Huis als tweede huid

De werkelijke werkkamer van de schrijver is zijn hoofd. Die kamer, zei Kees Fens ooit, is a room of one’s own, dát is het hoofd....

‘Wat mij betreft’, schreef Marcel Proust in Sur la lecture, ‘ik voel me alleen maar leven en denken in een kamer waar alles de schepping is en de taal spreekt van levens die van het mijne grondig verschillen, van een smaak die haaks staat op die van mij.’ De Engelse literatuurwetenschapper Diana Fuss brengt in The Sense of an Interior zijn kamer in kaart, compleet met een plattegrondje, waar de spiegels staan, de kasten en ander meubilair, ze beschrijft waar de foto’s hangen, het speelde allemaal een belangwekkende rol in zijn schrijven.

Lange tijd woonde hij op de Parijse boulevard Haussmann, in een ‘enorme kurk’, want in zijn slaapkamer waar hij aan zijn Recherche schreef waren geluidwerende platen kurk aan de muren gespijkerd. Voor veel literatuurwetenschappers is het verhaal over het schrijvershuis eerder een metafoor dan een werkelijkheid. Alsof het bij schrijven alleen maar gaat om words on the page. Het huis van een schrijver is nochtans een soort ‘tweede huid’, zegt Fuss, het interieur is het archief van herinneringen, van opgestapelde mislukkingen, successen en van grootse plannen.

Voor Proust was zijn appartement ‘de plek waar voor mij Mama rust en die niet het kerkhof is’. How ugly your house is!, zou Oscar Wilde ooit hebben gezegd toen hij bij Proust dineerde. Al zijn biografen zijn het daarmee eens: fussy, ‘druk’, volgens William Sansom, shabby, ‘krenterig’, meent Edmund White, inferior, ‘minderwaardig’, schrijft George Painter.

Het interieur was voor Proust een prikkeling voor zijn sensorium, dat deel van de hersenen waarin zintuiglijke prikkels doordringen, de geur van koffie, de smaak van een madeleinekoekje, de herinnering aan een muziekstuk, het gewaar worden van een traliewerk, het zien van al zijn personages uit zijn boeken. De plek waar de schrijver werkt is een reservaat, een cocon voor hersenspinsels, een werkplaats als decor en theater voor het boek.

In Neatness Counts – Essays on the Writer’s Desk, een topografie van de schrijversplek, roept de literair criticus Kevin Kopelson herinneringen op aan de vertrekken waar Marcel Proust, Roland Barthes, Bruce Chatwin, Tom Stoppard en Elizabeth Bishop schreven, aan hun schrijftafels en schrijfpennen, aan de materiële omstandigheden waarin hun teksten tot stand kwamen. Chatwins ‘cocon’ waren zijn moleskin notebooks, zijn zwarte notitieboekjes waarin hij zijn ideeën verzamelde; Barthes werkte met steekkaarten. Kopelson schrijft over de chaotische schrijftafel, de geordende, de dramatische (pistool binnen handbereik), het bureau-plat van reizende schrijvers als Chatwin.

Er is weinig geschreven over ‘de materialiteit van het schrijfproces’, zegt Fuss. Soms is een bibelot in de werkkamer, zoals de papegaai van Flaubert voor zijn vertelling Un coeur simple, voor een auteur een godsgeschenk. Maar waarom veronachtzamen critici en literatuurvorsers die details?

Janell Watson schreef erover, in Literature and Material Culture from Balzac to Proust (1999) of Didier Maleuvre in Museum Memories: History, Technology, Art (1999), of Nathalie de Saint Phalle in haar onlangs heruitgegeven en herziene Hôtels littéraires – Voyage autour de la terre. Ontegenzeggelijk hebben licht (het schrijven met gesloten gordijnen), kleur, temperatuur, de sense of the interior hun invloed op het moeizame schrijfproces.

Schrijvers als Honoré de Balzac, Joris-Karl Huysmans en Edmond de Goncourt beschreven uitvoerig de plek waar ze schreven; Émile Zola en Alexandre Dumas kozen zorgvuldig hun werkplek uit, hun schrijfatelier, the fine desk, zegt Kopelson.

Hun woning is vaak een sanctum sanctorum. Samuel Beckett had in Ussy in Seine-en-Marne een Blockhaus, een eenvoudig ommuurd bunker-achtig huisje dat hij met de opbrengst van En attendant Godot had gekocht. Niemand kwam erin, het was er kaal, en het enige wat hij er deed was schrijven. Montaigne had een toren, zijn bibliotheek; Louis Aragon en Elsa Triolet lieten hun boeken, bijna dertigduizend titels, in hun huis in de Moulin de Villeneuve achter voor vorsers en literatuurstudenten.

Georges Simenon woonde in een papieren kooi, hij sloot zich op in zijn huis in Lausanne om te schrijven, in trance; hij was en roman, ‘in het boek’; hij schreef op een maniakale manier en hing een bordje, uit een hotelkamer, met Do not disturb erop aan de deur van zijn werkkamer. Jean-Paul Sartre, ‘de man met de zwarte handschoenen’ schreef in cafés, het schrijverhuis van de filosoof was het publieke lokaal; hij had, zeiden sommigen, altijd zwarte handschoenen aan, ongewassen handen bij het eten of schrijven in het café, ‘zijn ledematen waren tot zijn ellebogen zwart van vuiligheid’. Weer andere schrijvers houden van de vaste plek, zoals Fens schreef ‘lijken ze de gelofte van stabilitas loci te hebben afgelegd’. Neem Harry Mulisch, die al bijna zijn hele schrijversleven woont op de Amsterdamse Leidsekade.

Hun manier van leven, hun woonst, heeft grote invloed op wat ze schrijven. Hun interieurs vertellen iets over hun beweegredenen, hun emoties, hun interesses en hun verbeelding. De excentrieke schrijver Raymond Roussel, de auteur van Impressions d’Afrique, liet een kampeerwagen bouwen, een klein huis eigenlijk, met een zitkamer, een studeerkamer, een badkamer en zelfs een slaapkamertje voor het driekoppige personeel, twee chauffeurs en een bediende. Zijn ‘huis op wielen’ was de meest mobiele schrijfplek; het paste bij zijn zwerflust en zijn andere eigenaardigheden. Pierre Loti, schrijver en wereldreiziger, liet zijn huis in het Franse Rochefort, dat nog steeds door duizenden ‘literaire toeristen’ wordt bezocht, inrichten als een soort exotisch rariteitenkabinet, met exuberante stijlkamers. Het inspireerde hem en hij moest voor het schrijven niet eens de deur meer uit. De wereld had hij in een notendop in zijn eigen interieur.

Paul Depondt

Diana Fuss: The Sense of an Interior – Four Writers and the Rooms that shaped themRoutledgeImport Nilsson & Lamm270 pagina’s¤ 32,47ISBN 0 415 96990 5RoutledgeImport Nilsson & Lamm270 pagina’s¤ 32,47ISBN 0 415 96990 5

Meer over