Honderdduizenden werkende armen, maar wie zijn ze?

amsterdam ‘Waarom wordt dit baantje door de maatschappij als tweederangs gezien?’, vroeg Joris Leijten zich medio april in de Volkskrant af....

Door Elsbeth Stoker

Met andere woorden: allemaal zaken die de meeste werknemers als volkomen normaal beschouwen, ontbeert deze werkende arme. Leijten was een van de zestien mensen die de afgelopen drie maanden hun verhaal deden in de Volkskrant-serie over het thema ‘als werken niet loont’.

Hoe komt het toch dat er in Nederland meer werkende armen komen, terwijl de afgelopen twintig jaar ondanks enkele crises de welvaart is gestegen? De laatste cijfers dateren van 2007. Toen constateerde dat het Sociaal en Cultureel Planbureau dat er 281 duizend mensen zijn die wél werken, maar toch arm zijn. In 1990 telde deze groep ‘nog maar’ 147 duizend werkenden. Deskundigen verwachten dat hun aantal afgelopen tijd alleen maar is gegroeid.

Niet alleen de crisis, die vooral het inkomen van veel eenpitters heeft aangetast, is hier de oorzaak van. Ook door de marktwerking in onder meer de postsector, de thuiszorg en het ziekenvervoer worden veel banen uitgehold. Een baan als postbode werd voorheen gezien als volwaardige functie. Inmiddels is het werk opgeknipt en teruggebracht tot deeltijdbaantjes waarmee je een minimumloon verdient.

Daarnaast vergroot de opmars van de flexwerker de tweedeling op de arbeidsmarkt. Met aan de ene kant de werknemer die kan leunen op een vast contract en het sociale vangnet, en aan de andere kant de kracht die zich tijdelijk verhuurt en geen gebruik kan maken van deze verworvenheden. Dit laatste hoeft geen probleem te zijn, zolang de flexkracht een goede onderhandelingspositie heeft en de middelen heeft om zijn eigen vangnet te organiseren. Mensen aan de onderkant hebben die meestal niet.

De rode draad in het verhaal is uiteindelijk kostenbesparing op arbeid, om te kunnen blijven concurreren op de wereldmarkt of te besparen op publieke diensten.

Maar wat betekent deze ontwikkeling voor degenen die het raakt? De verschillen tussen de geïnterviewde werkende armen blijken groot. De ene werkt in een sector waar je het als kleine ondernemer niet meer redt vanwege de heftige buitenlandse concurrentie. De ander kampt met psychische problemen, schulden of andere tegenslagen. En de derde heeft de pech dat ze als laagopgeleide alleenstaande moeder in een branche is terechtgekomen waar werkgevers de cao massaal aan hun laars lappen (ziekenvervoer). De kans dat zij ooit een vast contract krijgt, is klein.

Hoe verschillend de verhalen ook zijn, er zijn ook overeenkomsten. Hun inkomen is laag in verhouding tot het aantal uren dat ze werken. Hun baan biedt meestal weinig toekomstperspectief. En ook inkomens- of werkzekerheid is vaak ver te zoeken. Eten en een dak boven hun hoofd hebben geïnterviewden allemaal. Maar velen moeten zich bij het boodschappen doen wel constant de vraag stellen: als ik dit koop, red ik het eind van de maand dan nog? Het merendeel schommelde boven het bijstandsniveau – met uitzondering van degenen die werkweken maakten van 50 à 80 uur. Sommige van de deelnemers hadden zelfs een bovenmodaal inkomen. Zo verdient palingvisser Gaele Postma, samen met zijn vrouw, zo’n 60 duizend euro bruto per jaar. Maar voor dat geld werken ze beiden wel 70 uur in de week en een deel van hun inkomen wordt opgeslokt door investeringen in het bedrijf.

En dat terwijl jaar na jaar kabinetten claimen dat werk moet lonen, en dus aantrekkelijker moet zijn dan een werkloos bestaan.

Volgens Ans Pelzer van vakcentrale FNV vormen deze geïnterviewden het topje van de ijsberg. Want de echte rafelrand, degenen die voor een paar euro in slachterijen of in de tuinbouw werken, durft niet te praten, zegt ze. ‘We denken allemaal dat het in Nederland zo goed is geregeld, maar dat geldt niet voor iedereen.’ Ook hoogleraar Ton Wilthagen van Universiteit Tilburg constateerde voorafgaand aan deze serie dat de ‘rafelrand steeds rafeliger wordt’.

Is deze trend nog te keren? Hoewel FNV onder meer oppert de opmars van de flexwerker tegen te gaan, denken veel deskundigen dat dat niet meer kan. We willen immers concurrerend kunnen opereren.

Wat Wilthagen betreft, is het eigenlijk heel simpel. ‘Zorg dat er basisvoorzieningen zijn voor iedereen.’ Zodat ook flexkrachten een vangnet hebben.

Ook volgens Pelzer hóeft het niet moeilijk te zijn. ‘Als we met zijn allen goede afspraken maken over wat we fatsoenlijk werk vinden.’

Maar ja, zegt ze even later, ‘dwing dat maar eens af’.

Meer over