Huis Doorn illustreert einde van een tijdperk

Huis Doorn is een uniek stuk gestolde wereldgeschiedenis dat niet wegbezuinigd mag worden.

THOMAS VON DER DUNK

Afgelopen woensdag opende in de Noord-Franse industriestad Lens een nieuw kunstmuseum zijn deuren, dat als dependance van het Louvre uit de topstukken mag putten. De Volkskrant pakte daags daarop over twee volle pagina's uit: 'Het mooiste museum van het land', zo wordt het Louvre-Lens ginds al euforisch genoemd (V, 13 december). Er is 150 miljoen voor neergeteld. Het democratische idee erachter is dat men ook buiten de hoofdstad van nationale kunstschatten moet kunnen genieten. Frankrijk kampt als elk ander Europees land met de crisis, maar één ding doen ze daar dan niet: bezuinigen op cultuur.

Vergelijk dit met Nederland. In de jongste cultuurnota, waarover de Kamer vandaag debatteert, wordt juist de opheffing van drie rijksmusea voorgesteld: allereerst van het Rijksmuseum Twenthe in de Oost-Nederlandse industriestad Enschede, dat zich tot het Rijksmuseum in Amsterdam verhoudt als het Louvre in Lens tot dat in Parijs. En daarnaast van twee monumenten, die als nationaal erfgoed moeten worden beschouwd: Slot Loevestein en Huis Doorn. De rijkssubsidie dreigt bij beide in één klap zodanig verminderd te worden dat zij hun slotdeuren moeten sluiten, waarmee generaties lang gekoesterd collectief cultureel erfgoed ontoegankelijk wordt gemaakt. Wie mocht denken, dat hier een besparing van 150 miljoen te halen valt, heeft het mis. Bij Huis Doorn gaat het om een jaarlijkse subsidie van 441.000 euro, die nu tot 217.000 moet worden teruggebracht, dus om het miezerige bedrag van twee ton.

Om de gedachten te bepalen: vier ton is wat we jaarlijks uit de collectieve middelen bij heel wat zorg- of onderwijsconglomeraten aan één enkele topbestuurder kwijt zijn. Voor reductie van die kostenpost, waarvan steeds maar één persoon profijt heeft, tot de voorgeschreven balkenendenorm neemt de overheid vijf jaar de tijd. De reductie tot eenzelfde bedrag moet voor een museum, waarvan jaarlijks 25.000 bezoekers profijt hebben, daarentegen op stel en sprong. Het zegt iets over de prioriteiten die de Nederlandse politiek stelt: individueel graaigedrag wordt gedoogd, collectief spaargedrag afgestraft. Misschien had men, gezien de som die zonder enig resultaat aan het Nationaal Historisch Museum is verspild, in Doorn en Loevestein in het verleden veel meer moeten vragen, aangezien men onder het miljoen kennelijk al snel als te weinig prestigieus van de Haagse beleidsradar verdwijnt. Dat is ongetwijfeld een van de redenen dat men nu, bij het bijeensprokkelen van het beoogde bezuinigingsbedrag, weer bij tamelijk kleine instellingen is uitgekomen. Dat zijn de gemakkelijkste slachtoffers, want zij beschikken over te weinig lobbykracht om afdoende stennis te kunnen maken.

Bij Huis Doorn komt daar onderhuids nóg iets bij, dat al eerder een rol speelde, toen het ook al eens bijna voor wegbezuiniging werd uitverkoren: het wordt niet als echt 'Nederlands' erfgoed beschouwd, en dat is thans een culturele doodzonde. Huis Doorn heeft echter heel wat meer met de Nederlandse geschiedenis te maken dan pakweg de hunebedden die door de commissie-Van Oostrom, omwille van het hervinden van onze nationale identiteit ingesteld, als vanzelfsprekend in de historische canon zijn vereeuwigd. Als Van Oostrom de hunebedbouwers had meegedeeld dat zij Nederlanders waren, was hij beslist glazig aangekeken, als hij niet al vanwege deze vergaande impertinentie zo'n zware deksteen naar zijn kop geslingerd had gekregen.

Huis Doorn belichaamt daarentegen een essentiële periode uit ons recente verleden: die van een eeuw Nederlandse neutraliteit. De daaruit voortgekomen onzijdigheid in de Eerste Wereldoorlog is ook de reden dat Wilhelm II naar Nederland is uitgeweken. Zeker: als het keizerlijke hoofdkwartier zich niet in Spa, maar in Straatsburg had bevonden, was het vast Zwitserland geweest. Maar dat doet er niet toe: Doorn staat in Nederland, en daarmee beschikken wij over een in Europa uniek stuk gestolde wereldgeschiedenis dat het einde van een complete era illustreert.

Wilhelm II symboliseert de pompeuze monarchie in Europa in de late 19de eeuw en de ondergang ervan. De Eerste Wereldoorlog bracht het einde van vier imperia. Niet alleen de Hohenzollern, maar ook de Habsburgers, de Romanovs en de Ottomaanse sultans verdwenen voor altijd van het toneel. Wie het ene bescheiden, en tot het plafond volgepropte Huis Doorn, waar de gevallen keizer zijn levensdagen houthakkend moest slijten, afzet tegen de tientallen immense paleizen waarover hij vóór zijn val in Duitsland beschikte, wordt zich direct van die enorme cesuur van '14-'18 bewust. Nergens in Europa kan men de sensatie van deze breuklijn op zo beklemmende wijze gewaar worden als hier.

Met zijn vlucht sleurde Wilhelm II het neutrale Nederland, dat na het Belgische debacle in 1840 afscheid van de buitenwereld genomen had, de wereldpolitiek en daarmee de 20ste eeuw binnen. Huis Doorn werd van die hardhandige confrontatie van ons land met de moderne tijd het symbool. De belangrijkste asielzoeker die wij ooit gehuisvest hebben, was in de ogen van de zegevierende Entente ook de belangrijkste oorlogsmisdadiger van dat moment, zodat (vergeefs) op hoge toon zijn uitlevering werd geëist.

In Doorn raakte zo in het Interbellum de grote wereld aan het kleine Nederland, dat overigens pas echt op 10 mei 1940 uit zijn internationale winterslaap zou ontwaken. Alleen al om die reden dient het, als waarschuwend venster op de wereld, opengesteld te blijven. Het zou ten overstaan van onze Europese partners wel bijzonder pijnlijk zijn als juist dát Europese monument dat als geen ander onze toenmalige naarbinnen ge-keerdheid symboliseert, nu op slot zou gaan om daarmee van een nieuwe naar binnen gekeerdheid kond te doen.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

undefined

Meer over