Houvast zoeken tegen de vernieuwingen in

De Meeuw van Anton Tsjechov door FACT i.s.m. Het Oranjehotel. Regie en bewerking: Jeroen van den Berg. In Schouwburg Rotterdam....

Einde voorstelling, het applaus zwelt aan. Beduusd staart het tiental acteurs de zaal in. Ze maken een bescheiden buiging, kijken elkaar aan en maken dan nog maar een buiging.

Toneelschoolleerling Vincent van den Berg lacht schamper, zoals hij als Kostja in de voorstelling ook al deed. En Oda Spelbos lijkt zich af te vragen of het publiek oprecht reageert, of uit pure beleefdheid handelt. Krijn ter Braak zal het zorg zijn, die kent zijn Pappenheimers, en ook Hidde Maas, Shireen Strooker en Agaath Meulenbroek kijken na dertig jaar toneel nergens meer van op. Zelfs niet van het feit dat ze momenteel in een bijzondere voorstelling staan.

Vorig jaar maakte artistiek leider Rob Klinkenberg bekend dat FACT, de theatervoorziening waarbij jonge regisseurs ervaring kunnen opdoen, voorstellingen voor de grote zalen ging produceren. Zijn motivatie daartoe was helder: talentvolle makers moeten ook in grote schouwburgen uit de voeten kunnen. Jeroen van den Berg, die pas vier produkties in de kleine zaal maakte, mocht de eerste grote-zaalproduktie regisseren: De meeuw van Anton Tsjechov over een jonge schrijver en een jonge actrice die worden vermalen door de gevestigde orde.

Van den Berg lust de grote zaal wel rauw, dat is meteen duidelijk. De lijst van de toneelopening, door Gerardjan Rijnders en anderen verguisd, is hier feestelijk verlicht. Acteurs lopen over het podium heen en weer, alsof ze zich na een jarenlange opsluiting voor het eerst weer mogen bewegen. En al genietend van het immense podium, brengt Van den Berg het speelvlak binnen afzienbare tijd terug tot een kleine ruimte voor op het toneel. Want het mag dan goed toeven zijn in de schouwburg, Van den Berg voelde er weinig voor zich te verliezen in de grote zaal.

De meeuw is door Jeroen van den Berg grondig aangepakt. Op de eerste plaats bewerkte hij het stuk tot een scherpe komedie, zoals Tsjechov het in 1889 had bedoeld. Hij haalde de thematiek naar de jaren negentig, situeerde het landerige gezelschap ergens in de polder (De actrice: 'Het onthaal in Zwolle. Je zult het niet geloven.'). Daarbij hanteert Van den Berg een puntig taalgebruik dat doet denken aan de rake kreten uit de reclameblokken.

Met korte zinnen, die meestal niet meer dan tien woorden bevatten, worden huwelijken aangekondigd of ruzies uitgevochten. Bijvoorbeeld tussen de jonge Kostja en zijn moeder, de gevierde actrice die maar niet oud wil worden. Kostja: 'Ga maar lekker naar je zwarte doos. (. . .) Ga maar kunst maken. Laat ons maar weer zien dat je het ook allemaal niet weet.'

Kort daarvoor had Kostja al geroepen: 'We hebben nieuwe vormen nodig! Een nieuwe stijl' En dat doet de 23-jarige Vincent van den Berg op een toon die zoveel zegt over de jonge toneelmakers van nu: geestdriftig en explosief, maar volhardend in de weigering een revolutie te prediken omdat revoluties om leugens vragen. Daar zit deze Kostja niet op te wachten.

Niet voor niets was het toneelstukje dat hij samen met zijn grote liefde Nina opvoerde een kopie van Gerardjan Rijnders' Klaagliederen. Trigorin, de grote schrijver, haalt er zijn neus voor op, de gevierde actrice kletst er doorheen en ook de rest van het gezelschap kijkt stomverbaasd naar de gevallen aartsengel.

Met deze scène rekent Jeroen van den Berg af met het dilemma waarmee hij en zijn leeftijdgenoten worstelen. Van hen wordt vernieuwing verwacht, maar publiek en kritiek blijken weinig welwillend als je geen Rijnders heet.

Daarom heeft Jeroen van den Berg niet bewust op vernieuwing aangestuurd. Hij ging aan de slag met een bonte cast. Doorgewinterde acteurs en aanstormend talent staan gebroederlijk naast elkaar. Verschillend van stijl zijn zijn ze op zoek naar houvast, soms in hun tekst, soms in hun onderlinge spel. En dat die club toch een ensemble wordt, komt omdat juist die zoektocht hen bindt, die zoektocht waarvan Van den Berg de aanvoerder is.

'Het toneel is hard achteruit gegaan. Vroeger stonden er machtige eiken. Tegenwoordig zie je alleen nog maar stronkjes.' Frans de Wit bromt deze tekst de zaal in. In zijn hand heeft hij een hondeketting, maar een hond is nergens te zien. Die staat waarschijnlijk zo'n machtige eik onder te pissen.

Ronald Ockhuysen

Meer over