Hond uit het koor van Gogol

Ook al slaapt hij nog zo diep en droomt hij nog zo mooi, zodra de deurbel rinkelt, springt hij uit zijn mand en rent zo hard als zijn vier poten hem maar kunnen dragen naar de deur, al blaffend als een bezetene....

PETER BEKKERS

Bij de deur aangekomen gaat hij rechtop staan, met zijn voorpoten tegen de deur. Zijn harige kop verschijnt voor het raam en de argeloze bezoeker schrikt zich een hoedje van zijn boosheid. Wat gaat hij tekeer! Hij drukt zijn allergevoeligste, glanzend zwarte neus in een kier en snuift met alle kracht die zijn longen gegeven is, de geur op van de persoon die daar voor de deur staat. Is het een vreemdeling of is het een bekende?

Zijn neus is onfeilbaar want het is de neus van een jachthond, en wat voor een jachthond: een Petit Basset Griffon Vendéen, wat betekent: een kleine Griffon (model Basset) uit de Vendée! Maar het geeft niet of het nu een vreemdeling of een onbekende is die daarbuiten zijn opwachting staat te maken, als er niet snel iemand komt om de deur open te doen, dan springt hij nog dwars door de ruit, zo niet uit boosheid, dan wel uit enthousiasme.

Daar komt al iemand aan uit de diepte van het huis. Het is niemand minder dan de vrouw des huizes, mevrouw mijn zusje. Zij roept: 'Zjiel, stil!, Zjiel, af! Zo is het mooi geweest! Stil nu eindelijk! Ben je nu helemaal gek geworden? Zo kunnen we de mensen toch niet ontvangen? Wat moeten de mensen wel niet denken! Zjiel, hoepel op nou' Om haar woorden kracht bij te zetten, stampt zij eens flink met haar voet op het onverstoorbare marmer.

Zo heet de hond dus: Zjiel, en niemand weet hoe hij aan die merkwaardige, gevoelvolle naam is gekomen, maar ongetwijfeld heeft het te maken met het feit, dat hij niet tegen afscheid kan. Want nog erger dan bij het komen, gaat hij tekeer bij het vertrek van mensen.

Iemand hoeft maar afscheid te nemen, op straat, binnenshuis of aan de telefoon, of hij begint zo hartverscheurend te huilen, dat je er gewoon niet tegen kunt, en hij zou werkelijk niet misstaan in het koor van huilende honden dat door Gogol zo fijntjes wordt beschreven in Dode Zielen: 'Ondertussen hadden de honden zich in alle toonaarden aan het blaffen gezet: een van hen had, met zijn snoet omhoog, zo'n langgerekt gejank aangeheven en deed zo zijn best, dat het leek of hij er God weet wat voor salaris voor ontving; een ander ging kortaf en haastig te werk als een koster; ertussendoor klonk als het geluid van een posthoorn een onuitputtelijke discant, vermoedelijk van een teef en heel dit concert werd tenslotte nog overstemd door een bas, een oude rakker waarschijnlijk, begiftigd met een taaie hondenatuur, want zijn gegrom klonk zo luid als een basstem in een zangkoor, wanneer het concert in volle gang is: de tenoren verheffen zich op hun tenen uit begeerte om een hoge noot te halen, trouwens, alles wat deelneemt streeft met het hoofd in de nek geworpen naar boven, alleen hij steekt zijn ongeschoren kin in zijn das weg, hurkt neer, verdwijnt bijna in de grond en laat dan uit de diepte een toon los, waar de ruiten van gaan trillen en rinkelen.'

Peter Bekkers

Meer over