Honderd jaar Haagse jazz

Eind jaren tachtig had Eddy Determeyer in zijn boek Ruige dagen 120 pagina's nodig om '70 jaar jazz in Groningen' te beschrijven....

Arie van Breda, oud-voorzitter van de Haagse Jazz Club, zou zelf onmiddellijk tegenwerpen dat die vraag nergens op slaat. Den Haag is immers 'Nederlands jazzstad nr. 1', wat chauvinisten van elders ook mogen beweren. De ondertitel van zijn boek luidt niet voor niets Het New Orleans van de Lage Landen (twee jaar geleden verscheen de geschiedenis van de jazz in Frankrijk onder de titel New Orleans sur Seine).

Aan argumenten voor zijn stelling ontbreekt het Van Breda niet. De eerste belangrijke jazzconcerten in Nederland vonden alle te Den Haag plaats, te beginnen met Duke Ellington in de Kurzaal op 25 juli 1933. Ook Django Reinhardt gaf daar zijn eerste Nederlandse concert, in juli 1937. Theo Uden Masman, leider van The Ramblers, kwam uit Den Haag, evenals de jazz-impresario's Paul Acket en Lou van Rees. De Dutch Swing College Band veroverde de wereld vanuit Den Haag, maar ook de opkomst van de moderne jazz in Nederland was in belangrijke mate een Haagse affaire, met Rob Pronk, Rob Madna, Frans Elsen en de gebroeders Ack en Gerry van Rooijen. En dan is er natuurlijk sinds 1976 het North Sea Jazz Festival.

Pas eind jaren zestig, met de opkomst van de avant-garde jazz, begon Amsterdam tegenwicht te leveren, met Willem Breuker, Misha Mengelberg, Hans Dulfer en vele andere hoofdstedelijke helden van de geïmproviseerde muziek. Want zelfs Arie van Breda moet toegeven dat Den Haag daar slechts twee namen tegenover weet te stellen, Gilius van Bergeijk en Luc Houtkamp.

Ter verklaring van die Haagse hegemonie stipt Van Breda een paar interessante factoren aan. Als diplomatenstad kende Den Haag, en zeker Scheveningen, vanouds een mondainer uitgaansleven dan de rest van Nederland. En net als in de popmuziek van de jaren vijftig en zestig speelde ook in de jazz de Indische bevolking van Den Haag een bijzondere rol. Analyse en interpretatie zijn echter niet de sterke kanten van de auteur. Hij heeft zich met monnikenijver toegelegd op het boekstaven van zoveel mogelijk feiten, met hier en daar een anekdotisch detail. Zoals de tirade van de latere economiehoogleraar Jan Pen, anno 1951 als lid van de Haagse Jazz Club, tegen de bebop: 'dit misselijke muziekje' met 'hikkerige, chromatische loopjes', 'dit hele glibberige gefriemel'.

Meer over