Honing, propolis en koninginnengelei

De eerste bloemen zijn nauwelijks uitgekomen of een groep grote, zwarte bijen heeft de weg naar mijn bloeiende rosmarijn gevonden....

De dichtstbijzijnde imker zit in Ouderkerk aan de Amstel: Leo Groen. Vijfentwintig jaar geleden begon Groen bijen te houden als hobby. Hij kreeg twee kasten uit Drenthe van de overleden grootvader van een collega.

Groen neemt ze mee naar velden met rijke dracht.

De eerste dracht van het jaar zijn bloeiende wilgen, al is het dan vaak nog erg koud. Vervolgens bloeien velden met koolzaad. Momenteel huren fruittelers Groens bijenkasten om hun boomgaarden te bestuiven. Hij produceert zo voldoende honing om het bedrijf ProPol te voorzien van honing voor ambrosia, de medewijn die het verkoopt.

Hij legt uit waarom bijen al in zo groten getale op mijn rosmarijn zitten: een bijenkolonie sterft niet in de winter. In tegentelling tot bijvoorbeeld hommels, waarvan alleen de koningin overwintert. Het volk blijft 's winters levend en wakker. Jonge bijen worden geboren en oude sterven, net als in de zomer, zij het in een wat tragere afwisseling. De bijen houden de korf op 20 tot 25 graden door met het hele, op honing terende volk dicht opeen te trillen. Dat geeft warmte.

Zodra de temperatuur van de buitenlucht boven de zestien graden stijgt, gaan de eerste haalbijen weer op pad. Zij verzamelen uit bloemen niet alleen nectar, maar ook honingdauw, de zoete substantie die luizen afscheiden als ze sap tappen van planten. Verder zijn bijen niet vies van andere zoetigheid, als jam, frisdrank en smeltend kinderijs.

Bij thuiskomt geeft de haalbij de suikeroplossingen door aan huisbijen. Die verwerken ze met enzymen die de suikers omzetten, tot de suikeroplossingen de juiste verhoudingen hebben. Als het vochtgehalte van de honing, na rijping, niet meer dan 17 procent bedraagt, wordt hij opgeborgen in een raat en afgesloten met was.

Naast zoetigheid verzamelen bijen ook stuifmeel. Ze maken er bijenbrood van, door het stuifmeel samen te persen en met honing te mengen. Stuifmeel levert afgezien van vitamines en andere stoffen, veel proteïne. Dat dient voornamelijk de werkbijen tot voedsel.

Een van de taken van de huisbij is het onderhoud van de korf. Zij maakt gaten en kieren dicht met propolis, een harde, harsachtige substantie die gewonnen wordt uit de knoppen van bladeren. Propolis wordt door mensen aangewend als medicijn tegen infecties, omdat het stoffen bevat die bepaalde schadelijke bacteriën en schimmels weren.

Het verschil tussen een koningin en een werkbij ontstaat door de voeding. Alle larven krijgen de eerste dagen voedingsmelk, die uit een klier van de huisbij komt. Gewone larven krijgen daarna bijenbrood en honing, maar koninginnenlarven ontstaan doordat ze ook later nog voedingsmelk krijgen.

De koninginnenlarven worden in grote cocons geplaatst en gedrenkt in een speciale proteïnerijke voedingsmelk, koninginnengelei genaamd. Het spul wordt ook door mensen geconsumeerd. Vooral China produceert het.

Door te trompetteren, ontdekt een nieuwe koningin of de kust veilig is. Als ze het rijk alleen heeft, steekt ze eerst haar zusters dood die nog in de cocon zitten. Als er twee koninginnen tegelijkertijd uitkomen, bevechten ze elkaar. De winnares gaat paren.

Een mannelijke bij, de dar, wordt geboren uit onbevruchte eieren. Hij heeft geen vader en draagt alleen de genen van zijn moeder. Hij verricht geen enkel werk, maar vliegt er af en toe op uit, om te kijken of hij een koningin kan bevruchten. Als dat lukt, sterft hij. Zo niet, dan keert hij terug naar de korf. In het najaar echter worden alle mannetjes het huis uitgegooid. Ze mogen niet overwinteren. Als de koningin uitvliegt, paart zij ongeveer vijftien meter hoog in de lucht, met een tiental mannetjes. Hun sperma slaat zij op in haar zaadzak. Daar heeft ze jarenlang genoeg aan. Door met zoveel mannetjes te paren, verrijkt ze het genetisch materiaal. Zo kunnen de eigenschappen van volgende generaties veranderen en ontstaan nieuwe rassen.

De mens is daar niet altijd blij mee. Hij is bang dat zich onder de bijenvolkeren slechte eigenschappen zullen verspreiden. In de Verenigde Staten is men vooral bevreesd voor agressieve bijenrassen, die zich zouden kunnen voegen bij de vertrouwde honingbij. De honingbij kwam in Noord-Amerika tot de komst van de Europeanen niet voor.

In de loop van deze eeuw hebben zeer agressieve Afrikaanse bijensoorten zich verspreid over Midden- en Zuid-Amerika. Langs de zuidgrens van de Verenigde Staten is nu een bij-loze zone ingesteld, om vermenging van genen te voorkomen. Bijen mogen ook niet worden ingevoerd.

Europa bleef niet vrij van bijen-racisme. De vriendelijke honingbij was inheems maar er werden andere soorten geïmporteerd, om door kruising een nog beter ras te krijgen. Baanbrekend werk is verricht door broeder Adam, die in 1898 als Duitser werd geboren. Hij ontwikkelde de Buckfast-bij, die vandaag op mijn rosmarijn zit.

Op zijn 12de werd broeder Adam door zijn moeder weggegeven aan het benedictijnenklooster Buckfast in Dartmoor, Engeland. Toen in 1915 een bijenziekte de zwarte Engelse bij uitroeide, was hij imker van het klooster. Hij besloot een superras te kweken waarmee de Engelse bij kon worden vervangen. De erfelijkheidsleer van de Oostenrijkse monnik Gregor Mendel was daarbij zijn uitgangspunt.

Adam reisde rond door Europa, het Midden-Oosten en Noord-Afrika en ging op zoek naar raszuivere, inheemse bijen. Hij selecteerde vijf soorten op gunstige kwaliteiten. Hij koos Franse bijen, omdat ze veel honing maken, Griekse, omdat ze niet snel steken, Egyptische, omdat ze rustig zijn, Anatolische, omdat ze 's winters weinig honing consumeren, en bijen uit Marokko, die, als ze met noordelijke rassen worden gekruist, zeer vruchtbare koninginnen voortbrengen.

Tachtig jaar heeft de monnik zich toegelegd op het kruisen van een ideaal, puur bijenras. Het resultaat is de inmiddels wereldberoemde Buckfast-bij, die veel honing produceert, goed tegen de winter kan, al vroeg in het jaar begint met verzamelen, bestand is tegen veel ziekten, niet geneigd is uit te zwermen en ook niet snel steekt. Het is de vriendelijkste bij die er is. Ook imker Leo Groen uit Ouderkerk aan de Amstel houdt Buckfast-bijen.

Nederland is heel geschikt om rasbijen te kweken. De korf moet ergens geplaatst worden waar geen andere bijen voorkomen dan de volkeren waarmee je wilt kruisen. Marken, Schiermonnikoog en Texel dienen Leo Groen als geïsoleerde bevruchtingsstations. Toch kan alleen kunstmatige inseminatie garandereen dat bijen zich niet mengen met andere soorten. Er hoeft maar één vreemde dar tussen te zitten en het gaat al mis.

Nog maar enkele jaren geleden ging broeder Adam op zoek naar een puur zwart-Afrikaans bijenras waarvan hij het bestaan vermoedde. Hij zocht en hij zocht, maar overal was het genetisch materiaal al vermengd met dat van andere rassen. Toen een expeditie terugkwam van een vruchteloze tocht op de Kilimanjaro kreeg broeder Adam van een Afrikaanse collega te horen dat pure rassen in de vrije natuur niet bestaan. Niet lang daarna overleed hij.

Meer over