Dagboek

Homo's vind je onder rijke lui, niet bij het gewone volk

San Antonio, 16 februari 1974

Een Chileense gevangenis. Beeld afp
Een Chileense gevangenis.Beeld afp

Zeer laat komen de soldaten rond met de Peugeot en krijgen we weer bonen met soep. Ze zien er dronken uit en vertellen dubbelzinnige grappen die wij niet kunnen volgen. We weten niet of ze te vertrouwen zijn of niet. We lachen flauw.

'Zijn hier flikkers?', vraagt er een. 'Wij zijn allemaal getrouwde mannen', antwoordt Ramón, die het opvat als een grap. 'Ik heb veertien kleinkinderen.' 'En er zijn geen flikkers bij, opa?'

Don Ramón verdedigt zich en zegt dat het volk geen flikkers voortbrengt, dat je die alleen bij de rijken vindt. De soldaat kijkt ons een voor een aan, alsof hij ergens feminiene trekken zoekt. Mijn sandalen vindt hij aanvankelijk verdacht, maar mijn voeten zijn zo vuil dat de illusie vervaagt. Ze smakken de deur dicht.

Rond drie uur 's middags horen we een voertuig het kamp oprijden. Opeengepakt rond de spleten van het rechtervenster zien we dat er een nieuwe groep gevangenen is aangekomen. Ze hebben dezelfde witte blinddoeken om, staan met hun gezicht naar de palissade, met hun armen gestrekt en hun benen wijd. Ze laten ze lang in die houding staan.

De deur gaat met een klap open en iemand wordt naar binnen geduwd. Ze hebben hem nog maar net zijn blinddoek afgenomen, hij weet niet waar hij is en wie wij zijn. Ten slotte kijkt hij ons vol wantrouwen en afkeer aan. Nee, hij wil niet bij ons komen zitten. Hij begrijpt niet waarom wij niet de gewone misdadigers zijn die wij lijken.

Het denkbeeld om zijn situatie te associëren met de onze, wijst hij af. Hij is een speciaal geval.

Hernán Valdés (1934), Chileens schrijver, gearresteerd na de staatsgreep tegen Allende. Uit Dagboek uit een Chileens concentratiekamp. Vertaling Alex Verstringe. Van Gennep, 1976.

Meer over