als alle landsgrenzen zijn geslecht, lijkt ook de oorsprong zoek te zijn. Er is geen herkomst, geen stijl. Die enige afwezige architect, Rem Koolhaas, zou minzaam kunnen verwijzen naar een prijsvraag die hij begin jaren negentig uitschreef met de opdracht: House with no style.

Er schuilt volgens Koolhaas een groot misverstand in die drang tot internationalisering. Voor creatieve beroepen is het zeker geen vooruitgang dat alles wat hip en creatief is, samenklontert in New York, Berlijn en Londen (en op internet). Om je in een globale maatschappij te onderscheiden, zegt Koolhaas, wordt het allengs minder belangrijk waar je bent, maar steeds crucialer waar je vandaan komt. En die kwestie is precies, toevallig, de vraag die Nederlanders op deze Biennale bezighoudt.

Nederlandse architectuur is goed vertegenwoordigd in Venetië. Dat is de weerslag van de internationale waardering voor Nederlandse architectuur de afgelopen jaren. Een belangstelling die niet alleen de architectuur treft. In elke tak van toegepaste kunst zijn Nederlanders in de jaren negentig snel heel succesvol geworden. Er loopt een lijn van Rineke Dijkstra's fotografie, Viktor & Rolfs mode, naar de ontwerpen van Droog Design en gebouwen van MVRDV. En in hun kielzog heeft een hele generatie talentvolle ontwerpers aansluiting gevonden.

'They are Super, the Dutch', schreef de The Guardian, waar komt dat ontwerptalent vandaan? 'Is it in the water, or maybe in the Heineken?' Amsterdam is volgens de Britse krant 'als Florence onder de Medicis'.

Voor die eruptie van talent is een hele serie etiketten verzonnen. Superdutch (voor architectuur), Dutch Wave (voor mode), Dutch Renaissance (fotografie) en Dutch Design (vormgeving). Hun vertegenwoordigers zijn gedoopt tot lid van the Dutch Posse en Dutch Brat Pack. De gemeenschappelijke noemers van deze generatie zijn: een open geest, vleugje humor, creatief materiaalgebruik en vooral: pragmatisme. Het zijn aardse ontwerpen die goed balanceren tussen nut en esthetiek. De zondagskrant The Observer heeft, op zoek naar de ziel van dat Dutch Pragmatism, de Engelstalige wereld verrijkt met de vertaling van een oerhollands gezegde: Just be normal, it's crazy enough.

Dit succes heeft het architectuurtijdschrift Archis verleid tot een themanummer bij aanvang van de Biënnale. De Hollandse liefdesrelatie met het alledaagse wordt daarin tegen het licht gehouden door Aaron Betsky, directeur van het Nederlands Architectuurinstituut. Nederlanders, schrijft hij, kunnen goed huizen bouwen, maar ze zijn slecht in kastelen. De enige echte monumenten in Nederland zijn functionele gebouwen, hun waterbouwkundige infrastructuur, de Deltawerken. Betsky, een Amerikaan, die zijn jeugd in Nederland heeft doorgebracht, schrijft het succes van het Nederlandse ontwerp toe aan de innige relatie met het landschap. In een kunstmatig land, waar elke vierkante meter is gewonnen op het water of ertegen beschermd moet worden, ben je verplicht heel goed na te denken over de ruimte. Daardoor heeft het dichtbevolkte Nederland een zorgvuldige balans opgebouwd tussen gemeenschapszin en eigenzinnigheid, tussen openbare ruimte en privacy. Factoren waar veel landen pas veel later aan toegekomen zijn. Dus kunnen ze wat leren van: doe-maar-gewoon-dan-doe-je-gek-genoeg.

Zo beschouwd is er op de Venetiaanse expositie wel één land herkenbaar aanwezig. De Nederlandse projecten zijn, afgezien van de inbreng van Ben van Berkels UN Studio, relatief kleinschalig. Huizen vooral, een enkel instituut en twee torens van Mecanoo, maar alles niet te gek. Als je met Betsky's blik erlangs loopt, zie je dat pragmatisme wel terug. De grote uitzondering is MVRDV, het uit de schoot van Koolhaas gegroeide Rotterdamse bureau. Van hen is wel de neiging te herkennen om een groot gebaar te maken. Zij zijn door de organisatie van de Biënnale met zeven toparchitecten uitgenodigd om een ontwerp voor een torenflat te maken. Hun inzending staat tussen die van Jean Nouvel, Toyo Ito en Zaha Hadid.

Terwijl Hadid een prachtige sculptuur van in elkaar gestrengelde torens maakt, kijkt het Rotterdamse bureau vooral naar hoeveel vierkante meters er benut kan worden. En daar wordt een uiterlijk bij bedacht. Net als de Brabantse bibliotheektoren een bijna toevallige vorm heeft, en eerder een optelsom is van data dan een esthetisch ontwerp.

'Nederlanders doen niet in paleizen', schrijft Betsky, 'ze doen in huizen. Ze doen niet in parken, maar in weilanden die tussen de huizen liggen.' En hun grote architecten zijn veel meer op hun gemak met een hybride landschap dan met het grote gebaar. De Beurs van Berlage in Amsterdam vindt Betsky geen goed gebouw, 'maar geef Berlage de kans door middel van woningbouw een stad vorm te geven en hij ontwerpt een reeks wijken met een zorgvuldig evenwicht tussen het monumentale stadslandschap en pittoreske stedelijke agglomeratie dat zijn weerga in de wereld niet kent.'

Meer over