Hoop regeerde inval Irak, niet planning

Michael Ignatieff was voor de oorlog tegen Irak, al aarzelde hij over de motieven. Een jaar later zijn wanhoop en desillusie zijn deel omdat Irak er niet veel beter voorstaat....

Een jaar geleden was ik een weliswaar onwillige, maar toch overtuigde voorstander van de oorlog in Irak. Een jaar later zijn de massavernietigingswapens niet gevonden, worden Irakezen op weg naar de moskee opgeblazen, is de invoering van de democratie uitgesteld tot volgend jaar en vragen mijn vrienden me of ik niet van mening ben veranderd. Wie zou dat niet zijn?

Die verandering begon met het debat van vorig jaar. We dachten dat we het hadden over Irak, maar de vraag wat het beste zou kunnen zijn voor 25 miljoen Irakezen leek geen grote rol te spelen. Zoals gewoonlijk hadden we het weer eens over onszelf: over wat Amerika voorstelt en over hoe we zijn vreeswekkende kracht kunnen gebruiken in de wereld. Het debat liep uit op een wedstrijd tussen ideologiedie zich voordeden als geschiedenisverhalen. De conservatieve Republikeinen schetsten het beeld van de Verenigde Staten de bevrijder, terwijl progressief links ons het beeld schetste van het slinkse Amerika, dat schurkachtige leiders in het zadel houdt en democratisch gekozen leiders juist niet. Beide verhalen kloppen: Het Marshallplan toonde aan dat Amerika ook wel goede dingen kon doen, terwijl de omverwerping van president Allende in Chili en de steun voor doodseskaders in Zuid-Amerika aantoonde dat Amerika ook ernstige fouten kon maken. Hoe dan ook, de precedenten en de ideologiewaren irrelevant, want Irak was een zaak op zich. En van Irak, zoals later bleek, wist niemand echt veel af.

Een jaar later is Irak niet langer een voorwendsel of iets abstracts. Het is een plaats waar Amerikanen sterven, en ook, en zelfs in veel groteren getale, Irakezen. Deze doden blijven vooral spoken omdat niemand oprecht kan zeggen althans nog niet of zij goedgemaakt zullen worden doordat er een vrij Irak komt of dat zij tevergeefs zullen blijken te zijn geweest wanneer er een burgeroorlog uitbreekt. Ik steunde die oorlog omdat hij de minst slechte van de beschikbare mogelijkheden was.

Bij indamming was een oorlog misschien niet nodig geweest, maar de dam begon op en aantal punten door te breken. Saddam probeerde te ontsnappen aan de sancties, verrijkte zichzelf met illegale olieverkopen en, dat dacht ik althans destijds, was weer begonnen met de constructie van wapens die door de VN-inspecteurs waren vernietigd. Als hij probeerde zich weer te herbewapenen, kon hij door afschrikking misschien zo ver worden gebracht ze niet zelf te gebruiken, maar misschien dat hij ze zou kunnen doorspelen aan de plegers van zelfmoordaanslagen, die zich niet lieten afschrikken. Misschien dat die kans erg klein was, maar na 11 september leek het niet verstandigdie te negeren. Maar toch, zo dacht ik, zou het gebruik van geweld een laatste redmiddel moeten zijn. Als Saddam medewerking had verleend aan de wapeninspecteurs, zou ik een invasie niet hebben gesteund, maar alles wees erop, in elk geval tot maart 2003, dat hij nog steeds dezelfde spelletjes speelde. Of hij daarmee zou ophouden, hing af van een geloofwaardige geweldsdreiging en de Fransen, Russen en Chinezen waren niet bereid een mandaat te geven voor het gebruik van militaire macht. De enige mogelijkheid die dus overbleef was ontwapening door het afzetten van het regime. Waar ik vandaan kom het progressieve Massachusetts was dat geen populaire opvatting. De ontdekking dat Saddam toch geen massavernietigingswapens tot zijn beschikking had, verbaast me, maar toch ben ik niet van mening veranderd over wat de fundamentele kwestie is.

Ik heb nooit gedacht dat de kernvraag was welke wapens hij nou eigenlijk had, meer veeleer wat zijn bedoelingen waren. Ik was in 1992 in Halabja en sprak met overlevenden van de aanval met chemische wapens in 1988 waarbij vijfduizend Koerdische Irakezen zijn omgekomen en ik was ervan overtuigd dat er misschien twijfels konden bestaan over waar Saddam technisch toe in staat was, maar dat er geen twijfel kon bestaan over de kwaadaardigheid van zijn bedoelingen.Ik ben er nog steeds niet van overtuigd dat de leiders van de VSen Groot-Brittannie intenties van Saddam verkeerd hebben weergegeven of hebben gelogen over de wapens waarvan zij dachten dat hij die had. In zijn recent verschenen memoires maakt Hans Blix duidelijk dat hij en zijn mede-inspecteurs dachten dat Saddam iets verborgen hield en dat elke inlichtingendienst bij wie zij te rade gingen dat ook dachten.

Maar misschien hebben ze dan niet gelogen, overdreven hebben ze wel en niemand die zijn steun gaf aan de oorlog is er erg gelukkig mee dat 'een ernstig en groeiend gevaar' zoals Bush het regime van Saddam omzichtig omschreef in zijn toespraak tot de VN van september 2002 langzaam veranderde in een 'acute' dreiging.

Op 19 maart, de avond dat de bombardementen begonnen, bevond ik mij in het gezelschap van een Iraakse vluchteling (ja, ik weet het, maar sommigen van hen zijn eerbare en moedige mensen) en hij zei, 'Luister, dit is de eerste en enige kans die mijn volk tijdens mijn leven krijgt om een fatsoenlijke maatschappij op te bouwen.' Toen ik zei dat dit nou het beste argument was voor een oorlog, was hoon mijn deel. Of ik soms niet wist, zeiden mijn vrienden, dat het de regering helemaal niks kon schelen of er in Irak een fatsoenlijk regime zou komen, zolang het maar stabiel en gehoorzaam was? Mijn antwoord luidde dat als we voor goede resultaten afhankelijk waren van goede intenties, we dan konden wachten tot we een ons wogen. Dat ik voor de oorlog was, betekende dus dat ik, vanwege de consequenties waar ik in geloofde, voor een regering was wier motieven ik niet helemaal vertrouwde.

Een verandering van regime heeft duidelijke nadelen dode Irakezen, dode Amerikanen en onenigheid tussen de VS en veel van hun bondgenoten en de VN. Ik kon respect opbrengen voor iedereen die stelde dat dat gewoonweg een te hoge prijs was. Het kostte mij meer moeite om respect op te brengen voor de onverschilligheid van mijn vrienden die tegen de oorlog waren waarmee ze zouden toestaan dat Saddam aan de macht bleef. Wanneer we zouden doen wat zij als de juiste, verstandige, geweldloze weg zagen, zou door niemand anders dan de Irakezen de prijs worden betaald. Het waren de Irakezen die gevangen zouden blijven in een politiestaat. Voor iedereen die het land ooit daadwerkelijk had bezocht, zat daar niets abstracts aan.

Dus toen de mensen zeiden, 'Ik weet dat het een dictator is, maar . . .', leek het 'maar' toch vooral op een morele uitvlucht. En als de mensen zeiden, 'Hij heeft volkerenmoord gepleegd, maar dat is verleden tijd,' dacht ik: Sinds wanneer kunnen misdaden tegen de menselijkheid verjaren? En toen de mensen zeiden, uiteindelijk, 'Er zijn een hoop dictators en de VS steunen ze bijna allemaal,' klonk mij dat in de oren als een al te beleefde smoes om niks te hoeven doen. Nu, een jaar later, vertellen dezelfde mensen me dat ze blij zijn dat Saddam weg is, maar . . .

Dus gaf ik mijn steun aan een regering waarvan ik de bedoelingen niet vertrouwde, in de overtuiging dat de gevolgen de gok wel waard waren. Nu besef ik dat de gevolgen juist gevormd worden door de bedoelingen. Een regering die zich echt meer om de mensenrechten had bekommerd, zou begrepen hebben dat mensenrechten niet kunnen gedijen zonder orde en dat je geen orde tot stand kunt brengen na een overwinning als de planning van een invasie los staat van de planning voor een bezetting. De regering zag niet in dat als men een stad innam dat dan onmiddellijk na de eerst colonne tanks militaire politie en een burgerbestuur moesten volgen zodat de musea, ziekenhuizen, waterinstallaties en elektriciteitsvoorzieningen bewaakt konden worden en plunderingen, wraakmoorden en misdaad tegen konden worden gegaan. Het handhaven van de orde zou betekend hebben dat er 250 duizend manschappen aan de invasie hadden moeten meedoen in plaats van 130 duizend. Het zou betekend hebben dat men het Iraakse leger en de politie in dienst had moeten houden en opnieuw had moeten opleiden, in plaats van ze op te ontslaan. De regering die nooit moe wordt te vertellen dat hoop alleen nog geen plan is, had in Irak niet meer dan hoop op een plan.

Hoop vertroebelde het denken en hetzelfde kan gezegd worden van de illusie: dat de shi'ieten, tegen wie de oude Bush in 1991 zei dat ze in opstand moesten komen, om vervolgens toe te kijken hoe ze werden afgeslacht, hun vroegere verraders nu als bevrijders zouden begroeten; dat een bevoorrechte soennitische minderheid zich enthousiast zou aanpassen aan een permanente minderheidsstatus in een shi'itisch Irak. Als illusie de motor is achter de planning, is chaos het resultaat. De regering verkeerde in de veronderstelling dat zij een functionerende staat overnam en pas nadat de plunderaars de kantoren hadden leeggehaalden nadat de Ba'ath-functionarissen waren ondergedoken, realiseerde zij zich dat zij niets dan haar eigen mislukking had ged. De regering viel Irak binnen in de veronderstelling dat haar voornaamste taak een humanitaire was, om daarna te ontdekken dat de uitdaging vooral bestond uit de confrontatie met het gewapend verzet. Alle interventies bevatten een element van illusie, maar als voor een interventie zoveel illusies nodig zijn om een regering zover te krijgen dat ze het erop wil wagen, dan moesten we er in de toekomst maar wat minder vaak op teruggrijpen.

Maar nu we er zijn, bestaat ons probleem niet langer uit hoop en illusie, maar eerder uit wanhoop en desillusie. De berichten van de pers uit Bagdad zijn zo somber, dat je bijna zou vergeten dat de dictator is afgezet, er weer olie uit de grond wordt gehaald en in de interimgrondwet sterke garanties voor mensenrechten aanwezig zijn. Het lijkt erop alsof het ons niet lukt om de vrijheid te herkennen: honderdduizend shi'ieten die blootsvoets aan vieringen meedoen in de heilige stad Karbala, Irakezen die aan raadsvergaderingen meedoen en voor het eerst van democratie proeven, kranten en vrije media die als paddestoelen uit de grond rijzen, dagelijks demonstraties in de straten. Als vrijheid het enige doel is dat de alle doden goed kan maken, dan is er nu meer werkelijke vrijheid dan in Irak dan ooit tevoren in de geschiedenis van het land. En waarom zouden we moeten aannemen dat vrijheid niet chaotisch en beangstigend is? Waarom zou het ons moeten verrassen dat de Irakezen hun vrijheid gebruiken om ons te zeggen dat we weg moeten gaan? Zouden wij niet hetzelfde doen?

Vrijheid alleen is uiteraard niet genoeg. Of die vrijheid zal uitdraaien op een langdurige constitutionele orde hangt af van de vraag of kwaadaardig verzet, dat niet aarzelt om moslim op te zetten tegen moslim en Irakees tegen Irakees, in staat is een regering die bang is niet herkozen te worden zover weet te brengen dat ze de Amerikaanse troepen uitzwaait. Als de VS nu gaat twijfelen, wordt een burgeroorlog een re mogelijkheid. Als Amerika nu begint te aarzelen, pleegt zij verraad tegenover iedereen die voor de goede zaak gestorven is.

Wanneer je ingrijpt, houdt dat een belofte in: we beloven dat als we weggaan het land er beter aan toe is dan toen we kwamen; we beloven dat zij die stierven dat niet voor niets deden. Nooit is het moeilijker geweest die beloftes te houden dan nu in Irak. Het progressieve internationalisme dat ik gedurende de jaren negentig steunde interventies in BosniKosovo en Oost-Timor lijkt in vergelijking hiermee kinderspel. Die interventies vormden een gok, maar het was een gok zonder consequenties; als we niet zouden slagen, zou er geen straf volgen. Nu in Irak wordt het spel echt serieus. Er bestaat geen straffeloosheid meer. Er sterven fatsoenlijke mensen en geen enkele president, Democraat of Republikein, kan het zich veroorloven een dergelijk offer te verraden.

Meer over